Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA1389

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/0968
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/35.3.3

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 96/0968

U i t s p r a a k

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid *X B.V. te *Z tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag en bezwaar

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1991 tot en met 31 december 1993 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 15.728,-- aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging, en met ƒ 2.421,-- aan heffingsrente.

Deze naheffingsaanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij de bestreden uitspraak verminderd tot een naheffingsaanslag ten bedrage van ƒ 15.253,--, met ƒ 2.369,-- aan heffingsrente.

2. Geding voor het Hof

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

Een mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de vierde enkelvoudige belastingkamer van het Hof van 17 april 1997, gehouden te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbendes directeur (wijlen) *A, belanghebbendes gemachtigde alsmede de Inspecteur. Ter genoemde zitting hebben partijen ieder een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Als gevolg van een samenstel van organisatorische en personele omstandigheden bij het Hof heeft na deze mondelinge behandeling gedurende een periode van twee jaar geen voortgang plaatsgehad in de behandeling van de onderhavige zaak. Het lid van genoemde enkelvoudige kamer heeft vervolgens de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van dit Hof. Op 12 mei 1999 heeft ter zitting van de tweede meervoudige kamer van het Hof een tweede mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbendes (nieuwe) directeur de heer *B, eerdergenoemde gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur. De Inspecteur heeft ook op deze zitting een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

3. De vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter genoemde zittingen is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is in 1985 opgericht. Haar ondernemingsactiviteiten bestaan uit de handel in en exploitatie van onroerende zaken.

3.2. Op 5 januari 1990 verkreeg belanghebbende voor een bedrag van ƒ 90.000,-- in eigendom het pand aan de *a-straat 105 in *Q (hierna: het pand), een voormalig grenswisselkantoor. De aankoop van dit pand is geschied met vrijstelling van omzetbelasting. Belanghebbende heeft het pand aangeschaft met de bedoeling het als kantoorpand te gaan gebruiken.

3.3. In de periode tussen begin 1990 en ultimo 1992 heeft een bevriende relatie (een aannemer) van de directeur van belanghebbende het pand twee tot drie dagen per week gebruikt als opslag- en koffieruimte, zonder daarvoor een vergoeding te betalen. Daarnaast heeft belanghebbende zelf enig meubilair in het pand geplaatst.

3.4. Op 21 september 1992 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente *Z het verzoek van belanghebbende tot het verlenen van een vergunning voor verbouw en uitbreiding van het pand ingewilligd.

3.5. In de tweede helft van 1993 heeft belanghebbende in het pand werkzaamheden laten uitvoeren en het laten uitbreiden. De kosten daarvan beliepen ƒ 63.442,-- exclusief omzetbelasting. Deze kosten heeft belanghebbende geactiveerd op haar balans over het jaar 1993. De haar ter zake in rekening gebrachte omzetbelasting (ƒ 11.277,--) heeft belanghebbende als voorbelasting in aftrek gebracht.

3.6. Op 3 december 1993 heeft belanghebbende voor een bedrag van

ƒ 160.000,-- de eigendom van het pand met vrijstelling van omzetbelasting geleverd aan *C Beheer.

3.7. De Inspecteur heeft de - hiervóór in 3.5 bedoelde - door belanghebbende in aftrek gebrachte omzetbelasting in de onderwerpelijke naheffingsaanslag begrepen.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht het onder 3.5 genoemde bedrag van ƒ 11.277,-- heeft nageheven, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Partijen doen hun standpunt steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de eerder vermelde pleitnota's.

4.3. Partijen hebben ter genoemde zittingen van het Hof daaraan nog toegevoegd:

In de zitting van 17 april 1997:

namens belanghebbende:

- het pand, dat vanaf 1988 leeg stond, verkeerde in een slechte staat: het dak was slecht en de ruiten waren kapot;

- tussen de aankoop en de verbouwing van het pand heeft een bevriende relatie (zonder vergoeding) gebruik gemaakt van het pand;

- de verbouwing is geschied met het oog op de ingebruikneming als kantoorruimte;

- eerst eind 1993 heeft belanghebbende haar plannen gewijzigd en heeft zij het pand verkocht;

door de Inspecteur:

- het betoog van belanghebbende met betrekking tot het gebruik door de bevriende relatie betwist ik niet;

In de zitting van 12 mei 1999:

namens belanghebbende:

- belanghebbende en de bevriende relatie wilden samen activiteiten gaan opzetten in Duitsland; door onenigheid (eind 1992) is zulks niet doorgegaan;

- het pand was niet geschikt voor de ontvangst van relaties; alvorens het als kantoorruimte in gebruik kon worden genomen, diende het te worden verbouwd;

- ook na het vertrek van de bevriende relatie (eind 1992) was het belanghebbendes bedoeling het pand als kantoorruimte te gaan gebruiken.

