Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA1364

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/0529
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 95/0529

U i t s p r a a k

op het beroep van *X, te *Z * tegen de uitspraak van de inspecteur Belastingdienst/Grote ondernemingen Almelo op het bezwaarschrift betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1989.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.944.284,–, waarvan een bedrag van ƒ 1.237.500,– is belast naar het aanmerkelijkbelangtarief van 20%, met vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ten bedrage van ƒ 7.816,–, met inachtneming van een belastingvrije som van ƒ 15.243,–, met een boete wegens niet tijdige indiening van de aangifte van ƒ 250,– en met een bedrag van ƒ 205.150,– aan heffingsrente.

1.2. Na bezwaar heeft de inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.926.304,–, waarvan een bedrag van ƒ 1.237.500,– is belast naar het aanmerkelijkbelangtarief van 20%, met vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ten bedrage van ƒ 32.565,–, met inachtneming van dezelfde belastingvrije som, zonder boete en met een bedrag aan heffingsrente van ƒ 202.629,–.

1.3. *X is tegen deze uitspraak tijdig in beroep gekomen bij het hof. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Daarna hebben partijen nog conclusies van repliek (belanghebbende) en dupliek (inspecteur) ingediend.

1.4. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 oktober 1996 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord *X, *A, de gemachtigde, bijgestaan door *B, werkzaam op het zelfde kantoor als de gemachtigde en *C, accountant van de na te noemen *D-groep, alsmede de inspecteur.

1.5. Partijen hebben in deze eerste zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

1.6. Na de eerste mondelinge behandeling heeft op verzoek van *X een lid van de eerste meervoudige belastingkamer op 13 januari 1997 als raadsheer-commissaris in het bijzijn van partijen gehoord de getuige *E.

Een afschrift van het proces-verbaal van verhoor van de getuige is aan deze uitspraak gehecht.

Partijen hebben van de hen geboden gelegenheid schriftelijk te reageren op het verhoor van de getuige geen gebruik gemaakt.

1.7. De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 mei 1999 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord *X, *A en *C voornoemd, alsmede de inspecteur.

2. Feiten

Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet weersproken, de volgende feiten vast:

2.1. Bij statutenwijziging van 24 december 1984 is de naam van de op 17 maart 1975 opgerichte, en te *Z gevestigde besloten vennootschap *D BV gewijzigd in *X Beheer BV. Enig aandeelhouder en directeur van *X Beheer BV is *X.

2.2. Eveneens op 24 december 1984 is door *X Beheer BV opgericht haar 100%-dochtervennootschap *D-2 BV. Op dezelfde dag is de onderneming van *X Beheer BV, welke zich richt op de vervaardiging van staalconstructies, ingebracht in *D-2 BV. Niet ingebracht zijn de onroerende zaken en een stamrechtverplichting. Met ingang van de datum van oprichting is *D-2 BV opgenomen in een fiscale eenheid met *X Beheer BV.

*X is directeur van *D-2 BV.

2.3. Op 20 juni 1984 heeft *X de vennootschap naar Duits recht *D-3 GmbH opgericht. Alle aandelen van *D-3 GmbH zijn in handen van *X die tevens directeur van *D-3 GmbH is.

De activiteiten van *D-3 GmbH richten zich op de Duitse markt voor bouw van complete bedrijfshallen en het leveren van staalconstructies voor bedrijfshallen. Bij deze activiteiten neemt *D-3 GmbH de opdrachten aan en wordt *D-2 BV als onderaannemer ingeschakeld voor het vervaardigen en leveren van staalconstructies. Eind 1989 heeft *D-2 BV 30 werknemers in dienst en *D-3 GmbH 4 mensen. *D-3 GmbH is feitelijk gevestigd op hetzelfde adres in *Z als *D-2 BV. Directie en administratie vallen samen.

2.4. Op 13 maart 1985 richt *D-3 GmbH haar 100%-dochtervennootschap *D-4 GmbH op. *D-4 GmbH richt zich op de bouw van woningen. Directeur van *D-4 GmbH is *X. Sedert 1986 is deze onderneming niet meer actief.

