Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA1390

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-07-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/1297
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/35.3.2

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Tweede meervoudige belastingkamer

nummer 96/1297

U i t s p r a a k

op het beroep van *X te *Z (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1993 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 103.079,–, welke aanslag na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak door de Inspecteur is gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft bij vertoogschrift het beroep bestreden. Tot de stukken van het geding behoren voorts de conclusies van re- en dupliek.

2.2. Bij de mondelinge behandeling op 6 augustus 1997 te Arnhem door de tweede enkelvoudige belastingkamer zijn verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtigde, bijgestaan door belanghebbendes vader *A sr., alsmede de Inspecteur voornoemd.

2.3. Na deze mondelinge behandeling zijn van belanghebbende schriftelijke inlichtingen ingewonnen. Daarop zijn de artikelen 14, lid 1, onderdeel 2?, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toegepast.

2.4. De tweede enkelvoudige belastingkamer heeft de zaak vervolgens verwezen naar de meervoudige belastingkamer.

2.5. Bij de mondelinge behandeling door de tweede meervoudige belastingkamer op 7 oktober 1998 te Arnhem zijn dezelfde personen verschenen en gehoord. De notities van het door belanghebbende in die zitting gehouden pleidooi worden als hier ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

3.1. *A sr. vormde met zijn zonen *A jr. en *X (belanghebbende) een maatschap tot exploitatie van een landbouwonderneming met als hoofdactiviteit het houden van melkvee.

3.2. Op 1 april 1993 verkocht de maatschap een perceel cultuurgrond aan de *a-weg/hoek *b-weg onder *Z, totaal groot 3.83.00 hectare (hierna: het verkochte perceel) voor ƒ 285.000,– aan *B, landbouwer en veehandelaar te *Z.. Volgens de Inspecteur lag het verkochte perceel op ca. 2.5 kilometer van het bedrijf van de maatschap.

3.3. Eveneens op 1 april 1993 kocht *A sr. een perceel weiland nabij de *c-weg, totaal groot 3.70.50 hectare, gelegen op 2.5 kilometer van het bedrijf van de maatschap (hierna: het gekochte perceel) voor ƒ 185.000,– van *B. Sr. bracht dit perceel nog dezelfde dag in de maatschap in.

3.4. In de notariële akte betreffende de in 3.2. bedoelde verkoop is opgenomen dat het verkochte door de koper is te gebruiken als cultuurgrond. Er is geen boeteclausule opgenomen voor het geval de koper de gekochte grond niet als cultuurgrond gaat gebruiken. Tevens verklaarde *B in die akte dat het door hem verkregene strekte ter verbetering van de landbouwstructuur.

3.5. Het verkochte perceel is op 17 september 1993 door *B doorverkocht aan de vennootschap onder firma *C voor eveneens ƒ 285.000,–. De firma *C heeft als firmanten de heer *C en mevrouw *B-a, dochter van *B, en exploiteert een kampeerbedrijf met daarnaast een restaurant. Het onderwerpelijke perceel grenst aan het kampeerbedrijf van de firma.

3.6. De taxateur van de Belastingdienst/Registratie en successie heeft op 4 januari 1995 de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (hierna: de WEVAB) per 1 april 1993 bepaald op ƒ 190.000,–.

3.7. In het verslag van de op 18 januari 1996 gehouden hoorzitting inzake de door de maten ingediende bezwaarschriften tegen de onderwerpelijke aanslagen is vermeld dat de maten hebben verklaard voorafgaand aan de verkoop van het verkochte perceel aan *B een vermoeden te hebben gehad dat deze koper aankocht ten behoeve van zijn dochter.

3.8. In juni 1992 had de maatschap een perceel grond ter grootte van 3.83.00 hectare verworven voor ƒ 177.500,– (ƒ 46.345,– per ha) en in 1995 een perceel ter grootte van 2.20.00 hectare voor ƒ 110.000,– (ƒ 50.000,– per ha).

4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld:

-1- of de landbouwvrijstelling als bedoeld in artikel 8, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) van toepassing is op het bij de in 3.2. bedoelde verkoop gerealiseerde verschil tussen de verkoopopbrengst en de WEVAB hetgeen belanghebbende verdedigt en de Inspecteur betwist, en zo neen,

-2- of de WEVAB ƒ 240.000,– bedroeg zoals belanghebbende voorstaat dan wel ƒ 190.000,– gelijk de Inspecteur verdedigt.

4.2. Elk van de partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd – zakelijk weergegeven –

4.3.1. door belanghebbende in de zitting van 6 augustus 1997:

4.3.1.1. Dat de transactie voordelig was, wil nog niet zeggen dat de bedoelingen van de koper ten tijde van de transactie voor de maatschap bekend waren.

