Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA4214

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-01892
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 98/1892

U i t s p r a a k

van het Gerechtshof te Arnhem, eerste meervoudige belastingkamer, op het door de gemeente Emmen (hierna: belanghebbende) met schriftelijke toestemming van de Inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen *P (hierna: de Inspecteur) rechtstreeks ingestelde beroep inzake het door haar op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak juni 1992, na verwijzing van het geding naar dit Hof door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 22 april 1998, nr. 33 328, BNB 1998/273.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar, geding voor het gerechtshof Leeuwarden en in cassatie

1.1 Belanghebbende heeft over het tijdvak juni 1992 een bedrag van

ƒ 283.946,- aan omzetbelasting op aangifte voldaan.

1.2. Op het door belanghebbende ingestelde beroep heeft het gerechtshof Leeuwarden bij uitspraak van 11 april 1997, nr. BK 1040/92, een teruggaaf van belasting verleend ten bedrage van ƒ 4.810,-.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij genoemd arrest de uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden vernietigd, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en omtrent de proceskosten, en het geding verwezen naar dit Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest.

2. Geding na verwijzing

2.1. In zijn arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

Belanghebbende heeft in de maand juni 1992 diverse onbebouwde maar tot bebouwing bestemde kavels (hierna: de kavels) geleverd. Te dier zake heeft belanghebbende in totaal ƒ 67.542,- aan omzetbelasting op aangifte voldaan. De kavels waren alle gelegen in een bestemmingsplan, waarbij de grond, waarop dat plan betrekking had en die eertijds een agrarische bestemming had, tot woningbouw was bestemd. Voorafgaande aan de levering van iedere kavel is in opdracht van belanghebbende de uitvoering van het desbetreffende bestemmingsplan ter hand genomen en zijn in opdracht van de diverse nutsbedrijven de hoofdkabels voor de centrale-antenne-inrichting, de PTT-voorzieningen en de hoofdleidingen voor het gas-, water- en electriciteitsstelsel aangelegd (hierna: de nutsvoorzieningen). Het aanleggen van de nutsvoorzieningen is gebeurd door het graven van een gleuf en plaatsing daarin van de leidingen, waarna de gleuf weer met de oorspronkelijke grond is opgevuld.

Ten behoeve van de toekomstige aansluiting van kavel 14 waren in twee buiten de kavel gelegen hoofdriolen boveninlaten aangebracht.

Boveninlaten zijn door de leverancier van de rioleringsbuizen in die buizen aangebrachte uitsparingen, die voorlopig door middel van een plastic dop zijn afgedicht.

Ten behoeve van de toekomstige aansluiting van kavel 27 was in het hoofdriool een boveninlaat aangebracht. De nutsvoorzieningen bevonden zich (deels) binnen de grenzen van de kavel.

3.2. Het Hof van Justitie heeft bij het hiervóór onder 1 vermelde arrest desgevraagd voor recht verklaard dat het aan de Lid-Staten staat om een omschrijving te geven van het begrip “bouwterrein” in de zin van artikel 13.B, sub h, juncto artikel 4, lid 3, sub b, van de Zesde Richtlijn en dat het bijgevolg niet aan het Hof van Justitie is om te preciseren in welke mate een onbebouwd terrein bouwrijp moet zijn zijn gemaakt om als bouwterrein in de zin van de Richtlijn te worden aangemerkt.

3.3. Het Hof heeft in zijn uitspraak van 11 april 1997 overwogen dat ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 21 november 1990, nr. 26362, BNB 1991/19, voor de toepassing van de Nederlandse wetgeving op het gebied van de omzetbelasting onder “bouwterrein” slechts dient te worden verstaan “bouwrijp gemaakte grond”, hetgeen meebrengt dat, voor wat betreft de onbebouwde, maar tot bebouwing bestemde grond slechts gesproken kan worden van een vervaardigd goed als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter a, 1e, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), indien het betreft bouwrijp gemaakte grond, waarbij onder bouwrijp maken van grond in de hier bedoelde zin moet worden verstaan het bewerken van de grond zelf en het treffen van voorzieningen die uitsluitend dienstbaar zijn aan deze grond. Het Hof heeft tevens overwogen dat uit het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 1994, nr. 15396, BNB 1995/100, blijkt dat reeds het treffen van één voorziening, die uitsluitend dienstbaar is aan de grond, voldoende is om te kunnen spreken van “bouwrijp” maken en dus van het doen ontstaan van een “bouwterrein” waarvan de levering als levering van een vervaardigd goed ingevolge artikel 11, lid 1, letter a, van de Wet is uitgezonderd van de vrijstelling van omzetbelasting.

