Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA1353

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/223
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2000/23.23 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nr. 98/223

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende:*X

te:*Z

ambtenaar:Inspecteur van de Belastingdienst/Centraal bureau motorrijtuigenbelasting

aangevallen beslissing:uitspraak op bezwaar

soort belasting:motorrijtuigenbelasting

datum controle:17 april 1997

tijdvak van naheffing:2 juli 1996 tot en met 1 juli 1997

aanslagnummer :*Y7

mondelinge behandeling:op 12 oktober 1999 te Arnhem door mr Röben, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Nuboer, als griffier

waarbij verschenen:belanghebbende en de Inspecteur

gronden:

1. Vaststaat, als door belanghebbende ter zitting erkend, dat op 17 april 1999 omstreeks 19.00 uur te *Z met het motorrijtuig, merk Mazda met kenteken *aa-bb-11, de weg werd gebruikt tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in Hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

2. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het motorrijtuig zonder zijn medeweten en zonder zijn toestemming werd gebruikt door zijn 19-jarige zoon, die wel van de geldende schorsing weet had. De zoon heeft het motorrijtuig uit de stalling genomen en was op weg naar een APK-station alwaar hij het de volgende dag wilde laten keuren. Belanghebbende zelf verbleef in het buitenland.

Belanghebbende heeft ter zitting een fotokopie van een op 18 april 1997 gedagtekende nota van APK Centre *A v.o.f. te *Z overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur.

3. Belanghebbende heeft voorts gerefereerd aan een RDW-brochure, waarin staat dat tijdens schorsing van het kentekenbewijs op de dag van de APK-keuring geen motorrijtuigenbelasting is verschuldigd.

4. De Inspecteur heeft aangevoerd, dat ter zake alleen een vrijstelling geldt voor de dag waarop de keuring plaatsvindt. Als naderhand blijkt dat is gereden op de dag van de keuring zelf wordt de vrijstelling in de regel alsnog verleend. In dit geval is evenwel de weg gebruikt op een andere dag dan die waarop een keuring heeft plaatsgevonden.

Voorts heeft de inspecteur gesteld dat de door de RDW gegeven informatie enkel ziet op aspecten van de wegenverkeerswetgeving. De Belastingdienst geeft eigen informatie uit over schorsing en daarmee samenhangende kwesties.

Ten slotte heeft de inspecteur betoogd, dat hier niet een geval aan de orde is waarin alle schuld ontbreekt. Blijkbaar kon de zoon wel vrijelijk over de sleutels van het motorrijtuig beschikken. Bij het opleggen van de boete van artikel 35 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) wordt geen onderscheid gemaakt naar de mate van schuld of opzet.

5. Ingevolge artikel 72, lid 1, aanhef en onderdeel m, van de Wet en de artikelen 22 en 27 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 wordt vrijstelling van belasting verleend voor motorrijtuigen waarmee tijdens een voor het motorrijtuig geldende schorsing gebruik van de weg wordt gemaakt op de dag van een APK-keuring.

De vrijstelling wordt door de inspecteur verleend op een verzoek dat moet worden gedaan vóór de aanvang van het weggebruik onder overlegging van bescheiden waaruit blijkt dat het motorrijtuig op de desbetreffende dag aan de keuring zal worden onderworpen.

6. In het onderhavige geval staat vast dat voormeld verzoek niet van tevoren is gedaan en dat met het motorrijtuig de weg is gebruikt op een andere dag dan de beweerdelijke keuring. De vrijstelling mist dan toepassing. Dientengevolge heeft de inspecteur terecht de belasting op de voet van artikel 35 van de Wet nageheven.

7. Met betrekking tot de toegepaste verhoging van 100 percent merkt het hof het volgende op.

De naheffingsaanslag is opgelegd aan belanghebbende. Belanghebbende was niet degene die met het motorrijtuig tijdens een geldende schorsing de weg heeft gebruikt. Wel kan belanghebbende worden verweten onvoldoende maatregelen te hebben getroffen om het gebruik van de weg met het motorrijtuig te voorkomen. De zoon had immers tijdens de afwezigheid van belanghebbende kennelijke de vrije beschikking over de sleutels van het motorrijtuig.

8. Gelet op het vorenstaande, alsmede gelet op het niet bestreden kortstondige gebruik van de weg, vindt het Hof aanleiding de boete in dit geval te matigen tot een, naar het oordeel van het Hof passende boete van 25 percent.

Slotsom

Het beroep van belanghebbende is gedeeltelijk gegrond.

proceskosten:

Het Hof berekent belanghebbendes proceskosten in overeenstemming met artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en het Besluit proceskosten fiscale procedures op reis- en verblijfkosten van belanghebbende, begroot op f 75,-.

beslissing:

Het Gerechtshof:

-vernietigt de bestreden uitspraak;

-vermindert de naheffingsaanslag tot ƒ 2.049,– aan enkelvoudige belasting met een verhoging van 25 percent;

-veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 75,–, te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

-gelast de Inspecteur aan belanghebbende het voor het instellen van het beroep betaalde griffierecht van ƒ 80,- te vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 1999 door mr Röben, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mw mr Nuboer als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier,Het lid van de voormelde kamer,

(M.M. Nuboer)(J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 november 1999

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende ƒ 150,–. Verweerder is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van ƒ 150,– verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.