Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA4753

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97-21228
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/576
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 97/21228

U i t s p r a a k

op het beroep van *X te *Z, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd afdeling Financiën van de gemeente Dronten (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1997 opgelegde aanslagen in de gemeentelijke belastingen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Het op 30 april 1997 gedagtekende aanslagbiljet omvat wat betreft de bij belanghebbende in eigendom zijnde onroerende zaak aan de *a-weg 1-101 te *Q de volgende aanslagen:

Rioolrechten ƒ 205,20

OZB zakelijk recht ƒ 95,00

OZB feitelijk gebruik ƒ 76,00.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag rioolrechten bezwaar gemaakt. De ambtenaar heeft die aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Burgemeester en Wethouders (hierna: B&W) hebben een vertoogschrift ingediend.

1.4. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de zesde enkelvoudige kamer van het Hof op 20 april 1999 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de ambtenaar.

1.5. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij zijn pleitnota 6 - op 16 april 1999 door het Hof ontvangen - producties overgelegd en een uit 6 bladzijden bestaande, op 19 april 1999 door het Hof ontvangen, productie. Na het houden van pleidooi door belanghebbende en een voorlopige reactie daarop door B&W is de zaak vanwege de aard van de in de pleitnota aan de orde gestelde problematiek door het lid van de zesde enkelvoudige kamer verwezen naar de tweede meervoudige kamer.

1.6. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de tweede meervoudige kamer van het Hof op 20 oktober 1999 te Arnhem. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbendealsmede de ambtenaar. Met toestemming van partijen is deze zaak gelijktijdig behandeld met rolnummer 97/20935.

1.7. Door het Hof is op 20 oktober 1999 gehoord de door belanghebbende voorgedragen getuige *A, gemeenteambtenaar te Dronten. Van het verhoor is een proces-verbaal opgemaakt welk aan deze uitspraak is gehecht. De overeenkomstig de wet opgeroepen getuige *B is wegens ziekte niet verschenen. Het Hof heeft aangeboden deze getuige alsnog in een nadere zitting te horen. Partijen hebben echter ter zitting afgezien van verhoor van deze getuige.

1.8. B&W hebben - daarnaar ter zitting gevraagd - een kopie van de tijdens de zitting van 20 oktober 1999 aan belanghebbende en het Hof getoonde tekening aan het Hof gezonden. Belanghebbende beschikte reeds over die tekening.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 20 april 1999 en die van 20 oktober 1999, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is eigenaar van een bungalow op het bungalowpark *C" aan de *a-weg 11 te *R (gemeente Dronten). De in het park gelegen woning van belanghebbende heeft huisnummer *101.

Het park bevat 177 bungalows, verenigd in de coöperatieve vereniging Bungalowpark *C" U.A. (hierna: het park). Alle woningen zijn aangesloten op een rioleringsstelsel van het park. De in dit stelsel geloosde stoffen worden thans uiteindelijk afgevoerd op een door de gemeente Dronten en het Heemraadschap Fleverwaard aangelegde persleiding (hierna: de persleiding). De kosten van de aanleg van de persleiding zijn gedeeld door de gemeente Dronten en het Heemraadschap. Over de eigendom van de persleiding zijn geen nadere afspraken gemaakt. Op de persleiding zijn ook geen rechten gevestigd.

2.3. Tot maart 1995 ontbrak een persleiding. Tot die tijd werd het afvalwater door het park zelf gezuiverd en vervolgens geloosd op het Biezenveld. Vanwege de destijds aanstaande Wereldjamboree en het feit dat het Heemraadschap lozingen op *Plas-b niet langer wenste te aanvaarden is destijds besloten tot de aanleg van een persleiding.