2.5. Tussen *D-3 GmbH en *D-4 GmbH bestaat met ingang van 1985 een zogenaamd “Unternehmensvertrag”, op grond waarvan de resultaten van *D-4 GmbH naar Duits belastingrecht bij *D-3 GmbH in aanmerking worden genomen.

2.6. Ultimo 1985 heeft *D-2 BV vorderingen in rekening-courant op *D-3 GmbH en op *D-3 GmbH van respectievelijk ƒ 123.472,– en ƒ 1.184.695,–. Daarnaast heeft *D-2 BV onder de handelsdebiteuren nog vorderingen op beide Duitse vennootschappen van respectievelijk ƒ 190.539,– en ƒ 171.639,–.

Voorts heeft *D-2 BV per ultimo 1985 ƒ 170.000,– gepassiveerd voor mogelijke verliezen op de vordering in rekening-courant op *D-4 GmbH over de jaren 1985 en 1986.

2.7. In 1987 is bij *X Beheer BV een boekenonderzoek omzetbelasting en vennootschapsbelasting ingesteld over de jaren 1982 tot en met 1985.

Bij het onderzoek bleek dat de vorderingen van *D-2 BV op *D-3 GmbH in 1986 binnen redelijke termijn zijn voldaan. De rekening-courantvordering op *D-4 GmbH stond evenwel begin 1988 nog open, terwijl daarover een te lage rente werd berekend.

2.8. Op 19 september 1990 is tussen *X Beheer BV en de inspecteur een compromis bereikt over 1985. De belangrijkste elementen van dit compromis luiden:

-de beide Duitse vennootschappen worden voor de heffing van de vennootschapsbelasting als binnenlandse belastingplichtigen beschouwd; het Unternehmensvertrag tussen beide vennootschappen wordt daarbij gerespecteerd;

-de voorziening voor de vordering op *D-4 GmbH wordt gecorrigeerd; in 1986 en later zal voor vorderingen op *D-4 GmbH geen voorziening worden gevormd of verlies worden genomen, ook niet indirect via *D-3 GmbH;

-de correctie heeft geen gevolgen voor de heffing van inkomstenbelasting bij *X;

-bij *X Beheer BV (lees: *D-2 BV) kan wel een voorziening worden gevormd voor de vordering op *D-3 GmbH, rekening houdend met het voorafgaande.

2.9. Vanaf 1989 wordt het grootste deel van de omzet van *D-2 BV via *D-3 GmbH in Duitsland gegenereerd.

Ultimo 1988 en 1989 beliepen de vorderingen in rekening-courant van *D-2 BV op *D-3 GmbH en *D-4 GmbH de volgende bedragen:

ultimo*D-3 GmbH*D-4 GmbH

1988 ƒ 415.769 ƒ 626.425

1989 ƒ 1.922.139 ƒ 659.067.

De cumulatieve afwaardering op de rekening-courantvordering op *D-3 GmbH beliep ultimo 1988 ƒ 415.769,– en ultimo 1989 ƒ 830.000,–.

Ingevolge het compromis van 19 september 1990 is voor de vordering op *D-4 GmbH bij *D-2 BV geen voorziening getroffen.

Het resultaat van *D-2 BV beliep in 1989 ƒ 631.645,– na afwaardering van vorderingen op *D-3 GmbH.

In 1989 behaalde *D-2 BV een gemiddelde winstmarge van circa 4% op de aan *D-3 GmbH gefactureerde omzet.

De in Duitsland behaalde omzet groeide van ƒ 2.834.000,– in 1988 naar ƒ 7.886.000,– in 1989.

2.10. De toename in 1989 van de rekening-courantvordering van *D-2 BV op *D-3 GmbH van ƒ 1.506.370,– is als volgt ontstaan:

inkopen *D-3 GmbH door *D-2 BV betaald ƒ 1.138.282

overboeking gelden naar *D-3 GmbH– 400.000

doorberekening kosten aan *D-3 GmbH– 286.497

door *D-2 BV gefactureerde omzet– 6.651.254

door *D-2 BV betaalde crediteuren van

*D-3 GmbH– 224.478

ƒ 8.700.511

af:door *D-3 GmbH betaalde

facturen voor *D-2 BVƒ 431.566

betalingen door *D-3 GmbH

aan *D-2 BV– 6.763.783

– 7.195.349

Saldo ƒ 1.505.162

Totale toename - 1.506.370

onverklaard verschil ƒ 1.208.

