Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1998:AA1223

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-11-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/22319
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 97/22319

U i t s p r a a k

op het beroep van *X te *Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden navorderingsaanslag.

1. Navorderingsaanslag en bezwaar

Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1993 was aangeslagen naar een belastbaar (en premie-)inkomen van ƒ 31 417, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd genummerd *H37. Deze is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de inspecteur van 14 oktober 1997 gehandhaafd een, berekend naar een belastbaar (en premie-)inkomen van ƒ 92 295, met een verhoging van de nagevorderde belasting en premie van honderd percent, waarvan de inspecteur kwijtschelding heeft verleend tot op 50 percent ofwel ƒ 14 197. Aan hefWngsrente is ƒ 2 161 berekend.

2. Geding voor het hof

2.1. Het beroepschrift is met één bijlage ter grifWe ontvangen op 21 november 1997.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling op 6 augustus 1998 te Arnhem zijn gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote *X-Y, alsmede de inspecteur, bijgestaan door de aan haar eenheid verbonden controleambtenaar *A.

2.4. De notities van het pleidooi dat belanghebbende bij de mondelinge behandeling heeft gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt in beroep om vernietiging van de navorderingsaanslag.

3.2. De inspecteur concludeert tot bevestiging van haar uitspraak.

4. De vaststaande feiten

4.1. Belanghebbende, geboren in 1960 en van beroep rayonmanager, heeft voor het jaar 1993 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 31 417. De aangifte is samengesteld als volgt:

loon uit dienstbetrekking ƒ 70 120

af: aftrekbare kosten ƒ 1 578

ƒ 68 542

af: rente van schulden en

kosten van geldleningen ƒ 2 887

(totaalbedrag schulden op 31 december 1993 ƒ 32 441)

alimentatie ex-echtgenote ƒ 29 650

premies lijfrenten (oude regeling) ƒ 2 400

premies particuliere verzekeringen ƒ 2 188

ƒ 37 125

ƒ 31 417

4.2. De aanslag is, met dagtekening 31 augustus 1994, overeenkomstig de aangifte vastgesteld.

4.3. Op 26 april 1990 heeft belanghebbende een BTW-nummer aangevraagd op naam van *B.

4.4. Op 14 maart 1995 heeft de inspecteur een opdracht tot een zogenoemde veldtoetsing gegeven. Het ter zake opgemaakte formulier vermeldt als reden ‘onderneming´ Geen jaarstukken, wel (grote) teruggaven OB / door de jaren heen / beoordelen op juistheid / tevens beoordelen de aftrekposten 2B’. De opdracht betreft zowel de omzetbelasting als de inkomstenbelasting over de jaren 1991 tot en met 1994.

4.5. Ter zake van het gehouden boekenonderzoek is een rapport opgemaakt, gedateerd 23 mei 1996, waarvan een afschrift tot de stukken van het geding behoort. Blijkens het rapport is onderzocht de juistheid van de aangiften inkomstenbelasting 1990 tot en met 1994 en van de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 1991 tot en met 31 december 1994.

4.6. In het desbetreffende rapport is onder meer het volgende opgenomen:

1.1. Activiteiten

De activiteiten van belastingplichtige bestonden uit het bemachtigen van *a produkten in opdracht van buitenlandse opdrachtgevers. Belastingplichtige kreeg telkens de opdracht om bepaalde speciWeke produkten aan te schaffen. De opdrachtgevers gebruikten deze produkten voor onderzoek en ontwikkeling van eigen produkten.

Speciaal voor deze activiteiten heeft belastingplichtige een bankrekening geopend bij de *C-bank. Op deze rekening werden door de opdrachtgevers voorschotten gestort, waarmee de aankopen en overige kosten werden geWnancierd. Volgens belastingplichtige was ook één van de opdrachtgevers gemachtigd om deze rekening te gebruiken. Welke opdrachtgever dit was is tijdens het boekenonderzoek niet duidelijk geworden.

Voor het verrichten van bovenstaande activiteiten declareerde belastingplichtige urenvergoedingen bij de verschillende opdrachtgevers (zie verder paragraaf 2.1.)

