Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA1356

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/35
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nr. 98/35

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende:*X

te:*Z

ambtenaar:Inspecteur van de Belastingdienst/Centraal bureau motorrijtuigenbelasting

aangevallen beslissing:uitspraak op bezwaar

soort belasting:motorrijtuigenbelasting

datum controle:9 april 1997

tijdvak van naheffing:10 april 1996 tot en met 9 april 1997

aanslagnummer :*Y7

mondelinge behandeling:op 12 oktober 1999 te Arnhem door mr Röben, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Nuboer, als griffier

waarbij verschenen:belanghebbende en de Inspecteur

gronden:

1. Belanghebbende staat in het kentekenregister geregistreerd als degene op wiens naam het handelaarskenteken *11-22-bb is afgegeven.

2. Op 9 april 1997 is door een ambtenaar van de Belastingdienst geconstateerd dat voormeld kenteken werd gevoerd op een Opel personenauto, welke auto tot belanghebbendes handelsvoorraad behoorde en welke op de A-58 ter hoogte van *Q dienst deed als trekker van een aanhangwagen met daarop een andere auto.

3. Indien een tot de handelsvoorraad behorende auto wordt gebezigd voor het slepen van een ander rij- of voertuig is het zogenaamde handelaarstarief van artikel 67 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) niet van toepassing. (Vergelijk HR 22 mei 1974, BNB 1974/161).

De Inspecteur heeft mitsdien terecht de belasting met toepassing van artikel 69 van de Wet nageheven.

4. Belanghebbende heeft voorts aangevoerd, dat de inspecteur bij het vaststellen van de verhoging van 100 percent ten onrechte het bepaalde in artikel 37, onderdeel a, van de Wet heeft toegepast. Dit artikelonderdeel ziet volgens belanghebbende niet op een verhoging die kan worden opgelegd in verband met een handelen in strijd met de handelaarsregeling, op welk handelen artikel 70 van de Wet een sanctie stelt.

5. Indien, zoals hier het geval is, de belasting is nageheven op de voet van artikel 69 van de Wet, voorziet artikel 70 van de Wet in de mogelijkheid dat de Inspecteur een boete oplegt.

Artikel 70 van de Wet luidde tot 1 januari 1998:

Artikel 37 is van overeenkomstige toepassing.

6. Artikel 37 van de Wet luidde tot 1 januari 1998:

In afwijking in zoverre van de artikelen 21 en 22 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedraagt de verhoging van de belasting bij naheffing:

a. als bedoeld in de artikelen 33, 34, 35 en 36 honderd percent doch ten minste ƒ 100;

b. als bedoeld in artikel 35a nihil;

c. in overige gevallen ƒ 250.

7. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet blijkt dat de wetgever, voor gevallen waarin belasting zou worden nageheven anders dan in verband met het enkele niet- of te laat betalen van de belasting, heeft beoogd de onder de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 bestaande regelgeving inzake verhoging met 100 percent van de nageheven belasting te continueren (vergelijk Kamerstukken II, 1990/1991, 22238, nr. 3 (MvT), blz. 36-37).

8. De artikelen 33, 34, 35 en 36 van de Wet zien evenals artikel 69 van de Wet op het corrigeren van misbruik dan wel oneigenlijk gebruik van bij de Wet gestelde regels.

9. Het Hof leest in verband met het voorgaande artikel 70 van de Wet aldus, dat met de woorden 'van overeenkomstige toepassing' is beoogd bij misbruik van de handelaarsregeling hetzelfde verhogingsregime toe te passen als bij naheffing van belasting op grond van de artikelen 33, 34, 35 en 36 van de Wet.

10. Voorgaande opvatting wordt bevestigd met het gestelde in paragraaf 34, leden 1 en 2, van het sinds 1 januari 1998 in werking getreden Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Ook in deze bepalingen wordt uitgegaan van een boete van 100 percent bij naheffing van belasting op de voet van de artikelen 33, 34, 35, 36, 52, 53, 60, 69 en 76 van de Wet.

Slotsom

11.Het beroep van belanghebbende is niet gegrond.

Griffierecht

12. Belanghebbende heeft er ten slotte in zijn beroepschrift terecht over geklaagd, dat in de uitspraak op zijn bezwaarschrift niet is ingegaan op zijn bezwaren en in het bijzonder dat niet is gemotiveerd waaruit het misbruik van de handelaarsregeling bestond.

Het Hof vindt hierin aanleiding de Inspecteur te gelasten aan belanghebbende het door hem voor het instellen van het beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

beslissing:

Het Gerechtshof :

–bevestigt de bestreden uitspraak;

–gelast de Inspecteur aan belanghebbende het voor het instellen van het beroep betaalde griffierecht van ƒ 80,– te vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 1999 door mr Röben, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mw mr Nuboer als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier,Het lid van de voormelde kamer,

(M.M. Nuboer)(J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 november 1999

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende ƒ 150,–. Verweerder is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van ƒ 150,– verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.