Het Hof heeft vervolgens vastgesteld dat de kavels (met uitzondering van kavel 14) vóór de levering zijn bewerkt, hetzij wegens het aanbrengen van nutsvoorzieningen binnen de grenzen van de kavel dan wel in sommige gevallen - mede - wegens het ophogen van de kavel, terwijl ten behoeve van sommige kavels bovendien per kavel een voorziening is aangelegd bestaande uit een zogenoemde standpijp en uitlegger aan het rioleringsstelsel, welke voorziening uitsluitend dienstbaar is aan genoemde kavels. Met inachtneming van deze feiten en de hiervóór genoemd criteria heeft het Hof geconcludeerd dat de in geding zijnde kavels (met uitzondering van kavel 14) ten tijde van de levering kwalificeerden als bouwrijp gemaakte terreinen zodat er sprake was van levering van bouwterreinen in de zin van artikel 4, lid 3, sub b, van de Zesde Richtlijn alsmede van de levering van vervaardigde goederen als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter a, onder van de Wet. Middel 1 bestrijdt ’s Hofs oordeel dat, nu er sprake is van de levering van bouwterreinen in de zin van artikel 4, lid 3, sub b, van de Zesde Richtlijn, ook sprake is van de levering van vervaardigde goederen als bedoeld in artikel 11, lid 1, onder 1e, van de Wet. Het middel faalt, daar dat oordeel juist is.

3.4. Middel 3 bestrijdt dat met betrekking tot kavel 27 sprake is van een ten tijde van de levering bouwrijp gemaakt terrein. Het voert daartoe aan dat ten behoeve van de kavel in het riool een boveninlaat is aangebracht, welke voorziening niet kan worden aangemerkt als een voorziening die uitsluitend dienstbaar is aan de grond, alsmede dat het graven van een gleuf voor de nutsvoorzieningen, de plaatsing daarin van de leidingen, en het weer opvullen van de gleuf met de oorspronkelijke grond niet is een bewerking van de grond, die ertoe leidt dat sprake is van een bouwrijp gemaakt terrein.

In ’s Hofs hiervóór in 3.3 weergegeven oordeel ligt reeds besloten het oordeel dat het aanbrengen van een boveninlaat geen voorziening vormt die uitsluitend dienstbaar is aan de desbetreffende kavel. Nu de boveninlaat niet meer is dan een door de leverancier van de rioleringsbuizen aangebrachte uitsparing die de mogelijkheid biedt om een voorziening zoals een standpijp aan te brengen, dient dat oordeel aldus te worden verstaan dat de boveninlaat zelf niet als een voorziening is te beschouwen. Aldus verstaan getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en kan het als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst.

Het op een bepaald kavel graven van een gleuf, het aanbrengen daarin van nutsvoorzieningen als hiervóór in 3.1 bedoeld en het opvullen van die gleuf met de oorspronkelijke grond, kan niet worden aangemerkt als een bewerking van de grond, die ertoe leidt dat sprake is van een bouwrijp gemaakt terrein. Wel kan het verrichten van zodanige handelingen meebrengen dat voorzieningen worden getroffen die voor het geheel of een deel uitsluitend dienstbaar zijn aan de desbetreffende kavel. Nu het Hof niet heeft vastgesteld of zulks met betrekking tot kavel 27 het geval is, wort het middel in zoverre terecht voorgesteld.

3.5. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Middel 2 behoeft geen behandeling.

2.2. Belanghebbende is door het Hof in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van dit arrest een schriftelijke conclusie bij het Hof in te dienen. Door een omissie aan de zijde van het Hof is die gelegenheid niet geboden aan de Inspecteur. De Inspecteur heeft evenwel ter na te noemen zitting verklaard dat zijn vóór de zitting aan het Hof en aan belanghebbende toegezonden pleitnota als zodanige conclusie kan gelden en dat hij zich onder die omstandigheden niet in zijn belangen geschaad acht.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak voor dit Hof heeft plaatsgehad ter zitting van de eerste meervoudige kamer van het Hof van 18 augustus 1999, gehouden te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende alsmede de Inspecteur.