De activiteiten werden verricht onder de handelsnaam *B. Met ingang van 31–12–1994 zijn alle bedrijfsactiviteiten gestaakt door belastingplichtige.

1.2. Administratie

De op het huisadres van belastingplichtige aangetroffen administratie is zeer beperkt van opzet. Belastingplichtige heeft overzichten gemaakt betreffende de gefactureerde en ontvangen uurvergoedingen over de jaren 1990 t/m 1994. Overigens zijn geen administratieve vastleggingen aangetroffen.

(enz.)

1.3. Ondernemerschap

Voor de inkomstenbelasting kan belastingplichtige uitsluitend als ondernemer worden beschouwd als hij met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt met als oogmerk het behalen van winst, die redelijkerwijs ook te verwachten is. Of er sprake is van een onderneming hangt af van de feitelijke omstandigheden.

Op basis van de volgende feiten en omstandigheden kom ik tot de conclusie dat belastingplichtige geen ondernemer is in de zin van de Wet op de Inkomstenbelasting:

• Belastingplichtige heeft slechts een beperkt aantal klanten;

• De duurzaamheid en de omvang van de activiteiten zijn minimaal. In de jaren 1990 t/m 1994 heeft belastingplichtige respectievelijk 13, 44, 101, 183 en 293 uren besteed aan deze werkzaamheden;

• Belastingplichtige heeft geen investeringen gedaan ten behoeve van de hier bedoelde activiteiten;

• Belastingplichtige loopt geen ondernemersrisico. Alle gemaakte kosten zijn vooruit betaald door de opdrachtgevers (m.u.v. de uurvergoedingen). Hiertoe is een bankrekening geopend welke belastingplichtige kon gebruiken voor het betalen van voorkomende kosten.

• Belastingplichtige kreeg telkens speciWeke opdrachten om bepaalde produkten aan te schaffen en ter beschikking van de opdrachtgever te stellen. Belastingplichtige ondernam geen activiteiten uit eigen beweging. Slechts op verzoek van de opdrachtgevers ging hij over tot het verrichten van werkzaamheden. De ontvangen vergoedingen voor deze activiteiten zijn gebaseerd op de werkelijk gewerkte uren.

2. Inkomstenbelasting

2.1. Ontvangen uurvergoedingen

De belastingplichtige heeft in de jaren 1990 t/m 1994 vergoedingen ontvangen voor de verrichte werkzaamheden zoals beschreven in paragraaf 1.1..

De ontvangen uurvergoedingen bedragen:

1990 ƒ 1.131

1991 - 2.533

1992 - 5.268

1993 - 17.907

1994 - 26.145

Deze ontvangen uurvergoedingen zijn aan te merken als andere inkomsten uit arbeid. Belastingplichtige heeft deze vergoedingen echter niet aangegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen 1990 t/m 1994. Dit is onjuist.

(enz.)

2.2. Teruggaven Omzetbelasting

De teruggaven Omzetbelasting werden door de Belastingdienst niet gestort op de zakelijke bankrekening bij de *C-bank. Deze werden gestort op een privé-rekening van belastingplichtige (*D-bank nr. 1). Deze teruggaven Omzetbelasting dienen ten gunste te komen aan de buitenlandse opdrachtgevers. Volgens belastingplichtige werden de teruggaven inderdaad aan de verschillende opdrachtgevers doorbetaald. Uit een derdenonderzoek bij *de D-bank is echter niet gebleken dat de bedragen ten gunste zijn gekomen aan de buitenlandse opdrachtgevers.

Uit het bovenstaande concludeer ik dat belastingplichtige de teruggaven in zijn privé-vermogen heeft laten vloeien. Blijkbaar is het de bedoeling van partijen geweest om deze bedragen te beschouwen als een extra beloning voor de belastingplichtige inzake de verrichte werkzaamheden. Deze bedragen dienen daarom als andere inkomsten uit arbeid te worden aangemerkt.

