Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA1392

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-07-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/20615
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/35.3.1

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Tweede enkelvoudige belastingkamer

nummer 97/20615

U i t s p r a a k

op het beroep van *X te *Z tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren *P betreffende de hem voor het jaar 1995 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag en bezwaar

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 80.616,--, waarbij geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting is verleend.

Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Een mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de tweede enkelvoudige belastingkamer van het Hof van 2 december 1998. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en de Inspecteur.

Naar aanleiding van een ter zitting door het Hof aan belanghebbende gedaan verzoek tot het verstrekken van nadere schriftelijke inlichtingen, heeft tussen het Hof en partijen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, een briefwisseling plaatsgevonden.

3. De vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

Belanghebbende woont in Nederland. Sedert maart van het onderhavige jaar (1995) is hij in dienstbetrekking werkzaam bij Scheepvaartmaatschappij *A B.V. te *Q. Hij vervult de functie van cruise/operator manager op een - onder een Nederlandse vlag varend en in Nederland thuishaven hebbend - cruiseschip. Dit schip vaart voornamelijk van *R naar Duitsland en/of Boedapest en weer terug. Bij zijn indiensttreding is belanghebbende met *A B.V. overeengekomen dat hij, naast zijn werkzaamheden als cruise/operator manager, voorts voor eigen rekening souvenirs en ansichtkaarten mocht verkopen. Daartoe verhuurt *A B.V. hem voor een bedrag van ƒ 100,-- per maand een kleine ruimte (ongeveer 3 meter bij 2,5 meter) op het schip. De

in 1995 met deze activiteit behaalde inkomsten beliepen ƒ 6.067,-- (hierna: de winkelinkomsten). Deze winkelinkomsten zijn in Duitsland niet in de heffing van belasting betrokken. Belanghebbende verbleef in het onderwerpelijke jaar 132 dagen in Duitsland.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbenden ter zake van de winkelinkomsten recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2. Partijen doen hun standpunt steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken.

4.3. Daaraan is ter zitting nog het volgende toegevoegd:

door belanghebbende:

- de huur van de winkelruimte wordt één keer per half jaar met het salaris verrekend;

- de inkopen van de voorraden geschieden door hemzelf;

- de omzet in 1996 en in 1998 is ongeveer gelijk aan die van 1995;

- de vestigingsplaats van *A B.V. is *Q.

namens de Inspecteur:

- er is geen sprake van een vaste inrichting.

4.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot één, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 80.616,--, waarbij een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt verleend ten bedrage van ƒ 962,--.

4.4. De Inspecteur concludeert daarentegen tot bevestiging van de uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende stelt zich kennelijk op het standpunt dat de onderwerpelijke winkelinkomsten dienen te worden aangemerkt als inkomsten uit zelfstandige arbeid in de zin van artikel 9 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot - kort gezegd- het vermijden van dubbele belasting (hierna: het Verdrag) en dat op grond van die bepaling het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten aan Duitsland toekomt.

5.2. Deze opvatting wordt - nog daargelaten de vraag of de winkelinkomsten kunnen worden bestempeld als inkomsten uit zelfstandige arbeid in evenbedoelde zin - niet gedeeld door het Hof. Volgens het eerste lid van genoemde bepaling is het recht van Duitsland tot belastingheffing over de winkelinkomsten immers gekoppeld aan de voorwaarde dat de arbeid in Duitsland wordt of is uitgeoefend. Zulks doet zich, zo blijkt uit het tweede lid van bedoeld artikel, slechts voor, indien de persoon die de zelfstandige arbeid uitoefent voor zijn werkzaamheden gebruik maakt van een duurzame inrichting die aldaar geregeld tot zijn beschikking staat. Nu de onderhavige - belanghebbende aan boord van het schip ter beschikking staande - winkelruimte naar het oordeel van het Hof niet kan worden aangemerkt als een duurzame inrichting die aldaar (dat wil zeggen in Duitsland) geregeld tot zijn beschikking staat, kan in dit verband niet worden gezegd dat de arbeid door belanghebbende in Duitsland is uitgeoefend, zodat (in zoverre) Duitsland niet het recht heeft tot belastingheffing over de winkelinkomsten.

5.3. Indien - veronderstellenderwijs - ervan wordt uitgegaan dat de winkelinkomsten moeten worden gekwalificeerd als winst uit onderneming, heeft Duitsland evenmin het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten. Volgens het eerste lid van artikel 5 van het Verdrag is voor de toewijzing aan Duitsland van het recht tot belastingheffing over de winkelinkomsten immers vereist dat de winkelinkomsten zijn toe te rekenen aan een zich aldaar (dat wil zeggen in Duitsland) bevindende vaste inrichting van de onderneming. Aan dit vereiste wordt in casu evenwel niet voldaan, aangezien de onderhavige winkelruimte niet is aan te merken als een zich in Duitsland bevindende vaste inrichting.

5.4.1. Tot slot zal het Hof bezien de vraag of Duitsland het recht tot belastingheffing heeft, indien de winkelinkomsten moeten worden gekwalificeerd als inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid.

5.4.2. Artikel 10 van het Verdrag luidt - voorzover hier van belang - als volgt:

1. Indien een natuurlijk persoon met woonplaats in een van de Staten inkomsten verkrijgt uit niet-zelfstandige arbeid, heeft de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten, indien de arbeid in de andere Staat wordt uitgeoefend.

2. In afwijking van het eerste lid kunnen inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid slechts in de Staat worden belast, waar de werknemer zijn woonplaats heeft, indien deze werknemer

1. tijdelijk in totaal niet meer dan 183 dagen gedurende een kalenderjaar, in de andere Staat verblijft;

2. voor zijn gedurende deze tijd uitgeoefende werkzaamheden vergoeding ontvangt van een werkgever, die zijn woonplaats niet in de andere Staat heeft en

3. voor zijn werkzaamheden niet ten laste van een zich in de andere Staat bevindende vaste inrichting of duurzame inrichting van de werkgever vergoeding ontvangt.".

5.4.3. In het onderhavige geval is voldaan aan de drie - in het tweede lid van artikel 10 van het Verdrag - genoemde criteria. Dit betekent derhalve dat ook indien sprake zou zijn van inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid, niet aan Duitsland doch aan Nederland het recht toekomt belasting te heffen over de winkelinkomsten van belanghebbende.

5.5. Nu in geen van de genoemde situaties het recht tot belastingheffing over de onderhavige winkelinkomsten is toegewezen aan Duitsland, heeft de Inspecteur terecht belanghebbendes aanspraak op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting geweigerd. Het beroep is derhalve ongegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Aldus vastgesteld op 2 juli 1999 door mr Van Schie, vice-president, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Den Ouden als griffier.

(R. den Ouden)(P.M. van Schie)

De afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 juli 1999