Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1998:AA1248

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-08-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/21829
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/15.10 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zesde enkelvoudige belastingkamer

nummer 97/21829

U i t s p r a a k

op het beroep van *X te *Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1995 opgelegde navorderingaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De navorderingsaanslag, genummerd *0 en gedagtekend 8 augustus 1997, is berekend naar een belastbaar (en premie-)inkomen van f 124.771,- met een belastingvrije som van f 12.148,- volgens tariefgroep 3 en vermeldt een te betalen bedrag van f 33.082,-. Aan heffingsrente is f 311,- berekend.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 5 september 1997 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 30 september 1997, waarbij bijlagen 1 tot en met 15 zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren voorts het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 8 april 1998 te Arnhem zijn *de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur gehoord.

2.4. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende de inspecteur bij de mondelinge behandeling heeft gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt het hof zijn belastbaar inkomen over 1995 overeenkomstig de aangifte vast te stellen op f 63.391,-.

3.2. De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De vaststaande feiten

4.1. Belanghebbende, geboren in 1962, oefent in maatschapsverband met zijn vader *A, geboren in 1934, een rundveehouderij uit. De bedrijfsoppervlakte bedraagt ongeveer 35 hectare. Het melkquotum bedraagt ongeveer 575.000 kg. Belanghebbende berekent de winst over een boekjaar, lopende van 1 mei tot en met 30 april. De winstverdeling is 60% voor belanghebbende en 40% voor *A. Belanghebbende woont aan de *a-dijk 21 A te *Z, *A aan de *a-dijk 21.

4.2. Op 30 augustus 1993 heeft *A een koopovereenkomst gesloten (bijlage 8 bij het vertoogschrift) met buurman *B, geboren in 1920. De koop heeft betrekking op de boerderij, plaatselijk bekend als *a-dijk 20 te *Z. De boerderij bestaat uit:

a. het voormalige boerenwoonhuis met deel, bijbehorende schuur, semi-bungalow, bedrijfsgebouwen, ondergrond van deze opstallen, erf en uitweg, groot ongeveer 86 aren;

b. cultuurgrond (bouw- en weiland), ongeveer 20 hectaren, en bos, groot ongeveer 2 hectaren. De koopsom bedraagt f 1.350.000,-, gesplitst in f 250.000,- voor het onder a. omschrevene (inclusief roerende zaken) en f 1.100.000,- voor het onder b. omschrevene.

Inzake de notariële akte van levering is overeengekomen dat deze met betrekking tot de cultuur- en bosgrond op 1 februari 1994 zal worden verleden. De akte van levering met betrekking tot de overige - onder a. vermelde - onroerende zaken zal worden verleden binnen dertig dagen nadat Voorink een hem passende woning kan aanvaarden, doch niet voor 1 februari 1994, of zoveel eerder of later als partijen nader zullen overeenkomen. Voorts wordt het melkquotum van Voorink gekocht. Het betreft 203.605 kg voor f 850.000,-.

4.3. Op 28 april 1994 is belanghebbende en op 3 mei 1994 is *A een overeenkomst tot koop en verkoop aangegaan met *C. Het betreft de verkoop van de hiervoor onder a. vermelde semi-bungalow met erf, tuin en uitweg, groot ongeveer 35 aren (hierna: de bungalow). De koopsom bedraagt

f 315.000,-. Voorts worden roerende zaken overgedragen voor f 10.000,-.

4.4. Op 12 augustus 1994 (bijlage 9 bij het vertoogschrift) wordt de akte van levering gepasseerd tussen *B als verkoper en belanghebbende en *A als kopers inzake de hiervoor onder a. vermelde onroerende zaak. Belanghebbende en zijn vader treden bij deze gelegenheid op in hun hoedanigheid van maten van de tussen hen bestaande maatschap.

4.5. Eveneens op 12 augustus 1994 (bijlage 10 bij het vertoogschrift) wordt de akte van levering gepasseerd betreffende de door belanghebbende en *A aan *C doorverkochte bungalow. Ook bij deze gelegenheid treden belanghebbende en *A op in hun hoedanigheid van maten in de maatschap.

4.6. De aankoop van de onroerende zaken is als volgt in de jaarstukken van de maatschap verwerkt: boekjaar 1993/1994: activering op de maatschapsbalans van 20.00 hectare voor f 1.090.000,-. De 2 hectaren bosgrond zijn als privé-vermogen van belanghebbende en *A aangemerkt, elk voor f 5.000,-;

boekjaar 1994/1995: activering op de maatschapsbalans van 0.51.00 ha erf en landerijen *a-dijk 20 voor f 25.000,- en de schuren voor f 10.098,-. Als privémutatie wordt bij belanghebbende verwerkt: "resultaat woning *a-dijk 20 f 66.000,-". Bij *A vindt een overeenkomstige verwerking plaats voor een bedrag van f 44.000.-.

4.7. Het aandeel van de waarde van de van *B aangekochte bungalow in de totale overnamesom van f 1.350.000,- bedraagt, rekening houdend met de verwerking van de bedragen als onder 4.6. vermeld - afgerond - f 215.000,-.

4.7. De bungalow is niet in gebruik geweest bij de maatschap, doch - tot 12 augustus 1994 - zonder betaling van huur bewoond geweest door *B en zijn echtgenote. De cultuurgronden, het melkquotum en de overige opstallen zijn wel binnen de maatschap aangewend. In april 1994 heeft *B inmiddels een andere woning gekocht, maar door de noodzaak van een verbouwing is deze woning niet aanstonds te betrekken. Aanvankelijk is de verwachting dat de woning in juli 1994 kan worden betrokken. Een vertraging maakt dit eerst in augustus 1994 mogelijk.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of het met de verkoop van de bungalow behaalde voordeel tot het inkomen van belanghebbende behoort en, zo ja, of het aandeel van belanghebbende in het behaalde voordeel 60% van f 110.000,- of 60% van f 100.000,- bedraagt.

