Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1998:AA1217

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-11-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/20586
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/17.8 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

zesde enkelvoudige belastingkamer

nummer 97/20586

U I T S P R A A K

op het beroep van *X te *Z, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P betreffende na te melden aan hem over het jaar 1993 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en het kwijtscheldingsbesluit.

1. Aanslag, navorderingsaanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volkverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 131.969,--.

1.2. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 135.739,--, met een verhoging van 100 percent van de nagevorderde belasting, welke verhoging bij besluit van de Inspecteur

tot op 25 percent is kwijtgescholden. Deze aanslag en het kwijtscheldingsbesluit zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 oktober 1998 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord *de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende heeft de woning aan de *a-laan 4 te *Z op 1 oktober 1986 gekocht voor een waarde van ƒ 150.000,––.

2.2. In de aangiften voor de jaren 1987 tot en met 1993 is belanghebbende

voor de toepassing van het huurwaardeforfait steeds uitgegaan van een waarde in bewoonde staat van ƒ 90.000,-- (60% x ƒ 150.000,--).

2.3. Belanghebbende ontving in 1994 een op 28 februari 1994 gedagtekende aanslag in de onroerende-zaakbelastingen. De waarde van de woning is daarin per de peildatum 1 januari 1992 gesteld op ƒ 368.000,--. Hij heeft deze aanslag niet in rechte bestreden.

2.4. Belanghebbende heeft het aangiftebiljet 1993 op 2 november 1994 ingediend en daarin voor toepassing van het huurwaardeforfait opnieuw de waarde in bewoonde staat gesteld op ƒ 90.000,--.

2.5. Het aangiftebiljet 1993 is begin januari 1995 door de Inspecteur beoordeeld. In het dossier bevond zich slechts een aantekening over de koopprijs uit 1986. De Inspecteur heeft aan de hand van publicaties van de Nederlandse Vereniging voor Makelaars de waarde bewoond per 1 januari 1993 gesteld op ƒ 117.600,-- (60% x ƒ 196.000,--).

2.6. In verband met deze voorgenomen correctie heeft de Inspecteur op 6 januari 1995 telefonisch kontakt opgenomen met de gemachtigde van belanghebbende. De Inspecteur heeft -naar door hem onweersproken is gesteld- in dat gesprek aangegeven dat de correctie gebaseerd was op de aankoopsom gecorrigeerd met een algemeen landelijk waarderingspercentage. In dat gesprek is door de gemachtigde geen mededeling gedaan van de hogere waarde OZB. De gemachtigde is met de correctie akkoord gegaan en heeft belanghebbende daarover blijkens een notitie van het op 6 januari 1995 gevoerde telefoongesprek een brief gestuurd. Belanghebbende heeft de Inspecteur niet geïnformeerd over de hogere OZB-waarde.

2.7. Op 22 november 1996 is belanghebbendes aangiftebiljet 1994 beoordeeld. De Inspecteur heeft toen in het dossier aangetroffen een ongedagtekend renseignement van de Belastingdienst Registratie en Successie *Q over belanghebbendes woning. Uit dit renseignement volgt dat de waarde vrij van die woning is bepaald op ƒ 368.000,-- en de waarde bewoond op ƒ 220.800,--.

2.8. De Inspecteur heeft naar aanleiding van dit renseignement de bestreden navorderingsaanslag opgelegd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

-Staat het vertrouwensbeginsel aan het opleggen van de navorderingsaanslag in de weg ?

-Zo nee, is er dan sprake van een navordering verhinderend ambtelijk verzuim ?

-Indien ambtelijk verzuim navordering verhindert kan dan worden gezegd dat belanghebbende te kwader trouw is geweest ?

-Indien belanghebbende te kwader trouw is of ambtelijk verzuim ontbreekt is er dan sprake van grove schuld ?

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. De Inspecteur heeft daaraan ter zitting toegevoegd:

De aanslag 1994 is geregeld op 22 november 1996. Eerst toen heeft de aanslagregelend ambtenaar het renseignement in het dossier aangetroffen. Bij de regeling van de aanslag 1993 moet dit renseignement nog niet ter inspectie aanwezig zijn geweest. Er kan niet worden nagegaan van welke datum het renseignement is. In die tijd werden renseignementen niet gedateerd en ook niet voorzien van een datum van binnenkomst.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de navorderingsaanslag en de na kwijtschelding opgelegde verhoging tot op nihil. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

Vertrouwensbeginsel

4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij aan de hiervoor onder 2.5. en 2.6. beschreven gang van zaken het in rechte te eerbiedigen vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de Inspecteur de hoogte van het huurwaardeforfait heeft beoordeeld en verbindt daaraan de conclusie dat dit opgewekte vertrouwen aan het opleggen van een navorderingsaanslag in de weg staat.

