Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA1378

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97-21916
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2000, 21158
V-N 2000/5.25

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 97/21916

U i t s p r a a k

op het beroep van X B.V. te Z (belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Registratie en successie te P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar onder nr. 1 opgelegde aanslag tot naheffing van kapitaalsbelasting over het jaar 1995.

1. Naheffingsaanslag en bezwaar

1.1. Het aanslagbiljet, nummer 1 en gedagtekend 18 juni 1997, vermeldt een te betalen belastingbedrag van ƒ 1.468,–, zijnde 1 % van ƒ 146.857,- aan prijsgegeven rente.

1.2. Bij zijn uitspraak van 7 oktober 1997 op het tijdig ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het hof

2.1. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak tijdig in beroep gekomen bij het hof. De inspecteur heeft hierop een vertoogschrift ingediend.

2.2. Bij de mondelinge behandeling op 13 augustus 1998 te Arnhem is alleen de inspecteur verschenen. Belanghebbendes gemachtigde is met schriftelijke kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

2.3. Op verzoek van het hof heeft de inspecteur schriftelijke inlichtingen verstrekt waarop de regeling van artikel 14, lid 1, onderdeel 2 en artikel 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken is toegepast. Door partijen is niet om een nadere mondelinge behandeling verzocht.

3. De conclusies van de partijen

3.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de naheffingsaanslag tot 1% van (naar het hof verstaat, zie 5.1.) ƒ 24.989,– = ƒ 249,–.

3.2. De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De vaststaande feiten

4.1. Belanghebbende is opgericht in mei 1995 door A (directeur en houder van alle aandelen in belanghebbende). Belanghebbende heeft op dezelfde dag door middel van een notariële akte van cessie een 8% rentende vordering van ƒ 5.000.000,- van *A op *B B.V. overgenomen. De koopsom is door belanghebbende schuldig gebleven aan *A. Hieromtrent is in voormelde akte onder “VOORWAARDEN GELDLENING” het volgende opgenomen:

“Ten aanzien van de gemelde geldlening zullen de volgende voorwaarden en

bepalingen gelden:

1.Over het schuldig erkende bedrag of het restant daarvan zal een

rente verschuldigd zijn, welke in onderling overleg van jaar tot

jaar vooraf vastgesteld wordt. Deze rente is opeisbaar op eenen-

dertig december van ieder jaar.

2. Voormelde geldlening is te allen tijde geheel of gedeeltelijk

opeis- en aflosbaar.”

4.2. Belanghebbende heeft in haar balans voor het (boek)jaar 1995/1996 de voornoemde vordering op *B B.V. voor een bedrag van ƒ 3.787.851,- opgenomen onder de post “financiële vaste activa” en de schuld aan *A ten bedrage van ƒ 3.201.492,- onder de post “langlopende schulden”. Over de schuld is geen rente vergoed. In de toelichting op de balans staat bij de vordering vermeld: “De rentevoet over 1995/1996 bedraagt 8%. De rentevergoeding gaat per 1 februari 1995 in. Aflossingsverplichtingen zijn niet overeengekomen” en voorts: “De verstrekte lening is naar de aard als langlopend te beschouwen. Aflossingen moeten uit de winst van *B B.V. ter beschikking komen. De rentevergoeding wordt jaarlijks vastgesteld”. De toelichting vermeldt bij de schuld aan *A “Aflossings-verplichtingen en zekerheden zijn niet overeengekomen. Over 1995/1996 is geen rente vergoed.”

4.3. De inspecteur heeft de prijsgegeven rente als een aan belanghebbende toegevallen voordeel (informele kapitaalstorting) op grond van artikel 34, aanhef en onderdeel d, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet) kapitaalsbelasting nageheven. De prijsgegeven rente heeft de inspecteur berekend op 5,73 % (de gemiddelde kapitaalmarktrente in 1995) van

ƒ 4.100.746,– (het gemiddelde saldo van de schuld over het boekjaar 1995).

4.4. Uit belanghebbendes jaarstukken blijkt dat zij zich voor het jaar 1995 in een winstpositie bevond.

5. Het geschil en de standpunten van de partijen

5.1. Belanghebbende stelt dat de lening direct opeisbaar is nu *A de volledige zeggenschap in haar heeft, zodat een zakelijke rente (ver) onder de marktrente kan liggen. In haar reactie op de schriftelijke inlichtingen van de inspecteur voegt zij hier nog aan toe dat de directe opeisbaarheid schriftelijk is overeengekomen (zie 4.1.) alsmede dat de schuld ultimo 1996 reeds was afgelost. In de gegeven omstandigheden is een rente van 1,5% volgens haar zakelijk.

Nu er feitelijk geen rente vergoed is, acht belanghebbende - naar het hof hierover uit haar beroepschrift afleidt - voor voormeld percentage een informele kapitaalstorting aanwezig, te berekenen op 65% van 1,5% van ƒ 4.100.746,– over 7,5 maanden = ƒ 24.989,– (naar het hof verstaat heeft belanghebbende in haar berekening abusievelijk de factor van 65% niet verwerkt zodat zij in haar beroepschrift tot een storting van ƒ 38.444 komt). De verschuldigde kapitaalsbelasting van 1% bedraagt alsdan ƒ 249,- (in plaats van ƒ 384).

