Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA4208

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96-00752
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/122 met annotatie van Lucas Luijckx
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 96/0752

U i t s p r a a k

op het beroep van *X te *Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag en navorderingsaanslag

Aan belanghebbende is over het jaar 1989 een primitieve aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 51.434,-.

De primtieve aanslag is nadat daartegen bezwaar is gemaakt verminderd tot een, berekend naar hetzelfde belastbare inkomen maar met inachtneming van een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting met betrekking tot een bedrag van ƒ 57.888,-.

De navorderingsaanslag over het onderhavige jaar met nummer *1.H.97 is berekend naar het eerder genoemde belastbare inkomen maar zonder dat daarbij enig bedrag aan aftrek ter voorkoming van dubbele belasting in aanmerking is genomen.

De navorderingsaanslag is opgelegd met een verhoging van 100% waarvan de inspecteur 75% heeft kwijtgescholden.

Bij de bestreden uitspraak zijn de navorderingsaanslag en het kwijtscheldingsbesluit gehandhaafd.

2. Geding voor het hof

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de inspecteur in beroep gekomen bij het hof. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Vervolgens heeft belanghebbende een conclusie van repliek genomen en de inspecteur een conclusie van dupliek.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden te Arnhem op

7 oktober 1999. Aldaar zijn verschenen belanghebbendes gemachtigde en de inspecteur.

Belanghebbendes gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota overgelegd waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd.

3. De vaststaande feiten

3.1 Belanghebbende was in het onderhavige jaar 1989 als deelvisser werkzaam aan boord van de onder Britse vlag varende viskotter *A’ (hierna: de kotter).

3.2. Gedurende het gehele jaar was belanghebbende woonachtig in Nederland.

3.3. De kotter, voorheen een Urker viskotter, was eigendom van de naar Brits recht opgerichte vennootschap *B Ltd. en is in het Verenigd Koninkrijk geregistreerd. De aandelen van de Ltd. waren in Britse handen.

3.4. De kapitein van de kotter had de Britse nationaliteit. De kotter viste in het onderhavige jaar onder gebruikmaking van de aan het Verenigd Koninkrijk toegewezen vangstcontingenten buiten een zone van 12 mijl van de Britse kust.

3.5. De feitelijke thuishaven van de kotter was *Q. De gevangen vis werd verhandeld via de visafslag in Urk. Het onderhoud aan het schip wordt hier te lande verricht.

3.6. Het aandeel van belanghebbende - als deelvisser - in de besomming bedroeg in het onderhavige jaar ƒ 57.888,-. Van dit deelloon werd door de Ltd. 25% gestort op een op naam van belanghebbende gestelde rekening bij de *C Bank in het Verenigd Koninkrijk.

3.7. Nadat namens belanghebbende in de loop van 1995 aangifte is gedaan bij de Britse belastingautoriteiten is belanghebbende over het fiscale jaar 1989/1990 een aanslag opgelegd ten bedrage van £ 1.161,75, berekend naar een inkomen van £ 4.647,-, en over het fiscale jaar 1990/1991 een aanslag ten bedrage van £ 1.569,25 berekend naar een inkomen van £ 6.304,-.

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende terecht aanspraak maakt op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van de door hem als deelvisser genoten voordelen.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen in de stukken - waaronder de eerder vermelde pleitnota - zijn aangevoerd.

4.3. Ter zitting is daaraan - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd:

4.3.1. Namens belanghebbende

4.3.1.1. De door hem als bijlage bij het beroepschrift overgelegde brief d.d. 25 april 1994 gericht aan de inspecteur waarmee de inspecteur zich op 10 mei 1994 akkoord heeft verklaard, speelt in deze zaak geen rol. Hij doet geen beroep op het vertrouwensbeginsel of op een ander beginsel van behoorlijk bestuur.

4.3.1.2. *B is een Ltd.

4.3.1.3. Er is wel een maatschapsovereenkomst op schrift gezet. Hij heeft het stuk echter niet kunnen vinden.

4.3.1.4. De kotter viste buiten de 12-mijlszone. Het grootste deel van het jaar werd echter wel in de Britse zone van de zee gevist.

4.3.1.5. Hij weet wie de directie over de Ltd. voerde. Hij heeft feitelijk te maken met de kapitein van de in Nederland liggende kotter. Hij communiceert feitelijk alleen met de kapitein en niet met het kantoor in Groot-Brittannië. De kapitein was ook aandeelhouder van de Ltd.

4.3.2. Door de inspecteur

4.3.2.1. Hij is ervan uitgegaan dat gevist is buiten de 12-mijlszone en derhalve buiten het territoir van het Verenigd Koninkrijk.

4.3.2.2. De Ltd. fungeert alleen als correspondentieadres. Wellicht wordt er in Groot-Brittannië ook een administratie bijgehouden. Alle managementbeslissingen worden echter op het schip zelf genomen. De deelvissers praten mee over de vraag waar gevist zal worden maar voeren uit wat de kapitein van hen vraagt.

4.3.2.3. Voor dit geding moet ervan worden uitgegaan dat belanghebbende werkzaam was als deelvisser en ondernemer. Aan het eventueel ontbreken van een schriftelijke maatschapsovereenkomst wil hij voor dit geding geen consequenties verbinden.

