Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA4757

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97-21903
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ak

Gerechtshof Arnhem

vierde enkelvoudige belastingkamer

nummer 97/21903

U i t s p r a a k

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid*X BV te *Z (de belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Registratie en successie te *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar onder nr. *1 opgelegde aanslag tot naheffing van kapitaalsbelasting.

1. Naheffingsaanslag en bezwaar

1.1. Het aanslagbiljet, nummer *1 en gedagtekend 18 maart 1997, vermeldt een te betalen belastingbedrag van ¦ 1.495,-.

1.2. Bij zijn uitspraak van 7 oktober 1997 op het tijdig ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is met een bijlage ter griffie ontvangen op 10 oktober 1997 en de motivering met dezelfde bijlage op 15 december 1997.

2.2. Tot de stukken van het geding behoort het vertoogschrift van de Inspecteur met tien bijlagen, alsmede de door de Inspecteur ter zitting overgelegde pleitnotities waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 23 november 1999 te Zwolle is alleen de Inspecteur verschenen. Blijkens de door het Hof van PTT-Post ontvangen retourkaart is de oproeping op 20 juni 1999 aan het kantoor van belanghebbendes gemachtigde uitgereikt.

3. De conclusies van de partijen

3.1. De belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de naheffingsaanslag tot 1% van ¦ 39.144,- ofwel ¦ 391,-.

3.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De vaststaande feiten

Op grond van de stukken kan het volgende als voor dit geding vaststaand worden aangemerkt:

4.1. Belanghebbende is opgericht op 12 mei 1995. Het doel van belanghebbende is het beleggen in vermogen, onder meer in effecten, onroerende zaken en (hypothecaire-) schuldvorderingen. Directeur/aandeel-houder van belanghebbende is *A.

4.2. In 1995 zag de directeur/aandeelhouder af van rente over een door hem aan belanghebbende verstrekte lening. De gemiddelde stand van de lening bedroeg in dat jaarƒ 4.175.438,-. De Inspecteur ziet in het afzien van rente een storting van informeel kapitaal. Bij de aanslagregeling ging de Inspecteur uit van een gemiddelde marktrente over de periode 15 mei 1995 tot 1 januari 1996 van 5,73%. Hij berekent de aanslag op 1% van 5,73% van

ƒ 4.175.438,- ofwel op 1% van ƒ 149.532,- ofwel op ƒ 1.495,-.

4.3. Ter zitting heeft de Inspecteur zijn standpunt gewijzigd. Hij verdedigt nu dat de gemiddelde marktrente voor langlopende vorderingen waarvoor geen aflossingsverplichting is overeengekomen en waarvoor geen zekerheden zijn gesteld in 1995 8% heeft bedragen. Hij berekent de storting van informeel kapitaal nader op ƒ 4.175.438,- × 8% × 7,5/12 ofwel op ƒ 208.771,- en de belasting die had moeten worden nageheven op ƒ 2.087,-.

4.4.1. Belanghebbende erkent dat sprake is van een storting van informeel kapitaal. Hij is evenwel van mening dat de Inspecteur een te hoog rentepercentage aanhoudt. Belanghebbende acht in dit geval een rentepercentage van 1,5% zakelijk.

4.4.2. Belanghebbende is bovendien van mening dat bij de bepaling van het bedrag van de storting van informeel kapitaal in een geval als dit rekening dient te worden gehouden met latente vennootschapsbelasting.

5. Het geschil en de standpunten van de partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil tot welk bedrag in 1995 informeel kapitaal in belanghebbende is ingebracht.

5.2. Partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd hetgeen is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

5.3. Hieraan heeft de Inspecteur ter zitting toegevoegd dat belanghebbende in 1995 fiscaal in een winstsituatie verkeerde.

6. De beoordeling van het geschil

6.1. De Inspecteur maakt met zijn verwijzing naar belanghebbendes jaarstukken (bijlage 4 bij het vertoogschrift) aannemelijk dat in dit geval sprake was van een langlopende geldlening waarvoor geen zekerheden waren gesteld en waarvoor geen aflossingsverplichting was overeengekomen.

6.2. Het Hof acht de nadere stelling van de Inspecteur dat voor een dergelijke geldlening in 1995 een zakelijke rente van 8% gold en niet een rente van 5,73% (het gemiddelde reële rendement van aflosbare staatsleningen in 1995) zoals de Inspecteur bij de aanslagregeling had aangehouden, aannemelijk.

6.3. Het Hof acht, met de Inspecteur, niet aannemelijk dat een zakelijk handelende derde in een situatie als de onderhavige als crediteur genoegen zou hebben genomen met een lager rentepercentage dat 8%, laat staan 5,73%. Belanghebbende maakt zijn bewering van het tegendeel niet aannemelijk.

5.4. Ingevolge artikel 34, aanhef en onderdeel d, van de Wet wordt onder het bijeenbrengen van kapitaal (onder meer) begrepen het verkrijgen van kapitaal van een aandeelhouder (zonder uitdrukkelijke toekenning van nader aangeduide rechten).

Het op de vorenomschreven wijze door de belanghebbende verkregen kapitaal is echter niet gelijk aan de door de DGA prijsgegeven salaris- en rentebedragen omdat haar voordeel daaruit niet groter is dan deze bedragen verminderd met de nu over de zoveel hogere winst verschuldigde vennootschapsbelasting.

5.5. Omdat niet is gebleken dat in dit geval voor de bepaling van de hoogte van de storting van informeel kapitaal van een lager percentage dan 35 dient te worden uitgegaan, zal het Hof dit percentage aanhouden. Artikel 35 van de Wet speelt te dezen geen rol.

5.6. Het bedrag van de storting van informeel kapitaal dient nader te worden berekend op 65% van 8% van 7,5/12 × ƒ 4.175.438,- ofwel op ƒ 135.701,-.

6. De slotsom

De naheffingsaanslag is derhalve eerder te laag dan te hoog vastgesteld. Het beroep van belanghebbende is ongegrond.

7. De proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

8. De beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus gedaan te Arnhem op 16 december 1999 door mr Matthijssen, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Vermeulen-Post als griffier.

(I.B. Vermeulen-Post) (T.J. Matthijssen)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 december 1999

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.