Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA1418

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-04-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/0564
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/320
FED 1999/494
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Tweede enkelvoudige belastingkamer

nummer 97/0564

U i t s p r a a k

op het beroep van *X, in dezen domicilie kiezend te *Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het college van burgemeester en wethouders van *P (hierna: het College) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1995 opgelegde aanslag in de forensenbelasting.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aanslag met dagtekening 31 oktober 1996 betreft het “pand: *a-weg 1, *1111 aa Q”, bedraagt ƒ 480,–, en is geadresseerd aan belanghebbende op het zoëven vermelde adres te *Q.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft het College (nader) bij uitspraak van 14 maart 1997 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie van het Hof ontvangen op 23 april 1997 en aangevuld op 3 september 1997, waarbij 18 bijlagen, 1 tot en met 18, zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoort voorts het vertoogschrift.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 22 april 1998 te Arnhem zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede gemachtigden van het College.

2.4. Na de mondelinge behandeling heeft het College, op verzoek van het Hof en met instemming van belanghebbende die heeft verklaard reeds daarover te beschikken en niet in de gelegenheid behoeft te worden gesteld van zijn gevoelen te doen blijken, aan het Hof toegezonden, een kopie van de Verordening forensenbelasting 1995 (hierna: de Verordening) en een kopie van bladzijde 4 (gedeeltelijk) van het *R Streekblad van 22 maart 1995.

3. De vaststaande feiten

3.1. In 1993 kocht belanghebbende te *Q (gemeente *P; hierna: de gemeente) aan *a-weg 1 een recreatiewoning die in het bestemmingsplan “*A” (hierna: het bestemmingsplan), als bestemming heeft “recreatiewoonverblij

ven”, op grond waarvan een gebruik van die woning voor permanente bewoning verboden is.

3.2. In de gemeentelijke bevolkingsadministratie van de gemeente is belanghebbende niet ingeschreven. Inschrijving op het in 3.1. bedoelde adres is niet mogelijk omdat volgens het College de permanente bewoning aldaar in strijd zou komen met het bestemmingsplan. Belanghebbende beschikt in de gemeente *Z, *b-weg 2 te 2222 bb Z, over een woning op welk adres hij in de bevolkingsadministratie van die gemeente is ingeschreven.

3.3. In zijn aangifteformulier voor de onderwerpelijke belasting gaf belanghebbende aan dat hij de in 3.1. bedoelde woning niet verhuurt aan derden maar deze wel voor meer dan 90 dagen voor zichzelf of voor zijn familie ter beschikking heeft.

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld, of belanghebbende hoofdverblijf heeft in de gemeente, als bedoeld in artikel 2 van de Verordening, welke vraag belanghebbende bevestigend en het College ontkennend beantwoordt.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd – zakelijk weergegeven –

4.3.1. door belanghebbende:

4.3.1.1. Hij heeft zijn hoofdverblijf in de gemeente *P omdat hij daar gedurende het gehele jaar minimaal vijf nachten per week verblijft. Hij zou daar wel permanent willen verblijven maar men zegt dat zulks niet is toegestaan. Hij oefent in *Z geen beroep meer uit.

*Q is het centrum van zijn (sociale) leven; daar ontvangt hij mensen, zij het niet vaak. Hij ziet zich als natuurmens en hij brengt zijn tijd door met vissen. Omdat hij in *Q geen eigen brievenbus heeft laat hij belangrijke post soms naar *Z sturen. Zijn administratie houdt hij in *Q bij, in en speciaal daartoe ingerichte kamertje. Zijn woning in *Z is een benedenhuis met een tuintje dat door zijn vriendin wordt verzorgd die graag in de stad verblijft.

De gemeente oefent geen controle uit op de feitelijke verblijfssituatie. Ook overigens doet de gemeente niets aan het park waarin zijn woning ligt.

Verlichting is daar eerst in 1998 aangebracht.

4.3.2. en namens het College:

4.3.2.1. Het hoofdverblijf van een woonforens als belanghebbende is in overeenstemming met het Burgerlijk Wetboek gerelateerd aan belanghebbendes inschrijving in het bevolkingsregister.

4.3.2.2. Belanghebbende wist bij aankoop dat hij een recreatiewoning kocht met de daarbij behorende beperkingen in gebruiksmogelijkheden.