2.4. Op 21 oktober 1993 is een bespreking gehouden over de aanleg van de persleiding. Bij die bespreking waren aanwezig *A en *B namens de gemeente Dronten, vertegenwoordigers van zowel het Heemraadschap alsmede de parken *C en D. De door vertegenwoordigers van de parken gemaakte notulen van die bespreking bevatten onder meer het volgende:

"De persleiding langs de *a-weg is in maart 1995 gereed. Aansluiting op deze leiding is verplicht, het biezenveld zal worden opgeheven. De leiding loopt langs de beide parken, de afstand is zo gering, dat de kosten van de aansluiting voor rekening van de parken zijn. De aanleg van de leiding langs de *a-weg is voor rekening van de gemeente Dronten, er hoeft niet te worden bijbetaald door de parken, dit in tegenstelling met *de parken E en F, en anderen. Elk park wordt als een eenheid beschouwd, zodat voor rioolrecht voor een aansluiting moet worden betaald (naar schatting F 200,-- per jaar).De afvoer van het rioolwater zal waarschijnlijk worden berekend aan de hand van het ingenomen water en de vervuilingscoëfficiënt die voor normale huishoudens geldt.

2.5. In een brief van 7 december 1995 is door de gemeente Dronten aan het park meegedeeld dat zijn aanvraag voor een lozingsvergunning niet in behandeling zal worden genomen omdat het rioleringsstelsel waarop het park loost niet van de gemeente Dronten is, maar van het Heemraadschap Fleverwaard.

2.6. In een brief van 4 juni 1997 heeft genoemd Heemraadschap aan het park bericht dat de persleiding in eigendom en beheer van het Heemraadschap is, dat deze direct aansluit op de afvalwaterzuiveringsinstallatie van het Heemraadschap, zonder tussenkomst van een stuk gemeentelijke riolering, en dat het deel van de riolering vanaf het park tot aan gemaal *C-1 niet in beheer en eigendom van het Heemraadschap is.

2.7. Het park is gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de persleiding wordt afgevoerd. De bungalows zijn gedeelten van deze eigendom die blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Een groot aantal bungalows wordt slechts enkele weken per jaar gebruikt.

2.8. Tot de gedingstukken behoort de op 7 november 1996 vastgestelde Verordening rioolrechten 1997. De heffing van deze rechten geschiedt vanaf

1 januari 1997. Zij is in werking getreden acht dagen na de dag van haar bekendmaking.

De Verordening is opgenomen in het Gemeenteblad. Van dit feit is kennis gegeven in het Drontens Nieuwsblad van 26 november 1996. In dat Nieuwsblad is vermeld dat de Verordening op voormelde datum - te weten

7 november 1996 - is vastgesteld en kan worden ingezien in het gemeentehuis. Voorts is vermeld dat exemplaren van het Gemeenteblad tegen betaling van de kosten verkrijgbaar zijn.

1. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

-Is door één of meer ambtenaren *A en/of *B) van de gemeente Dronten op 21 oktober 1993 aan vertegenwoordigers van het park de toezegging gedaan dat slechts één aanslag rioolafvoerrecht zou worden opgelegd, en wel aan de coöperatieve vereniging "* *D"?

-Is de bungalow van belanghebbende een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd?

-Moet de bestreden aanslag worden opgelegd naar tijdsgelang?

-Is het gelijkheidsbeginsel geschonden nu bungalows op andere parken niet afzonderlijk zijn aangeslagen?

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting de volgende argumenten en weren toegevoegd:

Belanghebbende ter zitting van 20 april 1999:

De bungalowbewoners betalen al alle kosten van onderhoud voor het eigen rioolstelsel. Binnenkort moet voor honderdduizenden guldens aan onderhoudswerkzaamheden aan die riolering worden verricht. Het is dan moeilijk te begrijpen dat zij gezamenlijk voor de afvoer van afvalwater op de riolering nog eens ƒ 45.144,- moeten betalen.

Belanghebbende ter zitting van 20 oktober 1999:

Het park had in 1993 een eigen zuiveringsinstallatie die prima werkte. *Plas-b, waarop het gezuiverde water werd geloosd kon de hoeveelheid afvalwater niet meer aan door toename van het toerisme elders. De bij de bespreking van 21 oktober 1993 aanwezige bestuursleden van het park waren niet enthousiast over de plannen van gemeente en Heemraadschap.

