Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA1416

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-04-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/0063
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1999/411
FED 1999/500
V-N 1999/37.16 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nr. 97/0063

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : *X

te : *Z

ambtenaar : de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren *P

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift tegen aanslag

soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

jaar : 1995

mondelinge behandeling : met toestemming van beide partijen niet gehouden

gronden:

2.1. Belanghebbende is geboren *in 1956.

2.2. In 1995 verdiende hij als F-functionaris (de voormalige controleursrangen) bij de Belastingdienst/Ondernemingen *Q ƒ 91.492,21 bruto.

2.3. In het team waarin belanghebbende de functie van middelspecialist inkomstenbelasting vervult, worden landbouw- en horecaposten behandeld. Hij houdt zich de volle werktijd met de Wscale techniek bezig.

2.4. Aan aftrekbare beroepskosten heeft belanghebbende aangegeven:

Fiscaal memo ƒ 47,–

Vakstudie Nieuws ƒ 1 .172,52

B.N.B. ƒ 916,21

Belastingwetten ƒ 38,25

Koffiegeld ƒ 209,–

Vakbond ƒ 195,–

totaal ƒ 2.577,98.

2.5. De inspecteur heeft slechts het bedrag van ƒ 2.139,– (hierna: het forfait) genoemd in artikel 37, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1995; hierna: de Wet) in aftrek toegelaten, omdat zijns inziens de benodigde vakliteratuur op de eenheid in voldoende mate aanwezig is en omdat zijns inziens ook door belanghebbendes collega's in vergelijkbare functies geen kosten van vakliteratuur worden opgevoerd.

3. In geschil is:

– primair: de vraag of, in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 1995, BNB 1995/255, belanghebbende moet doen blijken, dat wil zeggen op overtuigende wijze dient aan te tonen, dat zijn kosten uitgaan boven het forfait en daarmee dat de kosten van vakliteratuur niet overtreffen hetgeen gebruikelijk is, hetgeen de inspecteur verdedigt en belanghebbende betwist; en

– subsidiair: de vraag of belanghebbendes uitgaven voor vakliteratuur ten bedrage van ƒ 2.173,98 voor een functionaris als belanghebbende, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen – waaronder bijvoorbeeld de door de werkgever

verstrekte voorzieningen en toegekende vergoedingen en hetgeen anderen die eenzelfde of een soortgelijke dienstbetrekking vervullen daarvoor plegen uit te geven –, redelijkerwijs als normaal kunnen worden beschouwd, hetgeen belanghebbende verdedigt en de inspecteur betwist.

4.1. De inspecteur betwist niet – gelet op hetgeen onder het kopje “Feiten” in het vertoogschrift is vermeld – dat de door belanghebbende als aftrekbare kosten geclaimde uitgaven in beginsel aftrekbare kosten zijn en tot een bedrag van ƒ 2.577,98 zijn gedaan, doch meent dat die kosten in hun totale omvang overtreffen hetgeen gebruikelijk is.

4.2. De inspecteur stelt dat die kosten slechts tot een bedrag van ƒ 1.604,– gebruikelijk zijn, waaronder een bedrag voor vakliteratuur van ƒ 1.200,–.

4.3. In het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 1995, nr. 30 321, BNB 195/255, is geoordeeld

“dat, nadat de aftrekbaarheid van de kosten is beoordeeld aan de hand van de in de rechtspraak ontwikkelde criteria, (voor) de vraag of de totale omvang van de kosten – van een bepaalde soort – binnen de grenzen der redelijkheid is gebleven (...) beslissend is of en in hoeverre die omvang overtreft hetgeen gebruikelijk is. Voor uitgaven die betrekking hebben op inkomsten uit dienstbetrekking betekent dit dat het erop aankomt of de totale omvang van de uitgaven van een bepaalde soort, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen – waaronder bijvoorbeeld door de werkgever verstrekte voorzieningen en toegekende vergoedingen en hetgeen anderen die een zelfde of een soortgelijke dienstbetrekking vervullen daarvoor plegen uit te geven – redelijkerwijs als normaal kan worden beschouwd. Deze beoordeling leent zich niet voor een uitsluitend cijfermatige benadering, en een zekere marge is daarbij onvermijdelijk. Zoals is geoordeeld in (...) BNB 1980/74 rusten (...) de stelplicht en de bewijslast op de inspecteur.”.