4.3.1.2. Er was geen sprake van een voorlopig koopcontract, de koop werd direct beschreven.

4.3.1.3. *A sr. heeft voor de maatschap de onderhandelingen gevoerd. De gang van zaken was als volgt: *B kwam naar hem toe, nadat de onderhandelingen met een derde op niets waren uitgelopen. De maatschap wilde wel grond verkopen, als daar dichterbij gelegen grond voor in de plaats kwam. *B bood ƒ 100.000,- extra naast de te ruilen grond. Sr. ging daarmee akkoord, op voorwaarde dat de transactie belastingvrij zou blijven.

4.3.1.4. De transactieprijs vond hij heel normaal. Andere grond in de omgeving bracht ook bij verkoop ƒ 120.000,- per bunder op. Dat was dan wel recreatiegrond, maar ook een belastingvrije verkoop.

4.3.1.5. Het was de maatschap niet bekend dat *B's dochter iets met de camping te maken had.

4.3.1.6. De bedoelingen van *B zijn nu wel duidelijk, maar van belang is hier of de maatschap die ten tijde van de verkoop kon kennen.

4.3.1.7. Hij acht niet bewezen dat het ten tijde van de verkoop waarschijnlijk was dat de grond binnen korte tijd buiten het kader van een landbouwbedrijf zou worden aangewend.

4.3.1.8. De bestemming van de grond is op dit moment nog steeds niet gewijzigd. De daadwerkelijke bestemmingswijziging kan nog wel een tijd duren, gezien de vele bezwaren. Naar zijn mening zullen dan al wel zes jaren zijn verlopen sinds de verkoop.

4.3.2. en door de Inspecteur in die zitting:

4.3.2.1. Van belang is niet of belanghebbende wist wat er met de grond ging gebeuren, maar wel wat het voornemen van de koper was ten tijde van de transactie.

Dat voornemen blijkt uit de extra ƒ 100.000,-, en uit het feit dat de koper de grond wilde kopen voor zijn dochter.

4.3.2.2. De bestemmingswijziging was ongeveer een half jaar geleden in voorbereiding. Hem is verder niets concreets bekend over de bestemmingsplannen.

4.3.3. door belanghebbende in de zitting van 7 oktober 1998:

4.3.3.1. Aan *B is inderdaad een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd omdat zijn beroep op de vrijstelling wegens verbetering van de landbouwstructuur niet is gehonoreerd.

4.3.3.2. Belanghebbendes maatschap had geen boetebeding in de in 3.4. bedoelde akte opgenomen omdat het duidelijk was dat het cultuurgrond zou blijven. Belanghebbendes maatschap kocht en verkocht wel vaker grond. Hij had geen aanwijzingen omtrent mogelijk ander gebruik door *B.

4.3.3.3. Als belanghebbende belasting zou moeten betalen lijkt het een optie daarvoor *B aan te spreken omdat die de verzekering heeft gegeven dat er geen belasting betaald hoefde worden. *B was bereid ƒ 100.000,– extra te betalen omdat hij die grond zo graag wou hebben. Waarom dat was, is belanghebbende niet bekend.

4.3.3.4. Voor de boekwaarde kan het standpunt van de Inspecteur worden gevolgd.

4.3.3.5. Alles wat met betrekking tot sr. is verhandeld heeft ook voor de zoons te gelden.

4.3.4. en door de Inspecteur in de zitting van 7 oktober 1998:

4.3.4.1. Blijkens telefonische informatie van die ochtend bij de gemeente is de situatie voor wat betreft de firma *C op 8 september 1998 goedgekeurd en wordt aan de firma telkens voor een jaar vergunning verleend voor het gebruik van de gekochte grond. Op 29 januari 1998 is het bestemmingsplan vastgesteld. Het perceel is thans in gebruik met stacaravans en is voorzien van aansluitingen voor elektra en van speeltoestellen.

4.3.4.2. *B heeft wel overdrachtsbelasting moeten betalen, zijn verkrijging was niet vrijgesteld.

4.3.4.3. In een kleine gemeenschap als *Z weet men veel van elkaar, ook dat de partner van de heer *C de dochter van *B is.

4.4. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag tot één, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 71.413,–.

4.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Van de landbouwvrijstelling die is geregeld in artikel 8, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet, zijn onder andere uitgezonderd voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden voorzover die verband houden met de omstandigheid dat de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend. Deze uitzondering strekt volgens de Hoge Raad ertoe waarde-veranderingen die zijn toe te rekenen aan een bestemmingswijziging doordat de grond voortaan buiten de agrarische sfeer wordt of binnenkort zal worden aangewend, wel tot de belastbare winst te rekenen. Bij de te belasten bestemmingswijzingswinst kan dan worden gedacht aan situaties waarin landbouwgrond wordt verkocht ten behoeve van de aanleg van industrieterreinen, voor woningbouw of als recreatiegebied (arrest d.d. 8 juli 1996, nr. 30 474, BNB 1996/310, blz. 2574, rechtsoverweging 3.3).

