Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA1439

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/22039
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/31.30 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Tweede meervoudige belastingkamer

nummer 97/22039

U i t s p r a a k

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid *X B.V. te *Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de door haar over het tijdvak juni 1997 op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting.

1. Voldoening op aangifte en bezwaar

1.1. Belanghebbende voldeed op 28 juli 1997 over het tijdvak juni 1997 ƒ 11.725,– aan omzetbelasting op aangifte.

1.2. Het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 19 september 1997 afgewezen.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie van het Hof ontvangen op 27 oktober 1997 waarbij zes bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren voorts het vertoogschrift en de daarin genoemde vier bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 18 juni 1998 te Arnhem zijn verschenen en gehoord woordvoerders en de directeur van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende bij de mondelinge behandeling heeft gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende, opgericht in oktober 1993, houdt zich bezig met de ontwikkeling en de uitvoering van opleidingen en trainingen op het terrein van marketing, sales en management van bedrijfsorganisaties.

3.2. De met het Instituut *A B.V. te *Q – hierna *A BV – bestaande contractuele relatie met betrekking tot onder meer het ontwikkelen van cursussen werd eind 1996 gewijzigd en vastgelegd in twee zogenoemde joint-venture/partageovereenkomsten, betrekking hebbend op de cursussen Marketing Management, Sales Management en Verkoopleiding, alsmede de cursus Accountmanagement.

3.3. Ter zake van door belanghebbende verrichte aan *A BV gefactureerde werkzaamheden heeft zij in juni 1997 met *A BV het haar in het kader van de in 3.2. bedoelde overeenkomsten toekomende bedrag groot ƒ 78.725,– aan voorschot verrekend. Belanghebbende heeft daarover ƒ 11.725,– aan omzetbelasting op aangifte voldaan.

4. Het geschil en de standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld:

a. of belanghebbende zelf een deel van de totale (vrijgestelde) onderwijsprestatie voor haar rekening neemt, zo neen,

b. of belanghebbendes diensten aan *A BV zijn aan te merken als het verstrekken van onderwijs (beroepsopleidingen) in de zin van artikel 11, lid 1, letter o, onderdeel 2, van de Wet op de omzetbelasting 1968, in verbinding met artikel 8, lid 1, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968,

welke vragen belanghebbende bevestigend en de inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd – zakelijk weergegeven –

4.3.1. namens belanghebbende:

De presentatie naar buiten bestaat in de bij de pleitnota overgelegde kopie van de Algemene inleiding. In het overige materiaal worden geen namen vermeld.

4.3.2. en door de inspecteur:

4.3.2.1. In de bij de pleitnotities overgelegde stukken is alleen sprake van “in samenwerking met” belanghebbende en niet van een gezamenlijk naar buiten toe optreden. Naar buiten treedt alleen het *A BV op.

Hij heeft er geen bezwaar tegen aan die stukken betekenis toe te kennen voor het onderwerpelijke tijdvak.

4.3.2.2. De contracten waarop belanghebbende zich beroept houden een duurzame betrekking in, terwijl het bij partage om een vorm van tijdelijke samenwerking gaat. Zou je duurzaam gezamenlijk naar buiten optreden, dan zou sprake zijn van een maatschap. Die is er in dezen niet. Alleen het *A BV adverteert enzovoorts.

De joint-venture heeft aan de eerder tussen belanghebbende en het *A BV bestaande verhouding van dienstverlening van belanghebbende niets veranderd.

4.3.2.3. Het geval van het speelautomaten-arrest verschilt van het onderhavige omdat die automaten zowel onderdeel vormden van de bedrijfsuitoefening van de exploitant van de automaten als van de exploitant van het café. Het publiek zou dat ook kunnen waarnemen op stikkers die op die automaten zijn geplakt. In dat geval is naar buiten toe dus duidelijkheid.

4.3.2.4. Belanghebbende heeft het auteursrecht van het cursusmateriaal; in zoverre heeft belanghebbende daarbij belang. Belanghebbende verstrekt echter geen onderwijs, ook niet in de zin van het spraakgebruik.

5. Conclusies van partijen

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot teruggaaf van ƒ 11.725,– aan omzetbelasting, terwijl de inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Nu belanghebbende zich beroept op een vrijstelling rust op haar de last de toepasselijkheid daarvan aannemelijk te maken.

6.2. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur slaagt belanghebbende er niet in aan te tonen dat zij en *A BV gezamenlijk onderwijs vertrekken dan wel dat haar diensten aan *A BV zijn aan te merken als het verstrekken van onderwijs in de hiervóór bedoelde zin.

De door partijen aangevoerde gegevens wijzen erop dat de werkzaamheden van belanghebbende als die van *A BV, als ook de wijze waarop naar buiten toe wordt opgetreden, zodanig verschillend zijn dat niet kan worden gesproken van een gezamenlijk optreden naar buiten, zodat van partage in eigenlijke zin geen sprake is. Ook in de door belanghebbende bij haar pleitnotities overgelegde stukken treedt *A BV naar voren als de instantie die het onderwijs verzorgt, terwijl belanghebbendes rol zich kennelijk beperkt tot een bijdrage in de ontwikkeling van de opleiding. Deze bijdrage kan evenwel niet worden aangemerkt als het verstrekken van onderwijs in de zin van de hiervóór in 4.1. genoemde bepalingen.

6.3. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de inspecteur terecht de vrijstelling heeft geweigerd.

7. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

8. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

9. Beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Aldus gedaan op 24 maart 1999 door mr Van Schie, vice-president, als voorzitter, prof. dr Zwemmer en mr Vester, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Den Ouden als griffier.

(R. den Ouden)(P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 maart 1999