Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA1394

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/20908
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2000/118
FED 1999/491
V-N 1999/43.5.2

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Tweede meervoudige belastingkamer

nummer 97/20908

U i t s p r a a k

op het beroep van DE GEMEENTE *X (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar over het na te melden tijdvak opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag en bezwaar

1.1. De naheffingsaanslag over het tijdvak van 1 januari 1991 tot en met 31 december 1995 is genummerd *1 en gedagtekend 6 juli 1996, bedraagt ƒ 1.216.654,– aan belasting zonder verhoging, vermeldt aan heffingsrente ƒ 199.029,– en een te betalen bedrag van ƒ 1.415.683,–.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 18 juli 1997 de naheffingsaanslag verminderd tot ƒ 1.212.011,– aan belasting met ƒ 197.681,– aan heffingsrente.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 13 augustus 1997 en aangevuld op 6 november 1997, waarbij drie bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde zeven bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 28 oktober 1998 te Arnhem zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de ambtenaar.

2.4. De notities van de pleidooien die de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur bij de mondelinge behandeling hebben gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende heeft met betrekking tot haar nieuw gebouwde stadhuis een gedeelte van de haar bij de oplevering door aannemers in rekening gebrachte omzetbelasting en van de voorbelasting op de exploitatie– en onderhoudskosten in aftrek gebracht.

3.2. Voor onder meer de berekening van het aftrekbare gedeelte hebben belanghebbende en de Inspecteur bij een over het tijdvak 1990 tot en met 1995 bij belanghebbende ingesteld onderzoek met betrekking tot de feiten in het onderwerpelijke tijdvak een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer als uitgangspunt vastgesteld dat (kort gezegd) de onderwerpelijke voorbelasting wordt toegerekend overeenkomstig het in vierkante meters uitgedrukte gedeelte van het bruto-vloeroppervlak in het stadhuis dat door medewerkers (uitgedrukt in mensjaarequivalenten) wordt gebruikt voor gemengde prestaties.

3.3. Tussen partijen staat vast

(a) dat aldus 73 medewerkers volledig bezig zijn met werkzaamheden waarvan de salaris- en huisvestigingskosten met omzetbelasting aan kopers worden doorberekend in de grondprijzen dan wel op andere wijze aan belaste prestaties moeten worden toegerekend, en

(b) dat van deze 73 medewerkers 36 zich uitsluitend bezighouden met de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen in het kader van de realisering van bestemmingsplannen (hierna: de 36 medewerkers), terwijl de overige 37 zich nagenoeg uitsluitend bezig houden met de belaste levering van grond.

3.4. Naar aanleiding van genoemd onderzoek heeft de Inspecteur de aftrek van voorbelasting ter zake van de huisvesting van de genoemde 36 mensjaarequivalenten geweigerd en de onderwerpelijke naheffingsaanslag vastgesteld.

3.5. Voor de onderwerpelijke controleperiode kan ervan worden uitgegaan dat belanghebbende kostendekkende bestemmingsplannen uitvoert in de zin van de resolutie van 6 augustus 1980 (nr. 280-10178 V-N 1980, blz. 1847, nr. 19, hierna aangeduid als resolutie BTW-28).

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld, of de Inspecteur terecht aftrek van de in 3.4. bedoelde voorbelasting weigert, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd – zakelijk weergegeven –

4.3.1. namens belanghebbende:

4.3.1.1. Van de bij het beroepschrift gevoegde Comptabiliteitsvoorschriften is in dezen alleen van belang de tekst van Bepaling 15, vermeld op blz. 9 onderaan, blz. 10 en blz. 11, eerste regel.

4.3.1.2. In punt 8 van Resolutie BTW-28 is niet te lezen wat de Inspecteur erin meent te zien. De onderwerpelijke kosten van huisvesting worden immers op de voet van de Comptabiliteitsvoorschriften rechtstreeks doorberekend in de grondkosten.

4.3.1.3. Omdat belanghebbende de kosten van de raadszaal en de commissie-vergaderruimten buiten de aftrek liet, maakt zij een juist onderscheid tussen het “raadhuisgedeelte” en het “stadskantoorgedeelte” en blijft zij binnen de termen van de resolutie.

4.3.1.4. Deze procedure is niet aan te merken als een proefproces omdat bij haar bekende andere gemeenten die onder andere eenheden ressorteren de desbetreffende Inspecteurs de thans in geding zijnde aftrek wel hebben aanvaard.

4.3.1.5. Resolutie BTW-28 gaat overigens, anders dan de Inspecteur meent, niet over huisvestingskosten maar over investeringen. De Inspecteur lijkt moeite te hebben met een verdergaande verbijzondering van kosten. Hij legt de resolutie te beperkt uit.

4.3.2. en door de Inspecteur:

4.3.2.1. Het begrip “raadhuis” dient ruim te worden opgevat in de zin van het gebouw waar de gemeentelijke overheid zetelt, waar de overheidsadministratie haar taken uitoefent.