2.11. De ontwikkeling van het vermogen en het resultaat van *D-3 GmbH tot en met 1989 is als volgt:

waarvan over-

genomen resultaat

jaar vermogen resultaat *D-4 GmbH

1984 DM 2.179 neg DM 52.179 neg n.v.t.

1985 DM 488.261 neg DM 486.082 neg DM 484.417

1986 DM 329.221 neg DM 159.040 pos DM 186.703

1987 DM 863.503 neg DM 534.282 neg DM 597.821

1988 DM 1.256.652 neg DM 393.149 neg DM 54.260

1989 DM 1.891.943 neg DM 635.291 neg DM 48.137.

Over de jaren 1990 tot en met 1992 zijn de bedrijfsresultaten van *D-3 GmbH respectievelijk -/- DM 214.834, -/- DM 81.561 en DM 27.480.

2.12. Op 3 maart 1989 verkoopt *X 50% van de aandelen in *X Beheer BV en in *D-3 GmbH aan *G BV. De prijzen voor deze aandelen beliepen respectievelijk ƒ 1.250.000,- en ƒ 1,-, kennelijk berekend naar de waarde van die aandelen per 1 januari 1988.

2.13. Op 18 mei 1989 verkoopt *G BV voor eveneens een bedrag van ƒ 1,– haar 50%-belang in *D-3 GmbH aan de heren *H. De drie heren *H zijn ieder middellijk dan wel onmiddellijk 25% aandeelhouder van *G BV.

2.14. Op 13 maart 1990 vindt een aantal transacties plaats. Onder meer zijn de vorderingen in rekening-courant per 31 december 1989 van *D-2 BV en *D-4 GmbH op *D-3 GmbH deels omgezet in rentedragende leningen met aflossingsverplichting (respectievelijk ƒ 707.315,– en ƒ 277.000,–) en voor het restant respectievelijk ƒ 1.215.000,– en ƒ 475.000,– in achtergestelde, niet-rentedragende leningen, welke vervolgens tegen 10% van de nominale waarde zijn verkocht aan de gezamenlijke aandeelhouders, is het restant van de rekening-courantvordering van *D-2 BV op *D-4 GmbH ad ƒ 334.567,– (= ƒ 659.067,– -/- (10% van ƒ 475.000,–) -/- ƒ 277.000,.–) (voor 5% van de nominale waarde) verkocht aan bedoelde aandeelhouders evenals de aandelen in *D-4 GmbH.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of ter zake van (een deel van) de toename in 1989 van de rekening-courantvordering van *D-2 BV op *D-3 GmbH dan wel ter zake van de door *D-2 BV op die vordering verrichte afwaardering sprake is van een uitdeling aan *X.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. *X stelt zich achtereenvolgens op de volgende standpunten:

a. het in 1990 gesloten compromis, inhoudende dat de zakelijkheid van de rekening-courantverhouding tussen *D-2 BV en *D-3 GmbH vaststaat, geldt ook voor 1989 omdat er in 1989 geen wezenlijke veranderingen zijn opgetreden;

b. er is geen sprake van verliesfinanciering uit onzakelijke motieven; de zakelijke verhouding tussen *D-2 BV en *D-3 GmbH vindt haar weerslag in de rekening-courantverhouding, welke als gevolg van diverse transacties grotere schommelingen kan vertonen;

c. zo al sprake is van onzakelijk handelen, dan betekent dat nog niet dat sprake is van een uitdeling; de inspecteur moet een zodanige uitdeling bewijzen;

d. een eventuele uitdeling bedraagt gelet op het bezit van slechts 50% van de aandelen door *X

a. hooguit 50% van ƒ 414.231,–, zijnde dit laatste bedrag het bedrag van de in 1989 getroffen voorziening;

b. hooguit 50% van genoemd bedrag van ƒ 414.231,– vermeerderd met het boven het gestorte kapitaal in *D-2 BV aanwezige vermogen ad ƒ 384.983,–, te zamen ƒ 799.214,–;

c. hooguit 50% van ƒ 1.219.873,–, zijnde dit laatste bedrag de toename van de rekening-courant ad ƒ 1.506.370,– minus door *D-2 BV doorberekende kosten ten bedrage van ƒ 286.497,–.

