Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1998:AA1468

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-11-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/0850
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/14.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 96/0850

U i t s p r a a k

op het beroep van *X, wonende in Aruba, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Registratie en successie *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in het recht van successie terzake van haar verkrijging uit de nalatenschap van *Y.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aanslag, genummerd *1 en gedagtekend 31 augustus 1995, is berekend naar een verkrijging van ƒ 612.504,– en vermeldt een verschuldigd bedrag van ƒ 88.038,–.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 17 april 1996 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden ontvangen op 20 mei 1996. Het is door dat hof doorgezonden naar dit hof waar het is ontvangen op 4 juni 1996.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen. Voorts houdt het hof rekening met een op 22 september 1998 ingekomen telefax van belanghebbendes gemachtigde waarvan de inspecteur genoegzaam kennis heeft genomen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 24 september 1998 te Arnhem is de inspecteur gehoord. Belanghebbendes gemachtigde is met schriftelijke kennisgeving aan het hof niet verschenen.

3. Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt vermindering van de aanslag tot ƒ 52.652,–.

3.2. De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De vaststaande feiten

4.1. Op 24 september 1992 overleed *Y in haar laatste woonplaats *Q. Het saldo van haar nalatenschap beliep ƒ 612.504,80. Belanghebbende, de in Aruba wonende dochter van *Y, was haar enige erfgenaam.

4.2. Tot de nalatenschap behoort een vordering op *A N.V. (hierna: de vordering) ter grootte van ƒ 287.503,45. De vordering is verzekerd door hypotheek op in Aruba gelegen onroerende zaken.

4.3. Als gevolg van de verkrijging was belanghebbende een bedrag van (omgerekend in Nederlandse guldens) ƒ 11.190,30 verschuldigd aan Aru

baanse successiebelasting. Dit bedrag heeft in zijn geheel betrekking op de verkrijging van de vordering.

4.4. Indien belanghebbende geen aanspraak zou kunnen maken op vermindering ter voorkoming van de heffing van dubbele belasting zou zij over de verkrijging ƒ 99.229,– aan belasting verschuldigd zijn. De omstreden aanslag is berekend door op dat bedrag van ƒ 99.229,– het onder punt 4.3 gemelde bedrag van ƒ 11.190,30 in mindering te brengen.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of de inspecteur de belasting op de juiste wijze heeft verminderd. Belanghebbende verdedigt, en de inspecteur betwist, dat de vermindering dient te worden berekend op ƒ 46.577,–, te weten

ƒ 287.504,– (de vordering) ? ƒ 99.229,–.

ƒ 612.504,– (de totale verkrijging)

5.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

5.3. Daaraan is door de inspecteur mondeling toegevoegd – zakelijk weergegeven –

5.3.1. Hij heeft voldoende kennis genomen van de telefax d.d. 22 september 1998 van belanghebbendes gemachtigde en hij heeft er geen bezwaar tegen als dat stuk aan het dossier wordt toegevoegd.

5.3.2. De uitleg van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: de BRK) zoals belanghebbendes gemachtigde die geeft is onjuist, ook indien de BRK wordt gezien als lex specialis ten opzichte van het Besluit voorkoming dubbele belasting.

5.3.3. In de telefax d.d. 22 september 1998 schetst belanghebbendes gemachtigde de situatie indien belanghebbende ingezetene van Nederland zou zijn. Die schets is echter onlogisch, als wordt uitgegaan van belanghebbendes visie op artikel 28, 2e volzin, van de BRK dat de verschuldigde belasting alle belasting is die betaald wordt vanuit het land van inwoning.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Ingevolge artikel 28 van de BRK mag Nederland als land waarin *Y haar laatste woonplaats had, in de verkrijging alle bestanddelen van de nalatenschap begrijpen. Ter voorkoming van heffing van dubbele belasting dient echter een op de voet van dat artikel 28 berekende vermindering te worden toegepast.

6.2. Het standpunt van belanghebbende komt hierop neer dat de vermindering van de belasting moet worden berekend volgens de in de eerste volzin van artikel 28 van de BRK weergegeven evenredigheidsmethode, omdat de aldus berekende vermindering kleiner zou zijn dan het bedrag van de verschuldigde belasting als bedoeld in de tweede volzin van dat artikel. Aan dit standpunt ligt de zienswijze ten grondslag dat onder de verschuldigde belasting als bedoeld in de tweede volzin van artikel 28 van de BRK niet alleen de Arubaanse successiebelasting maar ook door belanghebbende verschuldigd Nederlands recht van successie moet worden begrepen, kennelijk omdat belanghebbende op Aruba woont en het Nederlandse recht vanuit Aruba betaalt.

6.3. Belanghebbendes standpunt is onjuist. Artikel 28 van de BRK moet aldus worden uitgelegd dat onder de verschuldigde belasting in de tweede volzin uitsluitend wordt verstaan de belasting verschuldigd aan het andere land (in dezen: Aruba) over die bestanddelen van de verkrijging ter zake waarvan dat andere land mag heffen.

6.4. De inspecteur heeft de vermindering op de juiste wijze berekend. Het beroep is ongegrond.

7. Slotsom

7.1. Het beroep is ongegrond.

8. Proceskosten

8.1. Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.

9. Beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Aldus gedaan op 5 november 1998 door mr Matthijssen, raadsheer, als voorzitter, mr Lamens en mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier.

(J.L.M. Egberts)(T.J. Matthijssen)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 november 1998