Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA4598

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-02454
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

achtste enkelvoudige belastingkamer

nummer 98/02454

U i t s p r a a k

op het beroep van *X te *Z, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/ Particulieren *P, op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1996.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het hof

1.1. De aanslag is, conform de door belanghebbende ingediende aangifte, berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 39.818.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het hof. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het hof van 17 november 1999 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1.5. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan met bijlagen overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt. De inspecteur heeft van de door de gemachtigde overgelegde stukken kennis kunnen nemen en zich daarover uit kunnen laten.

2. Feiten

Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is in augustus 1996, op uitnodiging van een kennis aanwezig geweest bij een presentatie voor een zogenoemd piramidespel. Het piramidespel werd georganiseerd door *A BV. Enkele dagen daarna heeft belanghebbende de bijdrage voor deelname aan het piramidespel van ƒ 5.000 aan *A BV. voldaan. Hij heeft het geld van de genoemde kennis geleend.

2.2. Deelnemers aan het piramidespel van *A BV. worden in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van het door *A BV. ontwikkelde multi level marketing concept. Om aan het concept deel te kunnen nemen moet ƒ 5.000 worden geïnvesteerd. Van marketing in die zin, dat produkten worden verkocht of diensten worden verleend is in het geheel geen sprake. Het concept is in feite een systeem waarin een deelnemer, om zijn inleg (of meer) terug te kunnen verdienen nieuwe deelnemers moet werven die op hun beurt weer

ƒ 5.000 moeten inleggen.

2.3. Door de betaling van het inleggeld van ƒ 5.000 werd belanghebbende een zogenoemde kleine ondernemer. Van het bedrag van ƒ 5.000 dat de eerste twee door hem aangebrachte nieuwe deelnemers zouden moeten betalen, zou belanghebbende ƒ 1.000 ontvangen. Na het aanbrengen van twee nieuwe deelnemers zou belanghebbende een zogenoemde grote ondernemer worden, en van elke nieuw door hem geworven deelnemer, of van een nieuwe deelnemer die zou worden aangebracht door een door hem geworven kleine ondernemer,

ƒ 2.000 ontvangen. Indien belanghebbende nog hogere niveaus in de piramide zou bereiken zou hij, althans in theorie, veel geld kunnen verdienen met zijn deelname aan het piramidespel.

2.4. Belanghebbende heeft zes personen benaderd om, net als hij, deel te gaan nemen in het piramidespel. Hij is echter niet geslaagd in het werven van nieuwe deelnemers.

2.5. Belanghebbende heeft deelgenomen aan een tweetal bijeenkomsten die bedoeld waren om hem te trainen in het benaderen van nieuwe deelnemers.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de deelname van belanghebbende aan het piramidespel kan worden aangemerkt als een bron van inkomen, en of het door hem in 1996 betaalde bedrag van ƒ 5.000 als negatieve opbrengst van die bron bij het bepalen van zijn onzuivere inkomen in aanmerking kan worden genomen.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op hetgeen door hen is aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting nog het volgende toegevoegd.

3.2.1. Namens belanghebbende

De eerste training vond plaats in de week na de presentatie. De zes personen die door belanghebbende zijn benaderd komen uit zijn directe familie- en kennissenkring. Het is de gemachtigde niet bekend of iemand van die personen, op het moment dat belanghebbende daadwerkelijk deel ging nemen aan het piramidespel, aan hem een toezegging had gedaan dat hij of zij mogelijk ook deel zou gaan nemen. Aan de tweede training werd deelgenomen twee maanden na de eerste. De tweede training is bedoeld voor deelnemers die niet tot succes komen bij het werven van nieuwe deelnemers. Na de tweede training heeft belanghebbende geen wervingsactiviteiten meer verricht. Belanghebbende heeft in het geheel geen opbrengst genoten uit zijn deelname aan het piramidespel. Managers kunnen ook deelnemers zijn aan het piramidespel. Inclusief de managers zal het percentage mensen dat een voordeel heeft behaald hoger zijn dan het door de inspecteur genoemde percentage. Belanghebbende heeft, als lid van de Vereniging tegen piramidespelen, een vordering tot terugbetaling ingesteld tegen *A BV. Die vordering is niets waard. De vordering was ultimo 1996 vermoedelijk nog niet ingesteld. Belanghebbende heeft geen jaarstukken opgemaakt. De negatieve publiciteit over piramidespelen is pas van maart 1997.

3.2.2. Namens de inspecteur

Het is mij niet bekend of managers altijd ook deelnemer zijn of zijn geweest. Indien sprake is van een bron, is dat niet in dienstbetrekking verrichte arbeid. De bijdrage van belanghebbende is dan als aftrekbare kosten, en niet als negatieve inkomsten te beschouwen.