4.2. Het Hof zal belanghebbende in dat standpunt niet volgen. Belanghebbende was begin januari 1995 toen het telefoongesprek met de Inspecteur plaatsvond op de hoogte van het feit dat de hiervoor onder 2.3. genoemde aanslag onroerende-zaakbelasting naar de peildatum 1 januari 1992 een aanzienlijk hogere waarde aangaf.

4.3. De Inspecteur heeft gesteld dat bij de regeling van de aanslag over het jaar 1993 het renseignement niet aanwezig was en dat hij ook anderszins niet op de hoogte was van de hogere waarde. Belanghebbende heeft zijn stelling dat de inspecteur vóór het opleggen van de primitieve aanslagen inkomstenbelasting 1992 en 1993 reeds over het renseignement beschikte, tegenover de betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt.

4.4. De Inspecteur heeft klaarblijkelijk getwijfeld aan de door belanghebbende opgegeven waarde en heeft, bij gebreke van nadere gegevens, aan de hand van externe gegevens een actuele waarde bepaald. Het ligt slechts op de weg van de Inspecteur om nader onderzoek te doen bij de eenheid der Registratie & Successie naar de waarde van het betrokken pand als het voorhanden zijn van een waardering bij deze eenheid voor een aanzienlijk deel van het woningbestand regel is. Dit is evenwel niet gesteld of anderszins gebleken.

4.5. De Inspecteur was in de gegeven omstandigheden evenmin gehouden de in de aangifte vermelde waarde van de woning aan de hand van door hem op te vragen OZB-aanslagen te verifiëren. Overigens heeft als uitgangspunt te gelden, dat de Inspecteur in beginsel van de juistheid van de door de belastingplichtige in de aangifte opgenomen gegevens mag uitgaan.

4.6. De Inspecteur beschikte derhalve op het moment waarop hij de actuele waarde bepaalde over niet meer gegevens dan een aantekening in het dossier over de aankoopprijs van belanghebbendes woning.

4.7. (De gemachtigde van) Belanghebbende heeft uit het telefoongesprek in januari redelijkerwijs moeten begrijpen dat de Inspecteur zijn correctie baseerde op onvolledige gegevens. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat bij belanghebbende het vertrouwen is gewekt dat de Inspecteur zijn beslissing omtrent de waarde van belanghebbendes woning heeft genomen in de wetenschap dat die waarde voor de onroerende-zaakbelasting hoger was vastgesteld. Indien belanghebbende aan de beschreven gang van zaken -hoewel niet gewekt- voormeld vertrouwen heeft ontleend verdient dit vertrouwen in rechte geen bescherming. Op belanghebbende rust de rechtsplicht om onder die omstandigheden de Inspecteur te wijzen op de hogere, niet bestreden, OZB-waarde.

Nieuw feit

4.8. Gelet op het hiervoor onder 4.3. en 4.4. overwogene kan niet worden gezegd dat sprake is van ambtelijk verzuim. Eerst bij de regeling van de

aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994

heeft de Inspecteur kennis kunnen nemen van het renseignement. Dit renseignement vormt het nieuwe feit dat navordering in dit geval mogelijk maakt.

Grove schuld en kwijtschelding

4.9. Belanghebbende heeft, terwijl hij wist of moest weten dat de waarde van zijn woning aanzienlijk hoger was en besefte althans moest beseffen dat de Inspecteur daarvan niet op de hoogte was, deze in de waan gelaten dat de gecorrigeerde waarde overeenstemde met de waarde in het economische verkeer. Onder die omstandigheden is het aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven. De administratieve boete is derhalve terecht opgelegd. Het Hof acht een resterende boete van 25%

in dit geval passend en geboden.

Conclusie

4.10. De overige geschilpunten behoeven geen behandeling meer. De uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan te Arnhem op 11 november 1998 door mr. Lamens, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van N.Th. Wagener als griffier.

(N.Th. Wagener) (J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 november 1998