- bij de verbouwingswerkzaamheden is in hoofdlijnen het verbouwings- en uitbreidingsplan, waarvoor de vergunning was verleend, uitgevoerd;

door de Inspecteur:

- het gebruik door de bevriende relatie (opslag- en koffieruimte) is marginaal geweest en moet voor de beantwoording van de in geschil zijnde vraag worden genegeerd: het is zeker geen bezigen als bedoeld in artikel 15, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

4.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een naheffingsaanslag ten bedrage van ƒ 3.976,--.

4.5. De Inspecteur concludeert daarentegen tot bevestiging van de uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 15, vierde lid, eerste volzin, (tot 1 januari 1993: artikel 15, derde lid) van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) vindt de aftrek van belasting plaats overeenkomstig de bestemming van de goederen en diensten op het tijdstip waarop de belasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht dan wel op het tijdstip waarop de belasting wordt verschuldigd. Indien op het tijdstip waarop de ondernemer goederen en diensten gaat bezigen, blijkt, dat de belasting ter zake voor een groter of kleiner gedeelte in aftrek is gebracht dan waartoe de ondernemer op grond van het gebruik is gerechtigd, wordt hij volgens de tweede volzin van genoemde bepaling de te veel afgetrokken belasting op dat tijdstip verschuldigd.

5.2. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de situatie als bedoeld in de tweede volzin van artikel 15, vierde lid, van de Wet zich in dit geval voordoet, aangezien - aldus de Inspecteur - het eerste feitelijke gebruik in casu heeft plaatsgevonden op het tijdstip van de vrijgestelde levering van het pand aan *C Beheer (ultimo 1993) en dit gebruik afwijkt van de aanvankelijk door belanghebbende aan het pand gegeven bestemming.

5.3. Belanghebbende bestrijdt dit standpunt van de Inspecteur, zich daartoe onder meer beroepend op het arrest van de Hoge Raad van 24 augustus 1994, nr. 29 414, BNB 1995/43.

5.4. Het Hof merkt vooreerst op dat het ervan uitgaat dat met betrekking tot de kosten van ƒ 63.442,-- sprake is van kosten van verbouwing en uitbreiding en niet - zoals belanghebbende betoogt - deels van kosten van onderhoud of reparatie.

Het Hof hecht in dit verband betekenis aan de volgende feiten en omstandigheden:

- belanghebbende heeft de volledige kosten in haar jaarrekening 1993 geactiveerd als verbouwingskosten;

- in de tweede zitting is namens belanghebbende opgemerkt, dat het verbouwings- en uitbreidingsplan in grote lijn overeenkomstig de verleende bouwvergunning is uitgevoerd.

5.5. Naar het oordeel van het Hof is met betrekking tot de ultimo 1993 uitgevoerde bouwwerkzaamheden sprake van de aanschaf van goederen en diensten welke niet direct in de onderneming van belanghebbende zijn gebezigd. Enig verbruik van goederen of diensten heeft niet plaatsgevonden.

5.6. Ingevolge voormelde tweede volzin van artikel 15 van de Wet is belanghebbende de belasting ten bedrage van ƒ 11.277,-- verschuldigd geworden op het tijdstip dat zij de onroerende zaak, inclusief de verbouwing en uitbreiding, voor de eerste maal heeft gebezigd en wel bij gelegenheid van de levering met vrijstelling van omzetbelasting op 3 december 1993.

5.6. Het gelijk is derhalve aan de zijde van de Inspecteur. Het beroep van belanghebbende is ongegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan te Arnhem op 23 juni 1999 door mr Röben, voorzitter van de tweede meervoudige belastingkamer, mr Lamens en mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Den Ouden als griffier.

(R. den Ouden) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 juni 1999