Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA4216

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
980174
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ak

Gerechtshof Arnhem

vierde enkelvoudige belastingkamer

nummer 98/174

U i t s p r a- a k

op het beroep van *X Beheer B.V. te *Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/-Douane district *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden naheffingsaanslag in de belasting van personeneauto's en motorrijwielen (hierna: BPM).

1. Naheffings-aanslag en bezwaar

1.1. De naheffings-aan-slag be-draagt ƒ 19.306,-. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 28 november 1997 die aanslag gehandhaafd.

2 Geding voor het hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvan-gen op 5 januari 1998, waarbij bijlagen 1 tot en met 6 zijn overgelegd.

2.1. Tot de stukken van het geding behoren het ver-toogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.2. Bij de mondelinge behandeling op 17 september 1998 te Arnhem is de inspecteur gehoord. Belanghebbendes gemachtigde is met (nadere) telefonische kennis-geving aan het Hof niet verschenen.

3. De vaststaande feiten

3.1. Op 10 juni 1992 is op belanghebbendes naam geregistreerd het motorrij-tuig Mercedes, type 350 GD, voorzien van het kenteken *aa-11-bb. Voor dit motorrijtuig was een grijs kenteken afgegeven.

3.2. Het vervoermiddel werd tot en met 31 december 1993 niet aangemerkt als een personenauto in de zin van de Wet BPM (oud). Belanghebbende heeft, toen de auto door wetswijziging voortaan als personenauto had te gelden en daarvoor alsnog BPM moest worden betaald, een beroep gedaan op de overgangsrege-ling neergelegd in artikel II, lid 2, van de Wet van 23 decem-ber 1993, Stb. 1993, 673 (hierna: de Wijzigingswet BPM).

3.3. Belanghebbende liet de auto kort voor 1 april 1994 ombouwen tot een personenauto in de zin van artikel 3 Wet BPM (oud). Sindsdien betaalde belanghebbende de motorrijtuigen belasting naar het tarief voor personenauto’s.

3.4. Op 20 februari 1996 liet belanghebbende de auto ombouwen tot een bestelauto in de zin van artikel 3, derde lid, Wet BPM (nieuw). Vervolgens heeft belanghebbende de auto op 15 april 1997 verkocht.

3.5. Bij brief van 16 juli 1997 deelde de Douane post *Q aan Douane district *P mede dat blijkens mededeling van de Rijksdienst voor het Wegverkeer te Veendam het kente-ken voor het onderhavige motorrijtuig op een andere naam werd overgeschre-ven. Naar aanleiding van deze mededeling heeft de inspecteur op grond van de Wijzi-gingswet belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opge-legd.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld, of op grond van de wettelijke regeling belasting verschuldigd is, en zo ja of heffing desalniettemin achterwege moet blijven omdat de Wijzigingswet een discriminatoire regeling is.

4.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aan-ge-voerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stuk-ken.

4.3. Daaraan zijn mondeling geen gronden toegevoegd.

4.4. Belang-hebbende verzoekt vernietiging van de naheffingsaanslag

4.5. De in-spec-teur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

5 Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, aangezien hij geen personenauto heeft vervreemd. Hij verwijst in dit verband naar de tekst van artikel II, tweede lid, van de Wijzigingswet BPM, waar gesproken wordt van "vervreemding van de personenauto".

5.2. Een ombouw als vermeld in 3.3. vormt een belastbaar feit als bedoeld in artikel II, eerste lid, van de Wijzigingswet BPM. Ingevolge het tweede lid van dat artikel vindt in de in dat lid bedoelde gevallen heffing van BPM ter zake van het in het eerste lid omschreven belastbare feit pas plaats bij de vervreemding van de omgebouwde auto na 1 juli 1994. De "vervreemding van de personenauto" is geen belastbaar feit, maar is bepalend voor het moment waarop ter zake van het in het eerste lid omschreven belastbare feit de BPM verschul-digd wordt.

5.3. Aan de verschuldigdheid van BPM doet niet af dat, zoals hier, de auto ten tijde van de vervreemding niet meer kan worden aangemerkt als perso-nenauto. Met "personenauto" in het tweede lid van artikel II van de Wijzi-gingswet BPM is bedoeld het motorrijtuig dat vóór 1 januari 1993 is geregis-treerd en dat uiteindelijk op 1 juli 1994 door het aanbrengen van zijruiten of zitplaatsen in de laadruimte in een zodanige staat is gebracht dat het een personenauto was.

Het zou voorts in strijd zijn met de strekking van het tweede lid - te weten uitstel van heffing van BPM ter zake van het in het eerste lid omschreven belastbare feit - indien een belastingplichtige de heffing van BPM ter zake van een belastbaar feit dat zich heeft voorgedaan, zou kunnen ontlopen door de personenauto vóór de vervreemding om te bouwen tot een auto welke niet kan worden aangemerkt als personenauto.

5.4. Belanghebbende vergelijkt zijn geval met een geval waarin geen om-bouw tot een personenauto heeft plaatsgevonden. Van gelijke gevallen is dan echter geen spra-ke. Zijn beroep op artikel 26 van het Internationale Ver-drag voor Burgerlijke en Politieke rechten faalt.

6. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

7. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet ad-mi-ni-stra-tie-ve recht-spraak be-las-ting-zaken vindt het hof geen termen aanwe-zig.

8. Beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de in-spec-teur.

Aldus gedaan te Arnhem op 18 november 1999 door mr Matthijssen, lid van de vierde enkelvou-dige belas-ting-kamer, in tegen-woor-dig-heid van mr Eg-berts als griffier.

(J.L.M. Egberts) (T.J. Matthijssen)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 november 1999

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Indien belanghebbende beroep in cassatie instelt bedraagt dit griffierecht ¦ 315,-. Indien verweerder beroep in cassatie instelt, is een griffierecht van ¦ 630,- verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechts-hof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.