3.4. Door en namens *X is daaraan in de zittingen het volgende toegevoegd:

(in de zitting van 8 oktober 1996)

a. bij het niet bestaan van *D-3 GmbH zou *D-2 BV verlies lijden;

b. *D-3 GmbH vervulde een brievenbusfunktie voor *D-2 BV en was als het ware een verlengstuk van *D-2 BV; op dat punt kunnen getuigen verklaren;

c. van verliesfinanciering was geen sprake;

d. de bedoeling van de start van activiteiten in Duitsland was uiteraard het maken van winst;

e. met verliesgevende situaties was geen rekening gehouden; de eerste jaren vielen de Duitse resultaten erg tegen;

(in de zitting van 20 mei 1999)

a. in feite vormen de Duitse en Nederlandse *D-bedrijven één bedrijf;

b. het Duitse bedrijf was nodig voor voldoende afzet van *D-2 BV;

c. in de jaren 1988 en 1989 kwam er een omslag; in 1988 was er nog 60% Nederlandse omzet en 40% Duitse omzet; in 1989 was er meer Duitse omzet;

d. de bedrijfsvoering bestond uit het uitvoeren van projecten; deze werden periodiek administratief doorgerekend, afgesloten en vervolgens in rekening-courant tussen *D-2 BV en *D-3 GmbH verrekend; dat verklaart de sprong in de rekening-courant in de tweede helft van 1989 toen veel projecten zijn afgerekend, maar nog niet waren betaald;

e. *D-3 GmbH had nogal wat slechte debiteuren;

f. het verloop van de rekening-courantvorderingen van *D-2 BV op *D-3 GmbH in de tweede helft van 1989 (zie bijlage 10 van het vertoogschrift) was als volgt:

31 juli 1989 ƒ 1.800.000,–

5 september 1989 ƒ 490.000,–

oktober 1989 circa ƒ 900.000,–

23 november 1989 ƒ 474.000,–

31 december 1989 ƒ 1.922.000,–;

g. de afrekeningen en latere betalingen verliepen schoksgewijs waardoor er grote fluctuaties waren; dat was op zichzelf geen abnormaal beeld;

h. in andere jaren was het beeld overigens hetzelfde;

i. de inspecteur bekijkt de zaak te geïsoleerd; het verloop van de rekening-courant moet over een langere periode worden bezien en de bedrijven moeten als één geheel worden beschouwd;

j. *D-3 GmbH trad ook op als onderaannemer;

k. *D-2 BV leverde alleen de staalconstructies;

l. de gebroeders *H hebben uit strategische overwegingen aandelen van *X gekocht; zij hadden zelf een groot bouwbedrijf dat veel deed in Duitsland; om die reden hadden zij interesse in een bedrijf dat deed in metaalconstructies;

m. *X heeft geen opvolger in de familie, waardoor de verkoop van een deel van de aandelen ook diende om de continuïteit van de onderneming te verzekeren;

n. de in 1990 uitgevoerde handelingen, waaronder de achterstelling van vorderingen, zijn uitgevoerd om *D-3 GmbH weer gezond te maken en zo de Duitse opdrachtgevers een gezonde balans te kunnen tonen; de achtergestelde vorderingen werden aldus garantievermogen;

o. in de laatste jaren, vanaf 1997, wordt er winst gemaakt;

p. de verhoudingen tussen *D-2 BV en *D-3 GmbH zijn nog altijd dezelfde;

q. de gebroeders *H hebben thans 90% van de aandelen.