Het gaat om de volgende bedragen:

1991 ƒ 3 964

1992 - 9 460

1993 - 14 764

1994 - 25 226

4.7. Door tussenkomst van het Centraal Budgetterings Instituut te Lelystad (hierna CBI) zijn in/omstreeks maart 1993 belanghebbendes schulden ten belope van ruim ƒ 50 600 gesaneerd met behulp van een lening van de Gemeentelijke Kredietbank te *Q. Deze lening (citaat uit het rapport)

‘groot ƒ 40 000 (excl. rente) dient in 36 termijnen te worden afgelost. Het totaal te betalen bedrag komt uit op ƒ 48 661,20. Het verschil ad ƒ 8 661,20 is de in rekening gebrachte rente. De laatste betaling zal plaatsvinden in maart 1996. Hieruit volgt dat de lening loopt van april 1993 tot en met maart 1996.

Uitgaande van deze informatie bereken ik de jaarlijkse aflossing, de betaalde rente en de restantschuld als volgt:

JAAR TERMIJNEN TOTAAL AFLOSS. / RENTE RESTANT

1993 9 maanden * ƒ 1 351,70 ƒ 12 165,30 ƒ 10.000,00 ƒ 2 165,30 ƒ 36 495,90

1994 12 maanden * ƒ 1 351,70 - 16 220,40 - 13 333,33 - 2 887,07 - 20 275,50

1995 12 maanden * ƒ 1 351,70 - 16 220,40 - 13 333,33 - 2 887,07 - 4 055,10

1996 3 maanden * ƒ 1 351,70 - 4 055,10 - 3 333,33 - 721,77 - 0

Totalen ƒ 48 661,20 ƒ 40 000,00 ƒ 8 662,20

De in aftrek gebrachte rente sluit echter niet met de door mij berekende betaalde rente:

jaar vlg. aangifte werkelijk verschil

1993 ƒ 2.887 ƒ 2 165 ƒ 722

1994 4 968 - 2 887 - 2 081’.

4.8. In het rapport is voorts aandacht besteed aan de door belanghebbende in de aangiften over 1993 en 1994 in aftrek gebrachte bedragen ter zake van alimentatie en de daarin genoemde bedragen aan schulden. De ambtenaar concludeert tot niet-aftrekbaarheid van de als alimentatie in aftrek gebrachte bedragen en het met betrekking tot het onderhavige jaar tot navordering van voor die jaren onder 4.6 onderdelen 2.1 en 2.2 en onder 4.7 in kolom “verschil” genoemde bedragen, alsmede het bedrag van de in aftrek gebrachte alimentatie, onder toepassing van een verhoging en kwijtschelding ervan tot op 50%. Voor de toepassing van de verhoging heeft de inspecteur redengevend geacht dat belanghebbende opzettelijk de onderhavige aangifte naar een te laag bedrag heeft gedaan.

4.9. Tussen belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote is op 31 december 1992 echtscheiding uitgesproken. De betrokkenen hebben de financiële gevolgen van hun echtscheiding geregeld in een convenant, op 31 december 1992 door hen ondertekend, welk stuk het briefhoofd van het advocatenkantoor * draagt.

Het convenant bevat het volgende:

De ondergetekenden:

*E, wonende te *Z, hierna te noemen “de vrouw”,

en

*X, wonende te *Z, hierna te noemen “de man”;

NEMEN IN AANMERKING DAT:

a. Zij op 11 augustus 1989 te *Z met elkaar zijn gehuwd op huwelijksvoorwaarden;

b. Zij beiden van oordeel zijn dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht en zij voornemens zijn hun huwelijk op die grond door echtscheiding te doen ontbinden;

c. Zij de gevolgen van de tussen hen tot stand te brengen echtscheiding hebben geregeld,

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

Artikel 1 – Levensonderhoud

1.1 Partijen doen over en weer afstand van hun recht om nu en/of in de toekomst alimentatie van de andere partij te vorderen of te verzoeken.

1.2 Deze overeenkomst kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden (behoudens het bepaalde in artikel 159 lid 3 Boek I BW).

Artikel 2 – De echtelijke woning

2.1 Het huurrecht van de echtelijke woning aan de *b-weg 35-34 te *Z wordt aan de vrouw toegedeeld. Met betrekking tot de maandelijkse huurtermijnen zijn partijen tot de volgende afspraak gekomen: zowel de man als de vrouw zullen tot 1 juli 1993 ieder de helft van de maandelijks verschuldigde huurpenningen, te weten ƒ 648,–, voor hun rekening nemen.