3.3. Belanghebbende meent dat zijn deelname aan het piramidespel een bron van inkomen vormt en dat de kosten in aanmerking moet worden genomen, primair als winst uit onderneming en subsidiair als (negatieve) inkomsten uit arbeid. Hij concludeert, naar het hof verstaat, tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 34.818.

3.4. De inspecteur verdedigt dat de deelname niet als bron van inkomen kan worden aangemerkt. Indien sprake is van inkomsten uit arbeid kan het inleggeld echter worden teruggevorderd zodat de kosten niet drukken. Als sprake is van aftrekbare kosten vallen zij deels weg in het forfait. Hij concludeert primair en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak op het bezwaarschrift, en meer subsidiair tot vernietiging van de uitspraak, en vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 37.325.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de deelname van belanghebbende aan het piramidespel plaatsvindt in het economische verkeer, noch dat belanghebbende met die deelname beoogde een geldelijk voordeel te behalen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende redelijkerwijs een voordeel uit zijn deelname kon verwachten.

4.2. Belanghebbende heeft uit zijn deelname aan het piramidespel geen enkele positief voordeel genoten. In redelijkheid rust dan op hem de last aannemelijk te maken dat hij, toen hij ging deelnemen aan het piramidespel, redelijkerwijs voordelen kon verwachten.

4.3. Belanghebbende slaagt er, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet in het van hem verlangde bewijs te leveren. Gesteld noch gebleken is dat, en op welke wijze, belanghebbende zich heeft voorbereid op het deelnemen aan het piramidespel. Belanghebbende miste iedere ervaring als ondernemer in het algemeen, en als deelnemer in piramidespelen in het bijzonder. Hij heeft niets aangevoerd dat erop zou kunnen wijzen dat de pogingen die hij zou ondernemen om anderen ook bij het spel te betrekken bij de aanvang van zijn deelname reeds een zodanige kans op enig succes boden dat hij toen dat succes ook redelijkerwijs kon verwachten. Na de tweede training, naar het hof uit de mededeling van de gemachtigde afleidt, in oktober 1996, heeft belanghebbende geen pogingen meer ondernomen nieuwe deelnemers te werven. De negatieve publiciteit die eerst in maart 1997 ontstond rondom piramidespelen is dan ook niet van invloed geweest.

4.4. De stelling van belanghebbende dat reeds uit de omstandigheid dat tussen de tien- en honderdduizend Nederlanders voor een gezamenlijk bedrag van enkele honderden miljoenen guldens deelgenomen hebben in piramidespelen voortvloeit dat sprake is geweest van een redelijke verwachting een voordeel te kunnen behalen is naar het oordeel van het hof niet juist. De hoop op voordeel die mogelijk bij die Nederlanders aanwezig is geweest maakt nog niet dat in het onderhavige geval belanghebbende bij zijn deelname redelijkerwijs een voordeel kon verwachten.

4.5. Het standpunt van de inspecteur dat in dezen voor belanghebbende geen sprake is van een bron van inkomen moet derhalve als juist worden aanvaard.

4.6. Belanghebbende voert nog aan dat de inspecteur handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het gelijkheidsbeginsel, door, in overeenstemming met het landelijk gevoerde beleid, in de gevallen waarin een positief resultaat wordt behaald wel aan te nemen dat sprake is van een bron van inkomen. Hij is van mening dat, als de "winners" een bron van inkomen hebben, de "losers" dan ook een bron van inkomen hebben. Belanghebbende meent daaraan het vertrouwen te kunnen ontlenen dat zijn deelname aan het piramidespel door de inspecteur als een bron van inkomen wordt aangemerkt. Ook deze stelling kan belanghebbende echter niet baten. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat, en op welke wijze, de inspecteur bij hem een zodanig vertrouwen heeft gewekt. De inspecteur handelt niet in strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur door het standpunt in te nemen, zoals ook door de Belastingdienst is gepubliceerd, dat er voor deelnemers aan een piramidespel die daarmee geen positief resultaat behalen doorgaans geen sprake is van een bron van inkomen, terwijl dat wel het geval is bij degenen die bij een piramidespel betrokken zijn en daar wel een positief resultaat mee bereiken. Degenen die met hun betrokkenheid bij een piramidespel een positief resultaat weten te realiseren verkeren feitelijk in een andere positie dan zij die daarin niet slagen. Die andere positie moet rechtens anders worden beoordeeld. De vraag of met in het economische verkeer verrichte werkzaamheden voordeel kan worden verwacht is immers, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 1990, nr. 26.142 (BNB 1990/329), voor de vraag of sprake is van een bron van inkomen slechts dan van belang indien de werkzaamheden niet tot een positief resultaat hebben geleid.

5. Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de inspecteur waarvan beroep;

Aldus gedaan te Arnhem op 10 december 1999 door mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheer, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van N.Th. Wagener als griffier.

(N.Th. Wagener) (J.P.M. Kooijmans)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 december 1999

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.