4.3.2.3. Indien de toetsing aan de inschrijving in het bevolkingsregister niet doorslaggevend is, dan is onduidelijk hoe de gemeente het houden van hoofdverblijf moet toetsen.

4.3.2.4. Belanghebbende is met betrekking tot het onderwerpelijke pand niet in de afvalstoffenheffing betrokken.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ambtshalve met betrekking tot de ontvankelijkheid van belanghebbendes beroep.

Ten onrechte heeft het College

(1) op belanghebbendes bezwaarschrift tegen de niet op hetzelfde aanslagbiljet voorkomende aanslagen over de jaren 1995 en 1996, zonder belanghebbende in de gelegenheid te stellen dit te splitsen, op 28 januari 1997 één uitspraak gedaan,

(2) vervolgens die uitspraak ingetrokken op 3 februari 1997,

(3) een (tweede) uitspraak gedaan op 14 maart 1997,

(4) in laatstbedoelde uitspraak als beroepsinstantie aangewezen de belastingrechter van de arrondissementsrechtbank te Arnhem, en

(5) gewezen op de mogelijkheid bij die instantie een voorlopige voorziening te vragen.

Partijen hebben, ter voorkoming van een in verband met het vorenstaande mogelijke niet–ontvankelijkheidverklaring van belanghebbendes beroep, ter zitting op proceseconomische gronden ermee ingestemd dat belanghebbendes beroep alleen de aanslag over het jaar 1995 betreft en is gericht tegen de op 14 maart 1997 gedane uitspraak, terwijl het College heeft toegezegd zich voor wat betreft de aanslag over het jaar 1996 te conformeren aan de onherroepelijke uitspraak over het jaar 1995.

5.2. Niet in geding is dat in dezen sprake is van een natuurlijke persoon die in de gemeente op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of zijn gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houdt in de zin van artikel 2, lid 1, van de Verordening.

5.3. Ten onrechte verdedigt het College dat voor de in geding zijnde vraag of belanghebbende in de gemeente hoofdverblijf heeft in de zin van genoemd artikel, doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de omstandigheid dat belanghebbende niet in de gemeentelijke bevolkingsadministratie is ingeschreven. Bedoelde vraag dient immers, ingevolge lid 2 van bedoeld artikel, te worden beoordeeld naar de omstandigheden, waarbij de gemeente van inschrijving op zich weliswaar van belang is maar zoals onder meer blijkt uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 9 mei 1984, nr. 22 373, BNB 1984/175, niet in die mate als het College voorstaat. De omstandigheid dat belanghebbende niet in de gemeente is ingeschreven brengt, gelet op de in acht te nemen redelijke bewijslastverdeling, wel met zich mee dat het op belanghebbendes weg ligt aannemelijk te maken dat hij desondanks aldaar wel zijn hoofdverbljf heeft.

5.4. De omstandigheden die belanghebbende te dien aanzien aanvoert zijn als zodanig niet door het College bestreden. Alsdan staat in dezen vast dat belanghebbende gedurende het gehele jaar vijf nachten in *Q verbleef en uitsluitend met het oog op het verbod van permanente bewoning de overige nachten in *Z doorbracht, dat belanghebbende zijn sociale en zakelijke belangen in hoofdzaak vanuit en in zijn woning in *Q behartigde en die woning aanmerkte als het centrum van zijn persoonlijke leven.

5.5. Naar de omstandigheden beoordeeld heeft belanghebbende dan in de gemeente zijn hoofdverblijf. Daaraan doet – anders dan het College verdedigt – niet af dat de onderwerpelijke woning naar het geldende bestemmingsplan niet voor permanente bewoning mag worden gebruikt omdat het al dan niet naleven van dat verbod – anders dan het College verdedigt – niet afdoet aan de feitelijke toestand die voor de belastingheffing van belang is.

6. Slotsom

Het beroep is gegrond.

7. Proceskosten

In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten fiscale procedures kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

8. Beslissing

Het gerechtshof:

– vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de daarbij gehandhaafde aanslag;

– gelast het College aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ƒ 80,– te vergoeden.

Aldus gedaan op 8 april 1999 door mr Van Schie, vice-president, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Den Ouden als griffier.

(R. den Ouden)(P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 april 1999