5.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

5.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd – zakelijk weergegeven –

5.3.1. door/namens belanghebbende:

5.3.1.1. Hij hoort de inspecteur ter zitting opmerken, dat - indien diens standpunt zou worden gevolgd dat de bungalow tot het verplichte ondernemingsvermogen dient te worden gerekend - de aanslag alsnog zou moeten worden aangepast in verband met de in dat geval alsnog op het bedrijfsresultaat in mindering te brengen kosten die samenhangen met de aankoop van de bungalow. Over de omvang van die kosten bestaat tussen de inspecteur en hem geen verschil van mening;

5.3.1.2. *B betaalde geen afzonderlijke huur. De huur voor de periode waarin *B en zijn echtgenote nog in de bungalow zouden blijven wonen was in het aankoopbedrag verdisconteerd. De gezondheidstoestand van het echtpaar noopte tot een verhuizing dichter bij het dorp. Einde augustus 1993 was nog onduidelijk op welke termijn de bungalow zou worden ontruimd. Het kon nog wel 10 tot 12 jaren duren, voordat *B en zijn echtgenote de bungalow zouden verlaten.

5.3.1.3. Een fikse winst voor belanghebbende bij verkoop van de bungalow lag wel in de verwachting.

5.3.2. en door de inspecteur:

5.3.2.1. Het betrof één koop, waarbij uitsluitend bedrijfsmatige overwegingen een rol hebben gespeeld.

5.3.2.2. Indien het hof zijn standpunt dat de bungalow tot het verplichte ondernemingsvermogen moet worden gerekend volgt, dienen de kosten die met de aankoop van de bungalow samenhangen en die belanghebbende privé voor zijn rekening heeft genomen alsnog op zijn inkomsten uit de verkoop in mindering te worden gebracht. Over de omvang van de kosten bestaat tussen belanghebbende en hem geen verschil van mening.

5.3.2.3. *B en zijn echtgenote hebben nimmer de bedoeling gehad om nog langdurig in de bungalow te blijven wonen.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. In het algemeen is het al dan niet behoren van enig vermogensbestanddeel tot het vermogen van een onderneming afhankelijk van de wil van de belastingplichtige zoals deze in zijn boekhouding of anderszins tot uitdrukking komt. Belanghebbende is in zijn keuze vrij binnen de grenzen van de redelijkheid.

6.2. Belanghebbende heeft de bungalow tot het privévermogen gerekend en alle kosten daarvan, inclusief aankoopkosten en eigenaarslasten tot zijn privé-uitgaven gerekend.

6.3. De vraag is vervolgens of belanghebbende bij het uitbrengen van die keuze binnen de grenzen der redelijkheid is gebleven. Nu belanghebbende de bungalow heeft verworven als onderdeel van de uitsluitend met het oog op de belangen van de maatschap aangekochte gehele boerenvoortvaring van *B (HR 26 maart 1969, BNB 1969/105; BNB 14 augustus 1985, BNB 1985/265) en ten tijde van de verwerving van de bungalow niet de verwachting bestond dat die binnen afzienbare tijd voor zelfbewoning zou worden aangewend (HR 4 maart 1992, BNB 1992/156), overschrijdt hij de grenzen der redelijkheid indien hij de bungalow tot het privévermogen rekent.

6.4. Het hof acht voor dit oordeel met name de volgende omstandigheden van belang:

- de aard van het bedrijf van belanghebbende en van de overgenomen roerende en onroerende zaken,

- de financiële rechten en verplichtingen die blijkens de akten van levering uit de aankoop en verkoop voor de maatschap zijn voortgevloeid,

- de bij de verkoop van de bungalow verwachte opbrengst,

- de omstandigheid, dat belanghebbende reeds over eigen woongelegenheid beschikte.

6.5. In het onder 6.3. gegeven oordeel wordt geen verandering gebracht door de omstandigheid dat de bungalow niet binnen de maatschap is gebruikt en evenmin door het feit dat blijkens de brief van 22 januari 1997 (bijlage 6 bij het beroepschrift) reeds op de dag van de aankoop van het geheel het voornemen bestond om - na het beschikbaar komen van een andere, passende woning voor de familie *B - de bungalow door te verkopen. De stelling dat de bungalow in de tussentijd als tijdelijke belegging in de privésfeer heeft gefunctioneerd heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. De bungalow is immers ter uitvoering van het bestaande voornemen tot verkoop reeds eind april/begin mei 1994 verkocht aan *C. Het gelijk is op dit punt aan de inspecteur.

6.5. De aankoop van het gehele complex van *B is geschied tegen een prijs van f 1.350.000,--. Door de maten is 2 hectaren bos ter waarde van f 10.000,-- in privé genomen. In de boeken is, volgens de bladzijden 32 en 34 van de jaarrekening 1994/1995, een bedrag van f 1.125.098,-- onder de activa opgenomen. Er resteert voor de bungalow met inrichting en toebehoren dan nog slechts f 215.000,--. Nu de verkoopprijs van de bungalow inclusief de roerende zaken f 325.000,-- bedraagt is de positieve opbrengst f 110.000,--. Die gehele opbrengst moet als winst worden beschouwd nu dat voordeel is behaald bij de verkoop van een tot het ondernemingsvermogen behorende onroerende zaak met de daarbij behorende roerende zaken.

7. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

8. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.

9. Beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Aldus gedaan te Arnhem op 28 augustus 1998 door mr Lamens, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van Wagener als griffier.

(N.Th. Wagener) (J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 augustus 1998