Artikel 3 – Scheiding en deling

3.1 De aan beide partijen genoegzaam bekend inboedelgoederen worden in onderling overleg verdeeld.

3.2 Beide partijen hebben pensioenrechten opgebouwd, beide partijen doen over en weer afstand van het gedeelte van de bij de ander opgebouwde pensioenrechten, met uitzondering van de aan hen volgens de wet toekomende gedeelten bijzonder weduwen- c.q. weduwnaarspensioen.

3.3 Belastingaanslagen berekend over de periode tot de rechterlijke uitspraak betreffende de echtscheiding zullen worden voldaan door de man. Belastingrestituties berekend over genoemde periode zullen evenredig over beide partijen verdeeld worden.

3.4 Alle schulden, ook belastingschulden, aangegaan na resp. daterend van na datum echtscheidingsvonnis, zijn en blijven ten laste van degene van partijen die de betreffende schuld heeft aangegaan resp. wie deze betreffen.

3.5 Aan de vrouw zal de helft van de in december 1992 door de man te ontvangen eindejaarsuitkering/bonus 1992 van zijn huidige werkgever voldaan worden.

3.6 Partijen verklaren over en weer elkaar te zullen vrijwaren, indien de ene partij wordt aangesproken tot voldoening van een schuld, welke ingevolge deze overeenkomst ten laste van de andere partij komt.

3.7 Partijen verklaren met inachtneming van bovenstaande bepalingen terzake van de boedelscheiding niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar over en weer terzake finale kwijting te verlenen.

Onder opschortende voorwaarde dat tussen hen echtscheiding tot stand zal komen, verklaren partijen dat zij, met inachtneming van het in deze overeenkomst bepaalde, het tussen hen bestaande huwelijksgoederenregime geheel tot wederzijds genoegen hebben afgewikkeld, dat zij terzake niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar over en weer finale kwijting verlenen.

4.10. Met de hand en niet gedateerd zijn aan het convenant een tweetal bepalingen toegevoegd, en wel aan

artikel 1.1: Met uitzondering voor de schuldenlast, deze zullen door *X betaald worden, i.p.v. alimentatie.

artikel 2.1: In onderling overleg en met beider goedachten besloten om de bijdrage in de huur te bepalen op fl. 240,= per maand, tot 1 juli 1993.

Aan de voet van de laatste toevoeging is een “Accoord” van belanghebbende opgenomen, aan het begin van artikel 2.1 een accoord van de ex-echtgenote.

4.11. De inspecteur heeft bij het CBI inlichtingen ingewonnen naar de aard en de tenaamstelling van de gesaneerde schulden. Zijn brief van * maart 1998 aan een functionaris van het CBI luidt – voor zover van belang – als volgt:

Naar aanleiding van ons gesprek gisterenmiddag hierbij een verslag van wat wij hebben besproken.

Wij hebben gesproken over het saneringskrediet van uw cliënt, dhr. *X te *Z. Naar aanleiding van een lijst met schuldeisers en een verslag van het intake-gesprek zijn wij nagegaan wat de herkomst van de diverse schulden was:

Naam schuldeiser bedrag na sanering herkomst van de schuld

*F-1 ƒ 3 689,09 leverancier *a bedrijf *X

*F-2 „ 522,93 ziektekostenverzekering *X

*F-3 „ 2 635,44 computer

*F-4 „ 19 687,81 terugvordering deel salaris ex-

werkgever *X

*F-5 ƒ 3 941,79

*F-6 „ 566,64 tandartsrekening op naam *X

*F-7 „ 2 105,14 rekening op naam *B

*F-8 „ 5 175,11 Advertentie i.v.m. start bedrijf *X

*F-9 „ 1 676,05 expeditiebedrijf, rekening op naam *B.

Alle schulden staan op naam van dhr. *X. Dhr. *X was buiten huwelijkse voorwaarden gehuwd. Dhr. en mw. *X hebben aan u verklaard geen beroep te doen op alimentatie over- en weer. Op grond van deze feiten is er een terugbetalingsregeling getroffen met enkel dhr. *X.

