Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA4846

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97-20845
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2000/15.13 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

sw

Gerechtshof Arnhem

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nr. 97/ 20845

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : *X

te : *Z

ambtenaar : de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar

soort belasting : inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen

jaar : 1995

mondelinge behandeling : op 7 december 1999 te Zwolle door mr Röben, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Van der Waerden als griffier

waarbij verschenen : belanghebbendes gemachtigde vergezeld door belanghebbende zelf, alsmede de inspecteur

gronden:

1. Belanghebbende drijft met zijn echtgenote in firmaverband een kapsalon.

In 1995 is hun in 1979 geboren dochter, waarvoor zij kinderbijslag ontvangen, gestart met een opleiding aan een kappersvakschool. Vanaf medio 1995 wordt de opleiding gevolgd te *Q. Volgens belanghebbende ter zitting verleende de dochter vóór de aanvang van de opleiding hand- en spandiensten in het bedrijf.

Het was de bedoeling van de ouders dat de dochter na afronding van de opleiding bij hen in de kapsalon kwam werken.

2. De totale kosten van de opleiding van oktober 1995 tot juni 1997 hebben ƒ 31.544,- bedragen. In 1995 is in verband met de opleiding ƒ 12.971,- betaald. Dit laatste bedrag is ten laste van de firmawinst gebracht.

3. Belanghebbende is van mening dat de kosten van de opleiding als zakelijke kosten kunnen worden bestempeld. Hij stelt daartoe, dat de vakopleiding van de dochter naadloos aansluit bij de door haar in de toekomst in de onderneming van de ouders uit te voeren werkzaamheden, en dat gelet op zijn leeftijd van 53 het redelijk is om nu reeds te voorzien in bedrijfsopvolging.

4. Bij het beroepschrift heeft belanghebbende een ‘studie-overeenkomst’ van april 1997 overgelegd tussen de dochter en Kapsalon *A, waarin - zakelijk weergegeven - is bepaald,

dat Kapsalon *A de kosten van de kappersopleiding van de dochter betaalt, en

dat, indien de dochter binnen vijf jaar na indiensttreding de onderneming verlaat, zij een tijdsevenredig deel dient terug te betalen.

5. Belanghebbende wijst voorts op een antwoord van de staatssecretaris van Financien op vragen van het Tweede Kamerlid Van der Ploeg (TK, 1 december 1994, 23942, nr. 10):

"Wanneer een ondernemer de studiekosten van een student sponsort, zijn de kosten aftrekbaar als de onderneming een zakelijk belang heeft bij die sponsoring. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als een student na zijn studie bij de onderneming gaat werken, of als beurzen worden verstrekt waaraan de ondernemingsnaam is gekoppeld."

6. De Inspecteur heeft aftrek van de winst van de studiekosten van de dochter geweigerd.

7. In het algemeen behoren tot uitgaven van persoonlijke aard, de uitgaven die ouders, boven ontvangsten in het kader van studiefinanciering of kinderbijslag, zich getroosten om hun kinderen te laten studeren of een opleiding te laten volgen.

8. In dit geval gaat het om een kind van 16 jaar, waarvoor de ouders de wettelijke zorgplicht hebben en waarvoor zij nog kinderbijslag ontvangen. In een zodanig geval prevaleert het persoonlijke karakter van de uitgaven.

9. In het licht hiervan brengt ook de omstandigheid dat belanghebbende en zijn echtgenote hopen dat de dochter de opleiding voltooit en daarna in hun bedrijf werkzaam zal zijn niet mee dat daardoor sprake is van kosten die de bedrijfsvoering raken en welke ten laste van de winst kunnen worden gebracht. De kort voor het beëindigen van de opleiding tussen de ouders en de dochter opgestelde overeenkomst brengt hierin geen verandering.

10. Belanghebbende heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij met het oog op de bedrijfsvoering van zijn onderneming verplichtingen was aangegaan tot het doen van de uitgaven in het onderhavige jaar.

11. Het Hof merkt ten slotte nog op dat de hier aan de orde zijnde situatie verschilt van de situatie als bedoeld in voormelde antwoorden van de staatssecretaris van Financien. In die casus is niet gesproken over het geval dat de uitgaven betreffen de studie- of opleidingskosten van een eigen kind van de ondernemer waarvoor gelet op de leeftijd nog wettelijke zorgplicht bestaat en waarvoor recht op kinderbijslag dan wel recht op studiefinanciering bestaat.

slotsom:

Het beroep van belanghebbende is niet gegrond.

proceskosten:

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 21 december 1999 door mr Röben, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Van der Waerden als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(A.W.M. van der Waerden) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 december 1999

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende ¦ 150,-. Verweerder is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van ¦ 150,- verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.