Door *A is tegen hen uitdrukkelijk gezegd dat slechts het park voor het gebruik van de persleiding zou worden aangeslagen. Hij noemde daarbij een bedrag van ongeveer ƒ 200,- . De bestuursleden zouden nooit akkoord zijn gegaan indien toen duidelijk was geworden dat elke bungalow in het rioolafvoerrecht zou worden betrokken. Voor de bestuursleden speelde nadrukkelijk mee dat het buiten werking stellen van de eigen zuiverings-installatie al een forse kapitaalvernietiging zou meebrengen voor het park. Belanghebbende herinnert zich niet dat ter sprake is geweest dat het park als een bedrijf zou worden beschouwd, maar weet wel zeker dat is toegezegd dat het park voor het rioolafvoerrecht als één geheel zou worden beschouwd. Overigens wordt het park door het Heemraadschap voor de zuiveringslasten ook als één geheel beschouwd.

In de beoordeling van het plan voor de persleiding door de bestuursleden is het totaal van de door het park te maken onkosten in ogenschouw genomen. Er is rekening gehouden met 20 mille aan verontreinigingsheffing, 10 mille voor de aanschaf van pompen en met een aanslag rioolafvoerrecht van ƒ 200,-. Dit totale pakket aan uitgaven werd door de bestuursleden aanvaardbaar geacht.

B&W ter zitting van 20 april 1999:

De notulen van de bijeenkomst van 21 oktober 1993 zijn met *A besproken. *A vroeg zich af of die verslaglegging wel klopte. Het kwam hem niet bekend voor. Hij kan overigens niet veel toevoegen aan datgene wat thans reeds bekend is. De gemeente is door natrekking eigenaar geworden van de persleiding omdat die leiding in gemeentegrond is gelegen.

B&W ter zitting van 20 oktober 1999:

Er is veronderstellenderwijs gesproken over een aanslag van ƒ 200,-. Van een toezegging is daarom geen sprake geweest. *A en *B waren niet bevoegd uitlatingen te doen over de verschuldigde belastingen. De notulen van de bespreking van 21 oktober 1993 zijn niet door de gemeente getekend.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vernietiging van de aanslag rioolrechten. B&W concluderen tot bevestiging van hun uitspraak.

4.1. Beoordeling van het geschil

Het beroepschrift.

4.1. Het pro forma beroepschrift dat is gericht tegen 220 uitspraken op even zovele ingediende bezwaarschriften moet, gelet op de brief van B&W van 16 augustus 1997 en op de nadere brief van 27 augustus 1997 van belanghebbende, geacht worden slechts te zijn gericht tegen de op 18 juli 1997 mede voor de onder 1.1. genoemde aanslag rioolafvoerrecht gedane uitspraak op het bezwaar. Het Hof zal om proceseconomische redenen partijen in die opvatting volgen.

Het vertrouwensbeginsel

4.2. Belanghebbende stelt dat hij aan hetgeen door *A bij de bespreking van 21 oktober 1993 heeft toegezegd het vertrouwen heeft ontleend dat jaarlijks niet aan hem en aan de overige eigenaars van een bungalow in het park, doch slechts aan de coöperatieve vereniging "*D" een aanslag in het rioolafvoerrecht zou worden opgelegd.

4.3. In een geval waarin een kennelijk daartoe bevoegde ambtenaar omtrent de toepassing van wettelijke regels en/of beleidsregels, na kennisneming van de relevante bijzonderheden van het geval, uitlatingen doet die door personen zoals belanghebbende redelijkerwijs kunnen worden opgevat als een toezegging, dient een strikte wetstoepassing achterwege te blijven, tenzij die toezegging zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige in redelijkheid niet op nakoming van die toezegging mocht rekenen.

