Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1998:AA1277

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-05-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Vijfde enkelvoudige belastingkamer

nr. 97/21965

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende : *X

te : *Z

ambtenaar : het hoofd van de afdeling Belastingen van de Publieksdienst van de gemeente *P

aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift

soort belasting : parkeerbelasting van de gemeente *P

aanslagnummer : *1

mondelinge behandeling : op 12 mei 1998 te Arnhem door mr Röben, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Den Ouden als griffier

waarbij verschenen : namens de ambtenaar, *A

waarbij niet verschenen : belanghebbende zonder kennisgeving aan het Hof hoewel overeenkomstig de wet opgeroepen bij aangetekende brief van 7 april 1998

Feiten:

Belanghebbende heeft op 23 augustus 1997 om 11.58 uur een auto van het merk *a, voorzien van het kenteken *aa, geparkeerd op de *a-dal in de gemeente *P op een plaats waar voor het parkeren van een voertuig parkeerbelasting moest worden voldaan met behulp van een parkeerautomaat. Op genoemd tijdstip was in de auto geen betaalbewijs van de door belanghebbende verschuldigde parkeerbelasting zichtbaar aanwezig.

Geschil:

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de ambtenaar bevestigend beantwoordt.

Gronden:

1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij de ter zake van de hiervóór vermelde gedraging verschuldigde parkeerbelasting heeft betaald, doch dat het desbetreffende betaalbewijs zich op het controle-tijdstip niet meer achter de voorruit – waar hij het aanvankelijk had geplaatst – bevond maar elders in de auto. Ter staving van dit standpunt heeft hij een afschrift van een op 23 augustus 1997 gedagtekende parkeerkaart overgelegd, waarop een parkeertijd is vermeld van 11.43 uur tot 12.32 uur.

2. De ambtenaar bestrijdt dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan, daartoe aanvoerend dat de parkeercontroleur, overeenkomstig het

beleid van de gemeente *P, het voertuig tijdens de controle op 23 augustus 1997 zorgvuldig heeft bekeken en daarin geen betaalbewijs van de parkeerbelasting heeft aangetroffen. Zulks is door deze parkeercontroleur aangetekend op het onderhavige aanslagbiljet.

3. Naar het oordeel van het Hof maakt belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de ambtenaar onvoldoende aannemelijk dat hij de ter zake van de onderhavige gedraging verschuldigde parkeerbelasting heeft betaald. Belanghebbendes eigen verklaring noch het door hem overgelegde afschrift van de parkeerkaart acht het Hof daartoe toereikend. In zoverre dient het beroep dan ook te worden verworpen.

4. Op het niet nakomen door de ambtenaar van de hoorplicht stelt de wet geen sanctie. Tevens merkt het Hof op dat schending van de in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde hoorplicht in geen geval ertoe leiden dat de zaak, na vernietiging van de uitspraak van de ambtenaar, naar de ambtenaar wordt terugverwezen ten einde deze in staat te stellen de belanghebbende alsnog te horen, aangezien een gerechtshof niet de bevoegdheid tot zodanige terugverwijzing heeft (HR 25 maart 1998, nr. 33 199, V.N. 1998, p. 1511). Mitsdien is het beroep ook in zoverre ongegrond.

Proceskosten:

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Beslissing:

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 1998 te Arnhem door mr Röben, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Den Ouden als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(R. den Ouden) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 juni 1998