4.12. De navorderingsaanslag is met dagtekening 10 juni 1997 opgelegd, onder toepassing van een verhoging en van kwijtschelding als voormeld naar een belastbaar inkomen van ƒ 92 295, als volgt berekend:

belastbaar inkomen (primitieve aanslag) ƒ 31 417,–

uurvergoedingen ƒ 17 907,–

teruggaven omzetbelasting ƒ 14 764,–

geen alimentatie ƒ 29 650,–

ƒ 93 738,–

af: meer rente aftrek ƒ 1 443,–

ƒ 92 295,–.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of de inspecteur terecht

5.1.1. de bedragen van (a) ƒ 17 907 en (b) ƒ 14 764 tot belanghebbendes inkomsten heeft gerekend, en

5.1.2. het bedrag van ƒ 29 650 niet als aftrekbare uitkering ter zake van alimentatie heeft gerekend.

5.2. Belanghebbende beantwoordt de vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend, daartoe aanvoerend wat is vermeld in de van elk van hen afkomstige stukken.

5.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd – zakelijk weergegeven –

5.3.1. door belanghebbende:

5.3.1.1. De aanvullingen op het convenant zijn in aanwezigheid en met goedvinden van de advocaat op het convenant geplaatst.

5.3.1.2. Hij heeft op 13 september 1995 kopieën gefaxt; over de originele exemplaren beschikte hij niet meer.

5.3.2. en door de inspecteur:

5.3.2.1. Belanghebbende heeft tijdens het boekenonderzoek de controlerend ambtenaar een map met gegevens laten zien. Van die gegevens, waaronder gedeclareerde uren, heeft hij aantekeningen gemaakt. Hij toont het hof die aantekeningen betreffende over 1993 en 1994 gedeclareerde uren.

5.3.2.2. Belanghebbende heeft het nummer van zijn zakelijke bankrekening de belastingdienst niet verstrekt.

5.3.2.3. De controlerend ambtenaar heeft belanghebbende op 20 mei 1996 medegedeeld geen enkele aanwijzing te hebben dat belanghebbende destijds zijn administratie had afgegeven.

5.3.2.4. Het is onaannemelijk dat in een echtscheidingsconvenant geldige wijzigingen of aanvullingen worden aangebracht, zonder dat beide partijen die nadrukkelijk goedkeuren.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Ten aanzien van de bewijslastverdeling:

6.1.1. Tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling van de bewijslast leiden, brengt een redelijke verdeling ervan mee dat de inspecteur het bewijs levert voor de juistheid van de onder 5.1.1, (a), vermelde correctie en de belanghebbende voor de juistheid van de beide andere.

6.1.2. Belanghebbende stelt dat hij belemmerd is in zijn bewijsvoering omdat hij zijn administratie op advies van de inspecteur bij deze op 4 januari 1995 heeft ingeleverd en de administratie aldaar in het ongerede is geraakt. Indien deze stelling als juist kan worden aanvaard, kan daarin een reden liggen om ten aanzien van alle drie de correcties de levering van het bewijs bij de inspecteur te leggen. Het hof zal derhalve eerst die stelling behandelen.

6.1.3. De inspecteur heeft gemotiveerd ontkend dat op zijn verzoek, dan wel advies belanghebbende zijn administratie over de jaren 1990 tot en met 1994 op 4 januari 1995 ten belastingkantore heeft afgegeven. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat het hoogst ongebruikelijk is dat een belastingplichtige zijn administratie aflevert op de eenheid buiten een concrete aanleiding om zoals een lopend boekenonderzoek en dat daarvan evenwel geen sprake was omdat een controleopdracht eerst op 14 maart 1995 is gegeven. Voorts heeft hij onweersproken gesteld dat belanghebbende niet kan zeggen aan wie hij zijn administratie heeft overhandigd en evenmin een ontvangstbevestiging kan tonen.

6.1.4. Op grond van het vorenoverwogene, in onderling verband beschouwd acht het hof de stelling van belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

6.1.5. Dit brengt met zich mee dat het hof geen reden aanwezig oordeelt om de hiervoor onder 6.1.1 vermelde normale bewijslastverdeling in dit geschil niet toe te passen.