2.4 Tijdens de mondelinge behandeling heeft belanghebbende, met toestemming van de Inspecteur, een tekening van de kavels in het bestemmingsplan *a te *Q overgelegd. Deze tekening behoort tot de gedingstukken.

3. De vaststaande feiten

3.1. Het Hof verwijst voor de feiten naar hetgeen is vermeld onder 3.1 van voormeld arrest. Na verwijzing is alsnog tussen partijen komen vast te staan:

dat de desbetreffende nutsvoorzieningen dienen voor een reeks van kavels,

dat de desbetreffende kabels en leidingen deels langs en deels binnen de kavels zijn ingegraven en

dat ten tijde van de levering van kavel 27 op de in de gleuf geplaatste leidingen en kabels geen aftakking of een verbinding voor een te maken aftakking ten behoeve van die kavel was aangebracht.

3.2. Ter zake van de levering van kavel 27 is in de aangifte over de maand juni 1992 een bedrag van ƒ 11.692,- aan omzetbelasting begrepen.

4. Het geschil, de standpunten van partijen en de conclusies van partijen

4.1. Na verwijzing houdt partijen verdeeld het antwoord op de vraag of het graven van een gleuf op kavel 27, het aanbrengen in die gleuf van nutsvoorzieningen als bedoeld in 3.1. van het arrest van de Hoge Raad en het opvullen van die gleuf, een en ander met inachtneming van de onder 3.1. vermelde feiten, is aan te merken als het treffen van voorzieningen die voor het geheel of een deel uitsluitend dienstbaar zijn aan die kavel.

4.2. Partijen doen hun standpunt steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerder vermelde conclusies na verwijzing.

4.3. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur - zakelijk weergegeven - nog toegevoegd:

De sterkte van de kabel is afgestemd op het aantal percelen dat daarop aangesloten moet worden, waaronder de onderhavige kavel. Van de kabel kan echter niet enig (onder)deel worden aangewezen als specifiek op de onderhavige kavel betrekking hebbend.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De Inspecteur stelt zich in zijn conclusie na verwijzing op het standpunt, dat de bedoelde nutsvoorzieningen voor een deel uitsluitend dienstbaar zijn aan kavel 27.

5.2. Hij voert daartoe aan dat de nutsvoorzieningen, anders dan gebruikelijk, in de desbetreffende kavel zelf zijn aangebracht, dat vaststaat dat kavel 27 op deze voorzieningen zal worden aangesloten en dat de omstandigheid dat op de voorzieningen ook andere kavels zullen worden aangesloten aan zijn opvatting niet in de weg staat.

5.3. Het Hof is van oordeel, dat de feiten zoals die na verwijzing nader zijn komen vast te staan (zie 3.1. hiervóór) geen andere conclusie toelaten, dan dat de bedoelde nutsvoorzieningen ten tijde van de levering van kavel 27 niet voor het geheel uitsluitend of voor een deel uitsluitend dienstbaar waren aan die kavel.

5.4. De omstandigheden, dat de voorzieningen mede dienstbaar (zullen) zijn aan de kavel en dat het niet gebruikelijk zou zijn dat een nutsvoorziening in de desbetreffende kavel zelf is aangebracht missen, gelet op het arrest van de Hoge Raad, betekenis.

Slotsom

Het beroep van belanghebbende is ten dele gegrond.

Het Hof berekent de aan belanghebbende te verlenen teruggaaf op ƒ 4.810,- (kavel 14) + ƒ 11.692,- (kavel 27), te zamen ƒ 16.502,-.

6. Proceskosten

Het Hof berekent deze kosten op 0,5 (conclusie na verwijzing + 1 (bijwonen mondelinge behandeling) × ƒ 710,- × 1 (gewicht van de zaak), is ƒ 1.065,-.

7. Beslissing

Het gerechtshof:

- verleent teruggaaf tot een bedrag van ƒ 16.502,-;

- veroordeelt de Inspecteur voor een bedrag van ƒ 1.065,- in de proceskosten van belanghebbende, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan te Arnhem op 18 november 1999 door mr N.E. Haas, raadsheer en voorzitter, mr Röben en mr Lamens, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Den Ouden als griffier.

(R. den Ouden) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 november 1999

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Indien belanghebbende beroep in cassatie instelt bedraagt dit griffierecht ¦ 630,- Indien verweerder beroep in cassatie instelt, is een griffierecht van ¦ 630,- verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.