4.4. Op 21 oktober 1993 heeft tussen enerzijds bestuursleden van de coöperatieve verenigingen bungalowparken "*C" en "*D" en anderzijds vertegenwoordigers van de gemeente Dronten en het Heemraadschap Fleverwaard (hierna: de vertegenwoordigers) een bespreking plaatsgevonden. De bestuursleden hebben het doel van die bespreking klaarblijkelijk aldus begrepen dat de vertegenwoordigers met hen de gevolgen van de aanleg van een persleiding voor de beide parken wilden doornemen waarbij zij kennelijk tevens beoogden de medewerking van de bestuursleden voor de aanleg daarvan te verkrijgen.

4.5. In dit kader heeft belanghebbende blijkbaar onder meer de volgende feiten en omstandigheden in zijn beschouwing betrokken:

de bestaande waterzuiveringsinstallatie dient buiten werking te worden gesteld;

er dienen veel kosten te worden gemaakt voor onderhoudswerkzaamheden aan het rioleringsstelsel binnen het park;

het totale bedrag aan voortaan verschuldigde verontreinigingsheffing zal rond de 20 mille bedragen;

er zal ongeveer tienduizend gulden nodig zijn voor de aanschaf van pompen.

4.6. Tijdens de bespreking is volgens belanghebbende, behalve de vermoedelijke omvang van de zuiveringslasten, eveneens aan de orde geweest de hoogte van een aanslag in het rioolrecht. In de hiervoor onder 2.4. bedoelde van de bespreking opgemaakte notulen kan daarover onder meer het volgende worden gevonden: "Elk park wordt als een eenheid beschouwd, zodat voor rioolrecht voor een aansluiting moet worden betaald (naar schatting ƒ 200,-- per jaar).". Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat *A heeft verklaard dat slechts het park voor het gebruik van de persleiding zou worden aangeslagen waarbij deze een bedrag van rond de ƒ 200,-- heeft genoemd. Voorts zou volgens belanghebbende door *A zijn toegezegd dat het park voor het rioolrecht als één geheel zou worden beschouwd.

4.7. *A heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij over het rioolaansluitrecht niets heeft gezegd, dat hij over het rioolafvoerrecht heeft opgemerkt dat bedrijven per aansluiting betalen en dat wanneer de parken als bedrijven hebben te gelden dat dan ook geldt voor de parken en dat hij zich voorts niet kan herinneren dat hij gezegd heeft dat elk park als een eenheid moet worden beschouwd.

4.8. Het Hof heeft voor het antwoord op de vraag of een toezegging in de door belanghebbende gestelde zin is gedaan de door partijen gestelde feiten en omstandigheden te wegen. De in 4.6. genoemde notulen hebben in dit verband, hoewel deze niet voor accoord naar de vertegenwoordigers zijn gezonden, belangrijke betekenis, omdat zij een verslag van de bespreking bevatten dat

- naar het Hof aanneemt - niet al te lang na die bespreking is gemaakt. Het is dan aannemelijk dat in dat geval sprake is van een juiste verslaglegging.

4.9. Er valt ook niet goed in te zien waarom de bestuursleden in die notulen, die mede dienen ter voorlichting van de 220 bungalowbewoners, opzettelijk een voorstelling van zaken zouden geven die afwijkt van datgene wat in werkelijkheid is gebeurd.

4.10. Ten slotte acht het Hof - gelet op de indruk die ter zitting van één van de bij de bespreking aanwezige bestuursleden (belanghebbende) is gekregen- niet aannemelijk dat de bestuursleden zich hebben vergist bij de beoordeling van datgene wat door *A bij de bespreking is gezegd.