6.2. Ten aanzien van onderdeel (a) van de onder 5.1.1, geformuleerde vraag:

6.2.1. Belanghebbende erkent, onder meer in zijn pleitnotities, dat hij bij zijn buitenlandse afnemers de door hem gewerkte uren ten behoeve van de door hen gegeven opdrachten heeft gedeclareerd, maar hij heeft gesteld dat hij ter zake geen enkel bedrag heeft ontvangen. Ter zitting heeft *A voornoemd verklaard dat belanghebbende tijdens het onderzoek de gegevens betreffende gewerkte uren en gedeclareerde bedragen voorhanden had en dat hij – *A – die gegevens betreffende de jaren 1993 en 1994 bij die gelegenheid in zijn kladnotities heeft overgenomen.

6.2.2. Uit belanghebbendes brief aan de inspecteur van 24 februari 1997 (bijlage 15 bij het vertoogschrift) blijkt dat *G SpA belanghebbendes belangrijkste afnemer is geweest. Het is onaannemelijk dat belanghebbende eenvoudigweg gedurende lange tijd erin berust zou hebben dat deze blijkbaar belangrijke debiteur declaraties niet betaalde en belanghebbende daarin geen reden zag zijn werkzaamheden voor deze opdrachtgever te staken.

6.2.3. Het moet er derhalve, bij gebreke aan aanwijzingen in een andere richting, voor worden gehouden dat belanghebbende de gedeclareerde bedragen ook daadwerkelijk heeft ontvangen.

6.3. Ten aanzien van onderdeel (b) van de onder 5.1.1 geformuleerde vraag:

6.3.1. Het ligt op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat hij de aan de buitenlandse afnemers door te betalen omzetbelasting ook daadwerkelijk heeft doorbetaald. Belanghebbende heeft ter zake geen enkel bewijs aangevoerd.

6.3.2. Belanghebbende heeft voorts uitdrukkelijk verklaard niet de door te betalen omzetbelasting te hebben gecompenseerd met de door hem gestelde niet ontvangen uurvergoedingen.

6.3.3. Aangenomen moet dan ook worden dat belanghebbende de desbetreffende gedeclareerde bedragen ook daadwerkelijk heeft ontvangen.

6.4. Ten aanzien van de onder 5.1.2 geformuleerde vraag:

6.4.1. De Wnanciële gevolgen van de voorgenomen echtscheiding zijn door de betrokkenen onder toezicht van een advocaat geregeld en in een convenant neergelegd.

6.4.2. In dit convenant is in artikel 1 uitdrukkelijk geregeld dat de betrokkenen nu en voor de toekomst, behoudens het geval voorzien in artikel 159, lid 3, BW, over en weer afzien van enige alimentatie.

6.4.3. De met de hand aangebrachte aanvulling op artikel 1.1 is niet door de ex-echtgenote voor akkoord verklaard, dit in tegenstelling tot de bij artikel 2 aangebrachte aanvulling. De inspecteur heeft voorts alleszins aannemelijk gemaakt dat de ex-echtgenote voor het leeuwendeel van de desbetreffende schulden, als zijnde zakelijke schulden van belanghebbende, civielrechtelijk niet aansprakelijk was en er voor de voormalige echtgenote dan ook geen enkele reden was de afbetaling van die schulden door belanghebbende als een alimentatiebetaling door belanghebbende aan haar te willen beschouwen.

6.4.4. Belanghebbendes stelling dat de afbetaling van de desbetreffende schulden moet worden aangemerkt als een betaling ter zake van alimentatie, moet dan ook worden verworpen.

6.5. De inspecteur heeft voor het onderhavige jaar een bedrag aan betaalde rente in aftrek toegelaten van ƒ 2 887 + ƒ 1 443 = ƒ 4 330. Belanghebbende heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat dit bedrag te laag is.

7. Slotsom

Het beroep is niet gegrond.

8. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.

9. Beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Aldus gedaan te Arnhem op 23 november 1998 door de raadsheren mr N.E. Haas, als voorzitter, mr Matthijssen en mr drs F.J.P.M. Haas, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 november 1998