Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1999:AA1348

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98-00117
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Eerste enkelvoudige belastingkamer

nr. 98/ 00117

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende:X

te:Z

ambtenaar:de ambtenaar van de gemeente Apeldoorn, belast met de heffing van de gemeentelijke belastingen

aangevallen beslissing:uitspraak op bezwaar van 21 november 1997

soort belasting:leges milieuvergunning

jaar:1997

mondelinge behandeling:op 23 september 1999 te Arnhem door mr De Kroon, raadsheer, in te-gen-woordigheid van mr Van der Waerden als griffier

waarbij verschenen:belanghebbende, alsmede de ambtenaar

gronden:

1. De gemeente heeft op 25 november 1996 vastgesteld de Legesverordening 1997 (hierna: de verordening). De bij raadsbesluit van 20 februari 1997 gewijzigde tarieventabel bij deze verordening (hierna: de tarieventabel), is van toepassing vanaf

1 maart 1997.

2. In § 6.1 van de tarieventabel staan de tarieven vermeld voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor onder andere het oprichten en het in werking hebben van vier onderscheidenlijke bedrijfstypen. Per bedrijfstype is een verschillend legesbedrag van toepassing.

3. Voor een vergunning met betrekking tot een bedrijf in categorie 1, waaronder uitsluitend vallen plantsoenendiensten, hoveniersbedrijven, en bedrijven van bosexploitatie en –beheer, is een legesbedrag verschuldigd van ƒ 2.647,-.

Voor een vergunning met betrekking tot een bedrijf in categorie 2, waaronder onder andere vallen veehouderijen, is een legesbedrag verschuldigd van ƒ 4.493,-.

4. Belanghebbende heeft in augustus 1997 een aanvraag ingediend voor een vergunning voor het in werking hebben van een schapenhouderij voor ongeveer 80 schapen.

5. Belanghebbende stelt dat zijn adviseur voorafgaand aan de aanvraag mondeling van de gemeente te horen heeft gekregen dat de leges tussen de ƒ 2.000,- en de ƒ 3.000,- zouden bedragen.

6. Op 23 september 1997 is aan belanghebbende een nota leges milieuvergunning categorie 2 toegezonden met een te betalen bedrag van ƒ 4.493,-. Belanghebbende acht indeling in categorie 2 onbillijk. Voorts is belanghebbende het er niet mee eens dat geen differentiatie wordt aangebracht al naar gelang de omvang van de veestapel en de afmeting van het vee.

7. Daarenboven is belanghebbende van mening dat de hoogte van de leges in geen verhouding staat tot het inkomen dat hij ter zake van zijn schapenhouderij geniet en tot de waarde van de door hem gehouden dieren.

8. Voorts stelt belanghebbende dat hij voorlopig van de aanvraag voor een milieuvergunning zou hebben afgezien indien hij vooraf zou hebben geweten dat de daaraan verbonden kosten zo hoog zouden zijn.

9. De verordening, de tarieventabel en de daarbij behorende bedrijfstypetabel zijn voor zover het Hof kan nagaan voldoende bekendgemaakt en waren ter inzage beschikbaar, zodat belanghebbende daarvan kennis had kunnen nemen.

10. Tegenover de bestrijding door de ambtenaar maakt belanghebbende niet aannemelijk dat van de zijde van de gemeente aan belanghebbendes adviseur vóór de aanvraag van de vergunning is meegedeeld dat de leges in het onderhavige geval ƒ 2.000,- à

ƒ 3.000,- zouden gaan bedragen. Alsdan kan niet worden gezegd dat sprake is van een in rechte bescherming verdienend vertrouwen dienaangaande.

11. Het staat de gemeenteraad vrij de tarieven voor de leges zo in te richten als hij heeft gedaan. Met betrekking tot het door de gemeenteraad vastgestelde tarief is geen sprake van strijd met enig wettelijk voorschrift.

12. Het Hof merkt hierbij op dat de leges wordt geheven ter dekking van de kosten die de aan de gemeente opkomen bij het in behandeling nemen van een aanvraag. Daarbij komt de gemeentelijke wetgever een grote vrijheid toe bij het vaststellen van de heffingsmaatstaf. Hij is niet verplicht bij het vaststellen van de heffingsmaatstsaf en het tarief rekening te houden met de omvang van de veestapel en de afmetingvan het vee, noch met de waarde van die veestapel of het inkomen dat de aanvrager met zijn activiteiten terzake behaalt. De gemeente gaat bij het vaststellen van het tarief uit van de gemiddelde kosten per bedrijfscategorie. Het achterwege laten van een differentiatie zoals belanghebbende wenst brengt niet mee dat sprake is van een willekeurige of onredelijke belastingheffing.

13. Gezien de hiervoor bij 3. genoemde indeling van de verschillende categorieën, kan belanghebbendes bedrijf niet worden vrijgesteld of ingedeeld in een lagere categorie. De gemeente heeft het bedrijf van belanghebbende terecht ingedeeld in categorie 2. De relatief kleine afmetingen van schapen ten opzichte van bijvoorbeeld koeien en het relatief geringe aantal ervan doen hieraan niet af.

14. Belanghebbendes ter zitting aangedragen stelling dat in zijn geval in het geheel geen leges geheven dient te worden, nu met ingang van 1 januari 1998 geen leges meer geheven wordt ter zake van milieuvergunningen, kan niet worden gevolgd, nu hij de aanvraag in 1997 heeft ingediend en deze ook in 1997 in behandeling is genomen.

slotsom:

Het beroep van belanghebbende is niet gegrond.

proceskosten:

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 1999 door mr De Kroon, raadsheer, lid van de eerste enkelvoudige belas-ting-kamer, in tegen-woor-dig-heid van mr Van der Waerden als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(A.W.M. van der Waerden) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 oktober 1999

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende f 150,-. Verweerder is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van f 150,- verschuldigd.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.