4.4. De inspecteur betoogt primair dat – nu de uitgaven slechts tot een bedrag van ƒ 1604,– gebruikelijk zijn en in dat geval blijven onder het in artikel 37, lid 1, onderdeel a, van de Wet opgenomen maximumbedrag – de bewijslast met betrekking tot het omvangscriterium, in afwijking van voormeld arrest, bij belanghebbende ligt. Die opvatting vindt evenwel geen steun in het recht. Immers, allereerst is aan de orde de door partijen bevestigend beantwoorde vraag of met betrekking tot de door belanghebbende gestelde en door de inspecteur niet betwiste uitgaven sprake is van op de inkomsten drukkende ten behoeve van een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking gemaakte kosten. Die kosten zijn in dit geval ƒ 2.577,98 en derhalve hoger dan het hiervoor bedoelde maximumbedrag (ƒ 2.139,– in 1995). Vervolgens is het dan, gelet op HR 25 oktober 1995, BNB 1996/322, aan de inspecteur te stellen en te bewijzen of en in hoeverre de omvang van die kosten overtreft hetgeen gebruikelijk is.

4.5. De inspecteur stelt daartoe, subsidiair:

a. dat een aantal periodieken door de eenheid waar belanghebbende werkzaam is aan de medewerkers op die eenheid ter inzage wordt gegeven en dat belanghebbende die tijdschriften ook thuis kan bestuderen,

b. dat het raadplegen van vakliteratuur op CD-ROM tijdens werkuren mogelijk is,

c. dat uit een onderzoek naar de aangiften van 23 F-functionarissen blijkt dat die allemaal slechts het maximumbedrag van artikel 37 daarin vermelden,

d. dat belanghebbende als middelspecialist ten opzichte van de klantmanager en de veldtoetser niet tot een afzonderlijke groep behoort waarvoor zwaardere eisen gelden,

e. dat geen enkele collega-F-functionaris een abonnement heeft op zowel Vakstudienieuws als BNB, en

f. dat binnen een groep van 20 I-functionarissen, allen middelspecialist in hogere functies met hogere salarissen dan belanghebbende, slechts één te vinden was met uitgaven die boven het maximumbedrag van het forfait uitgingen.

4.6. Belanghebbende betoogt daartegenover dat de CD-ROM-voorziening niet door hem thuis kan worden gebruikt en – zo begrijpt het hof belanghebbende – dat de periodieken die thuis kunnen worden bestudeerd niet thuis beschikbaar kunnen blijven; dat het dienstonderdeel voor een groot aantal mensen in zeven teams slechts over vier exemplaren van Vakstudienieuws en over één exemplaar BNB beschikt, en dat de vraag of een collega een vergelijkbare functie heeft, volgens belanghebbende niet kan worden beantwoord aan de hand van de ingediende aangifte, terwijl binnen de groepsfunctie F verschillende, onderling niet vergelijkbare, functies mogelijk zijn, zoals klantmanager, specialist veldtoetsing en middelspecialist.

4.7. Het hof acht de inspecteur niet geslaagd in het leveren van het op hem rustende bewijs, dat een bedrag van ƒ 2.173,98 aan kosten vakliteratuur voor een functionaris als belanghebbende, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen – waaronder: (1) de onder 3.5. bij a. en b. vermelde door de werkgever verstrekte voorzieningen, en (2) hetgeen anderen die eenzelfde of een soortgelijke dienstbetrekking vervullen aan vakliteratuur plegen uit te geven – redelijkerwijs niet als normaal kan worden beschouwd. Redelijkerwijs kan niet worden volgehouden dat de op belanghebbendes eenheid aanwezige voorzieningen belanghebbende in staat stellen deze te raadplegen op tijdstippen en op een wijze die aansluit bij belanghebbendes met zijn functieuitoefening samenhangende kennelijke behoefte daaraan. De inspecteur heeft niet aangevoerd dat die behoefte het professionele kader van belanghebbendes functievervulling te buiten zou gaan.

Het hof acht bij (2) met name van belang dat, tegenover de betwisting door belanghebbende, niet voldoende is komen vast te staan dat de door de inspecteur onderzochte aangiften alle afkomstig zijn van functionarissen van wie een even actuele en diepgaande kennis van het belastingrecht wordt geëist als kennelijk van belanghebbende wordt verlangd. Voorts verdedigt belanghebbende terecht dat een verschil van ƒ 438,– aan aftrekbare kosten tussen hem en mogelijk vergelijkbare collega's gerekend kan worden tot de in 3.3. hiervoor bedoelde marge. Het hof neemt daarbij als uitgangspunt dat belanghebbende na weglating van de overige kosten ƒ 2.173,– heeft geclaimd voor uitgaven aan vakliteratuur en dat volgens de inspecteur belanghebbendes collegae klaarblijkelijk maximaal ƒ 1.735,– als kosten voor vakliteratuur hebben beschouwd.

4.8. Het beroep is gegrond. Het belastbare inkomen moet overeenkomstig de aangifte worden berekend op ƒ 78.548,–.

proceskosten:

In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten Wscale procedures kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

beslissing:

Het gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

– vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 78.548,–;

– gelast de inspecteur aan belanghebbende het door hem gestorte grifWerecht van ƒ 75,– te vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 21 april 1999 door mr Van Schie, voorzitter, mr Röben en mr Lamens, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(W.J.N.M. Snoijink)(P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 april 1999