4.3.2.2. Bij huisvesting van de onderwerpelijke 36 medewerkers in een los van het raadhuis staand, dan wel elders gelegen, gebouw – bijvoorbeeld in een zogenoemd stadskantoor – zou het zijns inziens moeilijk te verdedigen zijn de aftrek te weigeren. Dat geval doet zich voor bij de huisvesting van het grondbedrijf in een apart gelegen gebouw, waarin de medewerkers geheel bezig zijn met het realiseren van bestemmingsplannen. Er is dan een meer voor de hand liggende directe relatie tussen het gebouw en de verleende dienst respectievelijk de grondprijzen. In het onderwerpelijke geval met één totaal gebouw is echter sprake van het inbedden van de diensten van de 36 medewerkers in een totaal pakket diensten. Dan bestaat er bezwaar tegen aftrek. Denkbaar is immers dat de desbetreffende groep (36) medewerkers het raadhuis te zijner tijd weer zullen verlaten. Dan zou de voorbelasting zijn afgetrokken, hoewel het raadhuis dan geen functie meer vervult bij die belaste prestaties. Er is in zijn stellingname inderdaad sprake van een glijdende schaal.

4.3.2.3. Het is hem niet bekend dat andere eenheden de onderwerpelijke aftrek plegen toe te staan.

4.3.2.4. Hij erkent dat in dezen bij zijn standpunt sprake is van cumulatie van omzetbelasting. Zulks is echter een gevolg van de opvatting van de staatssecretaris die geen verdergaande tegemoetkoming wilde bieden in de onderwerpelijke resolutie.

4.3.2.5. De Comptabiliteitsvoorschriften doen in dezen niet ter zake. De resolutie kent zijn eigen werking.

4.4. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van ƒ 125.472,–.

4.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Tussen partijen staat vast dat het in geschil zijnde bedrag aan omzetbelasting betrekking heeft op dat deel van de bouw-, onderhouds- en exploitatiekosten van het nieuw gebouwde stadhuis, dat heeft te gelden als huisvestingskosten voor de 36 in dat stadhuis gehuisveste medewerkers die zich uitsluitend bezighouden met de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen, welke kosten aan de kopers van grond in de grondprijzen met omzetbelasting zijn doorberekend.

5.2. Belanghebbende betoogt dat de onderwerpelijke huisvestingskosten een onderdeel vormen van de kosten van aanleg van gemeenschapsvoorzieningen. Belanghebbendes opvatting dat paragraaf 8 van resolutie BTW-28 door het bezigen van de term “behoren” het oog heeft op de administratieve voorschriften van de gemeente zoals de Comptabiliteitsvoorschriften, spoort met de aan het wettelijk regime ten grondslag liggende noodzaak van een objectieve maatstaf bij het toerekenen van kosten. Anders dan de Inspecteur bepleit doen die voorschriften daarom ook naar het oordeel van het Hof in dezen wel ter zake. Dienovereenkomstig aanvaardt het Hof belanghebbendes bovenstaande betoog als juist.

5.3. De Inspecteur heeft erkend dat zijn uitleg van de resolutie leidt tot cumulatie van omzetbelasting en dat bij een ruimtelijk van het onderwerpelijke stadhuis gescheiden huisvesting van de onderwerpelijke 36 medewerkers de door belanghebbende voorgestane aftrek wèl zou worden verleend. Deze erkenning houdt tevens in dat de onderwerpelijke huisvestingskosten zijns inziens hebben te gelden als kosten van de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen als bedoeld in onder meer paragraaf 8 van resolutie BTW-28.

5.4. Door echter bij de uitleg van de resolutie van het begrip “raadhuizen” de in 4.3.2.1. weergegeven ruime betekenis toe te kennen, geeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof aan de in de resolutie opgenomen uitzondering een te ruime uitleg die in strijd komt met de bedoeling van de resolutie, te weten het voorkomen van cumulatie van belastingen in een geval als het onderhavige waarin de kosten van voorzieningen in de grondprijs behoren te worden doorberekend en zulks in feite ook is geschied. De stelling dat het gebruik van het woord “raadhuizen” betrekking heeft op het gemeentehuis als geheel, in de zin van het concrete gebouw, spreekt het Hof niet aan omdat, zoals belanghebbende onweersproken heeft betoogd, de onderwerpelijke omzetbelasting niet verband houdt met het in de grondprijs doorberekenen van de bouw van het stadhuis als zodanig, maar met het doorberekenen in de grondprijs van die kosten van aanleg van gemeenschapsvoorzieningen die overeenkomstig administratieve voorschriften aan de grondeigenaren in rekening behoren te worden gebracht.

5.5. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat belanghebbende terecht aftrek van de onderwerpelijke voorbelasting op de voet van de resolutie voorstaat, zodat haar beroep gegrond is.

6. Slotsom

Het beroep is gegrond.

7. Proceskosten

Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten fiscale procedures te berekenen op 2 ƒ 710,– 2 = ƒ 2.840,–.

8. Beslissing

Het gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

– vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van ƒ 125.472,–;

– gelast de Inspecteur aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht van ƒ 80,– te vergoeden;

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van ƒ 2.840,–, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan op 30 juni 1999 door mr. Van Schie, vice-president, als voorzitter, mr. Röben en mr. Lamens, raadsheren, in tegenwoordigheid van Wagener als griffier.

(N.Th. Wagener)(P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 juni 1999