5.2. Zoals blijkt uit onder meer het arrest van de Hoge Raad van 27 augustus 1997, nr. 32 480, BNB 1997/372, doet de in 5.1. bedoelde omstandigheid zich voor indien op het moment van vervreemding van de desbetreffende grond een redelijke kans bestond dat die grond binnenkort buiten de agrarische sfeer zou worden aangewend.

5.3. Bij de beoordeling of sprake is van een dergelijke kans is van belang de objectieve verwachting omtrent de feitelijke verandering van het gebruik op het moment van de transactie en mist de al dan niet subjectieve bekendheid daarvan bij de verkoper in zoverre betekenis, evenals mogelijk door de koper bij de verkoper gewekt vertrouwen. Een en ander is af te leiden uit de verwijzing in de Memorie van Toelichting bij de Wet van 27 maart 1986, Stb. 1986, 135, naar de terminologie 'waarschijnlijk binnenkort' in artikel 31, lid 3, van de Wet en de aan die term door de Hoge raad in onder andere het arrest d.d. 17 maart 1982, BNB 1982/157, gegeven uitleg.

5.4. De Inspecteur betoogt dat op het moment van de verkoop verwacht kon worden dat het onderwerpelijke perceel binnenkort een andere dan landbouwbestemming zou krijgen.

Daartoe voert de Inspecteur onder meer aan:

– dat belanghebbende op de hoorzitting heeft verklaard een vermoeden te hebben dat *B kocht voor zijn dochter;

– dat het verkochte perceel grensde aan het kampeerbedrijf van de dochter van *B;

– dat *B in 1990 ook reeds drie percelen kocht, grenzend aan het onderwerpelijke perceel, die hij binnen een maand aan zijn dochter heeft verkocht;

– dat in een kleine gemeenschap als *Z men veel van elkaar weet, ook dat de partner van de heer *C de dochter van *B is;

– dat belanghebbende geen andere steekhoudende verklaring voor de hoge aankoopprijs kan geven dan dat *B de grond graag wilde kopen en bereid was ƒ 100.000,– toe te betalen op wat in feite ruil was van gelijkwaardige percelen;

– en dat belanghebbende door recente eigen aankopen heel goed op de hoogte was van de grondprijzen ter plaatse.

Belanghebbende heeft voorts ter zitting verklaard dat hij wist dat voor andere recreatiegrond ƒ 120.000,– per hectare was betaald.

5.5. Gelet op het vorenstaande is het aannemelijk dat het voor een verkoper als belanghebbende – te weten een ter plaatse bekende landbouwer – duidelijk was dat er een redelijke kans bestond dat de onderwerpelijke grond binnenkort buiten de landbouwsfeer zou worden aangewend, en dat de verkoop aan *B geen ander doel diende dan als 'omweg' om de landbouwvrijstelling deelachtig te worden. Belanghebbendes verklaringen dat voorwaarde voor zijn toestemming met de verkoop was dat deze belastingvrij zou plaatsvinden wijst ook in die richting.

5.6. Zoals de Inspecteur terecht aanvoert – en belanghebbende onvoldoende heeft weerlegd – is aan de in 3.4. weergegeven bepaling in de notariële akte, nu een boeteclausule ontbreekt, geen betekenis in dit verband toe te kennen. Hetzelfde geldt voor de onderscheiden verklaringen in het aanvraagformulier verklaring verbetering landbouwstructuur omdat deze eveneens eenzijdige verklaringen zijn die alleen de ondertekenaar raken.

5.7. Het vorenstaande voert het Hof tot het oordeel dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord.

5.8. De Inspecteur onderbouwt de taxatie van de WEVAB onder meer met een verwijzing naar prijzen die belanghebbendes maatschap zelf in juni 1992 en in maart 1995 heeft besteed voor grondaankopen van vergelijkbare grootte als de onderwerpelijke. Tegenover de door een taxatierapport ondersteunde stellingname van de Inspecteur voert belanghebbende geen taxatierapport of gegeven van gelijk gewicht aan. Het commentaar van *D is daartoe onvoldoende specifiek en kennelijk in hoofdzaak gebaseerd op verkopen elders dan in de onmiddellijke nabijheid van de onderwerpelijke grond.

Het Hof aanvaardt daarom de door de Inspecteur aangehouden waarde als juist.

5.9. Het vorenstaande voert tot de slotsom dat het beroep niet gegrond is.

6. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus gedaan op 1 juli 1999 door mr. Van Schie, vice-president, als voorzitter, mr. Röben en mr. Lamens, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Van der Waerden als griffier.

(A.W.M. van der Waerden)(P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 juli 1999