Belanghebbende verdedigt kennelijk dat rekening moet worden gehouden met een aftrek van 35% ter zake van meer verschuldigde vennootschapsbelasting.

5.2. Het voormelde rentepercentage van 5,73 acht de inspecteur verantwoord, omdat de schuld op de balans onder de langlopende schulden is opgenomen, terwijl uit de toelichting op deze balanspost blijkt dat er geen aflossingsverplichtingen of zekerheden zijn overeengekomen. Van een direct opeisbaar rekening-courantkrediet zoals belanghebbende de schuld in de motivering van haar bezwaarschrift typeert, is volgens de inspecteur zodoende feitelijk geen sprake. Daarnaast kan artikel 35, eerste lid, van de Wet zijns inziens geen toepassing kan vinden.

5.3. De gronden waarop de wederzijdse standpunten van partijen steunen, is opgenomen in de van hen afkomstige stukken.

6. De beoordeling van het geschil

De rente

6.1. De inspecteur heeft tegenover de betwisting door belanghebbende aannemelijk gemaakt, dat de onderhavige schuld van belanghebbende aan *A feitelijk niet als een direct opeisbaar rekening-courantkrediet maar als een lening o/g voor langere termijn moet worden beschouwd. Het feit dat belanghebbende zelf haar schuld aan *A in haar balans als een langlopende schuld aanmerkt en de daar tegenover staande lening u/g aan *B B.V. eveneens als langlopend, terwijl de mogelijkheid van aflossing aan *A kennelijk in hoge mate afhankelijk is van het vermogen van *B B.V. tot aflossingen van haar schuld aan belanghebbende te komen, acht het hof doorslaggevend.

6.2. In het gegeven dat *A de volledige zeggenschap in belanghebbende heeft, de directe opeisbaarheid schriftelijk is overeengekomen alsmede dat de schuld ultimo 1996 reeds was afgelost, ziet het hof op zichzelf onvoldoende reden voor een ander oordeel.

6.3. Belanghebbende bestrijdt niet dat de gemiddelde kapitaalmarktrente over het tijdvak medio mei - december 1995 5,73 % bedroeg. Het hof acht met de inspecteur niet aannemelijk dat een derde als crediteur genoegen zou hebben genomen met een zakelijke rente tot een lager percentage. Voor het namens belanghebbende voorgestelde percentage van 1,5 (of enig ander percentage lager dan 5,73) acht het hof geen grond aanwezig.

6.4. Voor de toepassing van artikel 34, aanhef en onderdeel d, van de Wet zal het hof daarom uitgaan van het door de inspecteur berekende rentebedrag van

ƒ 146.867,–.

De vennootschapsbelasting

6.5. Ingevolge artikel 34, aanhef en onderdeel d, van de Wet wordt onder het bijeenbrengen van kapitaal (onder meer) begrepen het verkrijgen van kapitaal van een aandeelhouder (zonder uitdrukkelijke toekenning van nader aangeduide rechten).

6.6. Het prijsgeven van rente heeft bij belanghebbende geleid tot een overeenkomstig hogere winst en heeft, nu belanghebbende in een positieve winstpositie verkeert, naar mag worden aangenomen, gevoerd tot een naar verhouding hogere heffing van vennootschapsbelasting. Het komt het hof redelijk voor, gelet op de omstandigheid dat bij de heffing van kapitaalsbelasting het bijeenbrengen van kapitaal in de zin van het verhogen van het economisch potentieel van de vennootschap als aangrijpingspunt dient, te heffen over het saldo van hogere winst en hogere vennootschapsbelasting als hiervoor aangegeven. Aan het vorenstaande doet niet af dat de hier bedoelde vennootschapsbelasting geen verplichting is zoals bedoeld in artikel 35, lid 1 van de Wet.

6.7. Omdat niet is gebleken dat in het beroepschrift op onjuiste gronden een belastingpercentage van 35 is gehanteerd zal ook het hof dat aanhouden.

7. De slotsom

De bestreden uitspraak dient te worden vernietigd en de daarbij gehandhaafde naheffingsaanslag moet worden verminderd tot 1% van 65% van ƒ 146.867,– = ƒ 954,–.

8. De proceskosten

De inspecteur wordt veroordeeld tot een tegemoetkoming in de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het ge-rechtshof redelijkerwijs heeft moeten maken: 1,5 (beroepschrift 1 + schriftelijk gevoelen 0,5) ƒ 710,– ƒ 0,5 (belang) = ƒ 532,50.

9. De beslissing

Het gerechtshof vernietigt de uitspraak waarvan beroep, vermindert de bestreden naheffingsaanslag tot ƒ 954,–, verstaat dat de inspecteur de belanghebbende het griffierecht van ƒ 80,- vergoedt en bepaalt dat de Staat der Nederlanden een tegemoetkoming in belanghebbendes kosten van het beroep zal betalen tot een bedrag van ƒ 532,50.

Aldus gedaan op 20 augustus 1999 door mr N.E. Haas, raadsheer, als voorzitter, mr Matthijssen en mr F.J.P.M. Haas, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Wagelmans als griffier.

(P.F.A. Wagelmans) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 augustus 1999