Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1998:AA1479

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-10-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/111
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zesde enkelvoudige belastingkamer

nr. 98/111

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : *X

te : *Z

ambtenaar : de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift van 27 november 1997

soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

jaar : 1995

mondelinge behandeling : op 30 september 1998 te Arnhem door mr Lamens, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier

waarbij verschenen : de Inspecteur

waarbij niet verschenen : belanghebbende zonder kennisgeving aan het hof, hoewel overeenkomstig de wet opgeroepen bij aangetekende brief van 2 september 1998

gronden:

1. Belanghebbende heeft voor het jaar 1995 op 23 maart 1996 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 13.581,-- opgebouwd uit een netto-uitkering van de GSD te *Z.

2. Tijdens een boekenonderzoek op 10 februari 1997 is vastgesteld dat belanghebbende in het jaar 1995 inkomsten heeft genoten uit werkzaamheden verricht ten behoeve van *A te *Q.

3. Er zijn tussen belanghebbende en *A twee overeenkomsten gesloten (16 maart 1994 en 9 september 1994). De inhoud van die overeenkomsten stemt overeen.

Uit die overeenkomsten blijkt onder meer het volgende:

– *A exploiteert in Nederland 06-nummers met een erotisch karakter, de opbeller kan rechtstreeks een gesprek voeren met de dienstverlener;

– de diensten van belanghebbende bestaan uit het voeren van telefoongesprekken met de opbellers. Zij is hierover geen verantwoording schuldig aan *A;

– *A is belast met de incassering van de vergoeding van de door belanghebbende geleverde diensten en rekent iedere maand af met belanghebbende.

4. Belanghebbende heeft in 1995 alleen voor *A gewerkt. Zij heeft in 1995 van *A ƒ 18.960,35 bruto ontvangen. De brutovergoeding is samengesteld uit een (variabele) vergoeding voor iedere belminuut minus bedragen voor omzetbelasting, kosten *B, telefoonkosten en kosten *A. Belanghebbende heeft in 1995 in totaal 51481 minuten ofwel 858 uur via het systeem van *A gebeld.

5. Naar aanleiding van het boekenonderzoek is aan belanghebbende op 1 augustus 1997 een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 28.818,--, opgebouwd als volgt:

GSD-uitkering ƒ 14.763,––

Andere inkomsten uit arbeid ƒ 18.960,35

---------------

ƒ 33.723,35

Aftrekbare kosten ƒ 4.905,--

---------------

Belastbaar inkomen (afgerond) ƒ 28.818,--

Het bedrag van de aanslag is verhoogd met een administratieve boete van 100%, waarvan door de Inspecteur 50% is kwijtgescholden.

6. Tussen partijen is in geschil of de vergoeding die belanghebbende voor de werkzaamheden ten behoeve van *A heeft ontvangen als winst uit onderneming of winst uit een zelfstandig beroep in de zin van artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) moet worden beschouwd en zo ja of zij dan recht heeft op de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend; de Inspecteur ontkennend.

7. De Inspecteur heeft zijn standpunt dat belanghebbende met betrekking tot de

van *A ontvangen inkomsten niet als ondernemer is te beschouwen onderbouwd door – met de motivering die gegeven is in het vertoogschrift – erop te wijzen dat belanghebbende zelfstandigheid mist, geen debiteurenrisico loopt, geen investeringen van betekenis heeft gedaan en zich naar buiten op geen enkele wijze als ondernemer presenteert.

8. Belanghebbende heeft het door de Inspecteur gestelde onvoldoende weersproken en daartegenover onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van winst uit onderneming of uit zelfstandig beroep. Zij heeft weliswaar gesuggereerd, dat zich situaties hebben voorgedaan waarin de vergoeding voor gevoerde gesprekken niet volledig is/kan worden uitbetaald, doch zij heeft deze – door de Inspecteur bestreden – stelling niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbendes opvatting dat niet alleen *A afnemer is, doch alle bellers als afnemers hebben te gelden, ziet eraan voorbij dat de contacten met de bellers uitsluitend plaatsvinden via het telnetwerk van *A en dat *A de vergoeding int en uitbetaalt.

9. Nu geen sprake is van een onderneming of een zelfstandig uitgeoefend bedrijf kan van toekenning van de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek geen sprake zijn.

10. Belanghebbende heeft voorts – zakelijk weergegeven – gesteld dat indien zij als een normale werknemer belast wordt zij ook wenst deel te nemen aan de normale werknemersverzekeringen en aan het ziekenfonds en dat ze, omdat dit niet mogelijk is, van de belastingdienst een hogere belastingvrije voet zoals de zelfstandigenaftrek verwacht om zichzelf te kunnen voorzien van de noodzakelijke verzekeringen en te komen tot een gelijke inkomensverdeling.

11. Deze opvatting berust op de onjuiste vooronderstelling dat belanghebbende door de Inspecteur als een normale werknemer is belast. Belanghebbende is door de Inspecteur in de inkomstenbelasting betrokken niet vanwege genoten loon als werknemer, doch als genieter van andere inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22, lid 1, onderdeel b, van de Wet. Voor genieters van inkomsten uit die categorie is de zelfstandigenaftrek niet van toepassing. Voorzover belanghebbende meent dat aldus

artikel 26 BUPO is geschonden faalt die klacht omdat van gelijke gevallen geen sprake is.

12. Het doel van de zelfstandigenaftrek is om voor zelfstandigen met een bescheiden winst een belastingverlichting aan te brengen, zodat de heffing meer wordt afgestemd

op de functies die het winstinkomen heeft bij een zelfstandige: consumptie, investeringen en reserveringen. In het onderhavige geval is niet komen vast te staan dat betekenisvolle investeringen en dat reserveringen zijn gedaan. In dat geval kan daarom evenmin worden gezegd, zo die stelling in belanghebbendes standpunt ligt begrepen, dat ongelijke gevallen overduidelijk onevenredig ongelijk zijn behandeld.

proceskosten:

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.

beslissing:

Het gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 1998 door mr Lamens, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier,Het lid van de voormelde kamer,

(J.L.M. Egberts)(J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 oktober 1998