4.3.2.4. Hij is nader van oordeel dat de verhoging moet vervallen.

4.4. Belanghebbende verzoekt de uitspraak op bezwaar alsmede de navorderingsaanslag te vernietigen.

4.5. De inspecteur concludeert - gelet op zijn nader oordeel - tot vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar dezelfde elementen als bij het opleggen daarvan in aanmerking zijn genomen doch zonder verhoging.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Artikel 8 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van

7 november 1980, Trb. 205 (hierna: het belastingverdrag), is in dezen niet van toepassing. Dit artikel ziet uitsluitend op voordelen uit de exploitatie van schepen (en luchtvaartuigen) in internationaal verkeer en niet op voordelen behaald uit visserij.

5.2. De door belanghebbende gerealiseerde winst uit onderneming is - nu hij inwoner van Nederland is - gelet op artikel 7 van het belastingverdrag alleen dan niet in Nederland belastbaar indien en voor zover zij kan worden toegerekend aan een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vaste inrichting.

5.3. Belanghebbendes stelling inhoudende dat de kotter moet worden aangemerkt als territoir van het Verenigd Koninkrijk omdat de kotter onder Britse vlag vaart, is - in ieder geval voor de heffing van belastingen als de onderhavige - onjuist.

5.4. De uitdrukking ‘Verenigd Koninkrijk’ is in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het belastingverdrag uitputtend omschreven. Het in die omschrijving opgenomen deel van het continentaal plat is voor dit geding niet van betekenis nu voor dit deel slechts heffingsrechten met betrekking tot bepaalde werkzaamheden buitengaats (artikel 22A van het belastingverdrag) gelden waaronder de visserij niet begrepen is.

5.5. Tot het Verenigd Koninkrijk in de zin van gemeld artikel 3, eerste lid, onderdeel a, behoren de territorale wateren van die mogendheid. Daaronder vallen echter uitsluitend die kustwateren waarover het Verenigd Koninkrijk de soevereiniteit bezit, en niet de wateren gelegen meer dan 12 mijl van de kust waarover het Verenigd Koninkrijk niet de soevereiniteit bezit, maar slechts aanspraak kan maken op bepaalde (soevereine) rechten zoals exclusieve visserijrechten.

5.6. Uit het onder 5.3, 5.4 en 5.5 overwogene en uit het gegeven dat in het onderhavige jaar werd gevist buiten de territoriale wateren van het Verenigd Koninkrijk in de onder 5.5 bedoelde zin, volgt dat de kotter niet kan worden aangemerkt als een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vaste inrichting. Hieraan doet niet af dat de kotter voer onder Britse vlag, dat de kotter eigendom was van een naar Brits recht opgerichte vennootschap met Britse aandeelhouders, dat gevist werd met gebruikmaking van aan het Verenigd Koninkrijk toegewezen quota, en dat de kapitein van de kotter de Britse nationaliteit had.

5.7. De inspecteur heeft aangevoerd dat er ten aanzien van het uitoefenen van de visvangst geen feitelijke bestuurshandelingen in het Verenigd Koninkrijk werden verricht. Belanghebbende heeft voor het tegendeel geen enkel bewijs aangevoerd hoewel dat op zijn weg had gelegen nu hij geacht moet worden over ter zake relevante informatie te kunnen beschikken.

Van het gewoonlijk uitoefenen in het Verenigd Koninkrijk van een recht door een persoon om namens belanghebbende overeenkomsten te sluiten is evenmin iets aannemelijk geworden.

Het is in dit geding dan ook niet aannemelijk geworden dat de werkzaamheden van belanghebbendes onderneming geheel of gedeeltelijk werden uitgeoefend door middel van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vaste inrichting in de zin van artikel 5 van het belastingverdrag. Het enkel bijhouden in het Verenigd Koninkrijk van een administratie levert niet een zodanige inrichting op.

5.8. Gelet op het vorenoverwogene moet de in geschil zijnde vraag aldus worden beantwoord dat belanghebbende ten aanzien van de door hem als deelvisser genoten voordelen geen recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.

6. Slotsom

Het beroep is slechts in zoverre gegrond dat de navorderingsaanslag overeenkomstig het nadere standpunt van de inspecteur moet worden verminderd met de daarin begrepen verhoging.

7. Proceskosten

Belanghebbendes proceskosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten fiscale procedures en in samenhang met de zaak bij het hof bekend onder 96/0753, waarin heden eveneens uitspraak wordt gedaan, te berekenen op 2,5 × ƒ 710,- × 2 × 1 = ƒ 3.550,-.

8. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vermindert de navorderingsaanslag met het bedrag van de daarin begrepen verhoging;

gelast de inspecteur aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ƒ 75,- te vergoeden;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van ƒ 3.550,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan te Arnhem op 18 november 1999 door mr N.E. Haas, voorzitter, mr Matthijssen en mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 november 1999

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Indien belanghebbende beroep in cassatie instelt bedraagt dit griffierecht ¦ 160,-. Indien verweerder beroep in cassatie instelt, is een griffierecht van ¦ 630,- verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.