3.5. *X concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag primair tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.419.934,– en vervolgens subsidiair enz. te verhogen met een als uitdeling aan te merken bedrag van respectievelijk ƒ 207.115,–, ƒ 399.607,– en ƒ 609.936,–, met inachtneming van de overige voor het vaststelling van de aanslag in aanmerking te nemen elementen.

3.6. De inspecteur stelt zich achtereenvolgens op de standpunten:

a. de gehele toename van de rekening-courantvordering op *D-3 GmbH in 1989 verminderd met de door *X Beheer BV in rekening gebrachte rente ad ƒ 60.000,–, ofwel ƒ 1.446.370,– is te kwalificeren als een uitdeling aan *X;

b. deze toename is in ieder geval aan te merken als uitdeling voorzover zij niet direct wordt opgeroepen door de bedrijfsuitoefening van *D-2 BV; het bedrag van de uitdeling bedraagt dan ƒ 1.331.194,–;

c. de afwaardering in 1989 van de vordering op *D-3 GmbH ad ƒ 414.231,– is aan te merken als uitdeling aan *X.

De inspecteur heeft in de zittingen aan het door hem gestelde in de stukken toegevoegd:

(in de zitting van 8 oktober 1996)

-hij blijft er bij dat de voorwaarden waartegen *D-2 BV aan *D-3 GmbH leverde onzakelijk waren;

(in de zitting van 20 mei 1999)

-hij bestrijdt het betoog van *X omtrent de afrekening van projecten en het daarmee gepaard gaande verloop van de rekening-courant niet; het zou kunnen zijn zoals *X de zaak thans heeft weergegeven.

3.7. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak op het bezwaarschrift en

–primair tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.866.280,–, waarvan een deel ten bedrage van ƒ 1.237.500,– te belasten tegen een 20%, met toepassing van een belastingvrije som van ƒ 15.243,–, met tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belasting ten bedrage van ƒ 32.229,– en met heffingsrente ten bedrage van ƒ 194.427,–,

–subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.751.128,–, waarvan een deel ten bedrage van ƒ 1.237.500,– te belasten tegen een 20%, met toepassing van een belastingvrije som van ƒ 15.243,–, met tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belasting ten bedrage van ƒ 31.543,– en met heffingsrente ten bedrage van ƒ 178.598,-, en

–meer subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.834.165,–, waarvan een deel ten bedrage van ƒ 1.237.500,– te belasten tegen een 20%, met toepassing van een belastingvrije som van ƒ 15.243,–, met tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belasting ten bedrage van ƒ 23.017,– en met heffingsrente ten bedrage van ƒ 53.168,–.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. *X heeft, bevestigd door de getuige *E, gesteld en het hof acht aannemelijk, dat door de achteruitgang van de Nederlandse markt *D-2 BV zich in de loop van de jaren tachtig gedwongen zag haar activiteiten op de Duitse markt verder te ontwikkelen, dat de start op die markt moeilijk en een kwestie van lange adem was, dat men aanliep tegen andere voorschriften en gewoonten en een aantal slechte debiteuren en dat daardoor aanvankelijk en ook in 1989 de Duitse *D- bedrijven verliezen leden.

4.2. *X heeft voorts aangevoerd en toegelicht dat de omzet van *D-3 GmbH in 1989 aanzienlijk hoger was dan in het voorafgaande jaar, dat voorts het oplopen van de rekening-courant tussen *D-2 BV en *D-3 GmbH in de tweede helft van 1989 is veroorzaakt door het in die periode opmaken van afrekeningen betreffende een aantal projecten waarvan de betalingen door *D-3 GmbH later volgden, dat deze wijze van bedrijfsvoering het schoksgewijs verloop van de rekening-courant tussen beide bedrijven meebracht en dat dit beeld niet abnormaal was en zich vaker voordeed. Deze laatste stelling heeft de inspecteur, desgevraagd in de tweede zitting, niet willen bestrijden.