4.11. Het Hof acht derhalve de voorstelling van zaken zoals deze door belanghebbende is geschetst aannemelijk. Alsdan kan er voor dit geding van worden uitgegaan dat de bestuursleden met de vertegenwoordigers de voor- en nadelen van de aanleg van de persleiding hebben besproken waarbij de financiële gevolgen daarvan onder ogen zijn gezien; dat in dat kader de hoogte van het rioolrecht aan de orde is geweest. Nu uit de notulen niet blijkt dat tijdens de bespreking is onderscheiden in het rioolafvoerrecht en het rioolaansluitingsrecht, terwijl voorts niet is gebleken dat de gemeente Dronten in 1993 of daarna een rioolaansluitingsrecht hief, hebben de bestuursleden naar het oordeel van het Hof kunnen en mogen menen dat het bedrag van ƒ 200,- dat *A noemde betrekking had op het in Dronten geheven rioolafvoerrecht. Dit ligt temeer in de reden nu *A heeft verklaard dat hij over het aansluitrecht niets heeft gezegd.

4.12. Het Hof acht op grond van het voorgaande door belanghebbende voldoende aannemelijk gemaakt dat *A tijdens de bijeenkomst van 21 oktober 1993 heeft verklaard dat elk park als een eenheid wordt beschouwd, op grond waarvan voor rioolrecht voor één aansluiting moet worden betaald, naar schatting ƒ 200,- per jaar. Die verklaring behelst naar het oordeel van het Hof een als toezegging op te vatten uitlating. Belanghebbende heeft meegedeeld in dat geval zijn bewijsaanbod dienaangaande in te trekken

4.13. *A, die in die tijd als enige verantwoordelijkheid droeg voor de uitvoering van het rioleringsproject, heeft namens de gemeente Dronten aan de bespreking met de parken deelgenomen. B&W moeten hebben beseft dat in die bespreking financiële kwesties aan de orde zouden komen en dat met name de fiscale gevolgen daarbij een niet onbelangrijke rol zouden spelen. In een dergelijk geval ligt het dan voor de hand dat een ter zake deskundige ambtenaar aanwezig is, en zo dit niet mogelijk is, dat *A en *B in antwoord op fiscale vragen zouden hebben verwezen naar de specifiek deskundige ambtenaren dan wel bij die beantwoording een grote terughoudendheid aan de dag zouden hebben gelegd.

4.14. Nu *A - naar is komen vast te staan - het hiervóór onder 4.12. vermelde zonder enige clausulering heeft verklaard, mocht belanghebbende ervan uitgaan dat die mededelingen bevoegdelijk namens B&W werden gedaan en kon belanghebbende daaraan het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat overeenkomstig de gedane toezegging zou worden gehandeld. Niet kan immers worden gezegd dat die gedane toezegging zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige in redelijkheid niet op nakoming van die toezegging mocht rekenen.

4.15. B&W hadden daarom op grond van de gedane toezegging slechts aan de vereniging "*C" een aanslag in het rioolafvoerrecht mogen opleggen van ƒ 205,20. De aan belanghebbende opgelegde aanslag dient mitsdien te worden vernietigd.

4.16. Het beroep is gegrond. De overige klachten behoeven geen behandeling meer.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig B&W te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Bij de bepaling van de omvang van het belang van de zaak houdt het Hof rekening met het feit dat deze zaak direct verband houdt met 219 andere zaken waarin uiteindelijk de indiening van afzonderlijke beroepschriften achterwege is gebleven omdat de uitspraak in de onderhavige zaak door partijen bindend wordt geacht voor de overige 219 zaken. Het Hof stelt deze proceskosten vast op 3 punten maal ¦ 710,- maal wegingsfactor 1,5 ofwel ¦ 3.195,-.

4. Beslissing

Het Hof:

vernietigt de bestreden uitspraak,

vernietigt de aanslag rioolrechten van ƒ 205,20,

gelast dat B&W aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ¦ 80,-, en

veroordeelt B&W in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ¦ 3.195,- en wijst de gemeente Dronten aan als de rechtspersoon die de kosten aan belanghebbende moet vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 16 december 1999 door mr Van Schie, vice-president, mr Lamens, als voorzitter, en mw mr De Kroon, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Den Ouden als griffier.

(R. den Ouden) (J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 december 1999

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.