Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1998:AA1342

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-06-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/21991
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zevende enkelvoudige belastingkamer

nr. 97/21991

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : *X

te : *Z

ambtenaar : de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren *P

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift tegen de aanslag in de

soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

jaar : 1994

mondelinge behandeling : op 19 mei 1998 te Arnhem door mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier

waarbij verschenen : belanghebbende alsmede de inspecteur voornoemd

gronden:

1. Belanghebbendes echtgenote heeft in oktober 1992 een herseninfarct gehad. Na ziekenhuisopname is zij behandeld in een revalidatiecentrum. Die behandeling heeft geduurd tot medio 1993. De rechterarm van belanghebbendes echtgenote is functioneel niet inzetbaar en haar loopprestaties zijn beperkt.

2. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende terecht aftrek wegens buitengewone lasten (uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit) verzoekt ter zake van afschrijving met betrekking tot een tandem (ƒ 775,–), kosten van aanpassing van de keuken (ƒ 840,–) en kosten van bezigheidstherapie (ƒ 500,–).

3. Een tandem behoort tot de normale vervoermiddelen die ook worden aangeschaft door personen die niet ziek en/of invalide zijn. De tandem vormt derhalve geen hulpmiddel in de zin van artikel 46, derde lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Hieraan doet niet af dat het tweede stuur van de tandem en het rechterpedaal voor een verhoudingsgewijs gering bedrag (ongeveer ƒ 160,–) zijn aangepast aan de ziekte/invaliditeit van belanghebbendes echtgenote.

De aan de tandem verbonden kosten (met inachtneming van vorenbedoelde aanpassingen) kunnen evenmin worden aangemerkt als een uitgave voor vervoer in de zin van vorengemelde wetsbepaling. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat voor het vervoer van belanghebbendes echtgenote uitgaven zijn gedaan die niet behoren tot het normale uitgavenpatroon van personen die niet ziek/invalide zijn maar overigens in een met belanghebbende en zijn echtgenote vergelijkbare positie verkeren.

4. De keukenaanpassing bestond uit het plaatsen van schuifladen in onderkasten van de in de keuken reeds aanwezige keukenblokken die deel uitmaakten van belanghebbendes woning. Bij de schuifladen gaat het derhalve niet om zaken die na de plaatsing zelfstandig bleven maar om aanpassing van een onderdeel van de woning zelf aan de ziekte/invaliditeit. Het betreft voorts niet een voorziening specifiek bestemd

voor gebruik door een zieke/invalide. Dit brengt mee dat geen sprake is van een uitgave in de zin van gemeld artikel 46, derde lid, onderdeel a.

5. Het door belanghebbende opgevoerde bedrag als kosten aan bezigheidstherapie van ƒ 500,– vormt een schatting van uitgaven aan personen en anderszins, bedoeld om zijn echtgenote in verband met haar geestelijk welzijn actief bezig te houden.

Nu het hier geen kosten betreft van een onder medische controle of medische begeleiding plaatsvindende therapie kunnen deze uitgaven niet worden aangemerkt als uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit in de zin van artikel 46, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

6. Belanghebbende heeft met betrekking tot de kosten van bezigheidstherapie nog aangevoerd dat deze post ook is opgevoerd over 1993 en dat de inspecteur toen geen bezwaar heeft gemaakt.

Voor zover belanghebbende hiermee beoogt een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel wordt dat beroep verworpen nu de inspecteur onweersproken heeft aangevoerd dat met betrekking tot 1993 geen buitengewone lasten in aftrek zijn toegelaten.

7. De inspecteur heeft de in geschil zijnde aftrek terecht geweigerd. Het beroep is ongegrond.

proceskosten:

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.

beslissing:

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 1998 te Arnhem door mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheer, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier,Het lid van de voormelde kamer,

(J.L.M. Egberts)(F.J.P.M. Haas)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 juni 1998