4.3. Het hof stelt voorop dat *X Beheer BV bij haar poging om ten behoeve van haar eigen bedrijfsuitoefening in *D-2 BV een vastere voet op de Duitse markt te krijgen, de vrijheid had haar streven te verwezenlijken door middel van een in Duitsland gevestigde zustervennootschap. *X heeft ook aangevoerd waarom *X Beheer BV er vanuit commercieel oogpunt voor gekozen heeft op de Duitse markt te opereren door middel van een rechtspersoon naar Duits recht. Het hof acht het betoog van *X in dezen (hierop neerkomend dat Duitse opdrachtgevers bij voorkeur zaken doen met Duitse rechtspersonen) op zichzelf – en anders dan de inspecteur kennelijk verdedigt – niet onaannemelijk.

4.4. Het hof acht – met het oog op hetgeen is overwogen onder 4.2. – niet aannemelijk geworden dat *X Beheer BV de rekening-courantverhouding met *D-3 GmbH heeft laten oplopen (mede) met het oog op de in maart 1990 plaatsgevonden hebbende transacties.

4.5. Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat de inspecteur tegenover de bestrijding door *X niet aannemelijk heeft gemaakt dat het laten oplopen door *D-2 BV van de rekening-courantvordering op *D-3 GmbH in dat jaar als onzakelijk moet worden aangemerkt.

4.6. Het hof wijst in dit verband op het volgende. De inspecteur stelt dat *D-2 BV in het onderhavige jaar met een te geringe winstmarge heeft geleverd aan *D-3 GmbH. Levering met een hogere winstmarge zou evenwel – zoals *X heeft gesteld – hebben geleid tot wegvallen van een belangrijk deel van de omzet bij *D-2 BV, dan wel – bij overigens gelijke omstandigheden – tot een hogere bruto winst bij *D-2 BV en een overeenkomstig hogere en – naar aangenomen mag worden – in zoverre niet verhaalbare vordering van *D-2 BV op *D-3 GmbH. Het is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat *D-2 BV met een willekeurige andere Duitse ondernemer wezenlijk anders gecontracteerd zou hebben.

4.7. De afboeking van de vordering van *D-2 BV op *D-3 GmbH zonder deze civielrechtelijk in zoverre kwijt te schelden, leidt niet tot een toename van het vermogen van *D-3 GmbH en kan derhalve eveneens niet leiden tot het aannemen van een uitdeling voor het desbetreffende bedrag aan *X.

4.8. De inspecteur heeft gelet op het vorenoverwogene niet aannemelijk gemaakt dat in dezen sprake is van een uitdeling aan *X. De door de inspecteur gestelde omstandigheid dat *D-2 BV geen zekerheden heeft laten stellen door *D-3 GmbH voor de rekening-courantschuld van deze laatste, leidt in de omstandigheden van dit geval niet tot een ander oordeel.

4.9. De vraag of de afboeking op de vordering overigens op zakelijke gronden heeft plaatsgevonden, behoeft in deze procedure geen beantwoording.

4.10 Gelet op het vorenoverwogene behoeft de vraag of het in 1990 gesloten compromis aan de omstreden door de inspecteur aangebrachte correctie in de weg staat, geen bespreking.

Slotsom

5. Het beroep van belanghebbende is gegrond.

6. Proceskosten

Het hof berekent deze kosten op:

a. kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

beroepschrift 1

conclusie van repliek 0,5

verschijnen eerste zitting 1

bijwonen getuigenverhoor 0,5

verschijnen tweede zitting 1

4;

b.4 vast bedrag ƒ 710,–, is ƒ 2.840,–.

c. gewicht van de zaak: 2 x ƒ 2.840,- = ƒ 5.680,-.

7. De beslissing

Het gerechtshof

–vernietigt de bestreden uitspraak;

–vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.419.934,–, waarvan ƒ 1.237.500,– te belasten tegen het tarief van 20%, met inachtneming van een belastingvrije som van ƒ 15.243,–, met verrekening ter voorkoming van dubbele belasting en met heffingsrente;

–veroordeelt de inspecteur voor een bedrag van ƒ 5.680,– in de proceskosten van belanghebbende, te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

–gelast de inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht van ƒ 75,– te vergoeden.

Aldus gedaan op 18 augustus 1999 door mr N.E. Haas, raadsheer, als voorzitter, mr Röben en mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier.

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

(N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 augustus 1999