Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1998:AA1163

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-02-1998
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
M 96/4094
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

IV

GERECHTSHOF ARNHEM

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nr. M 96/4094

-----------------------------------

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

-----------------------------------

belanghebbende: *X

te: *Z

ambtenaar: inspecteur van de Belastingdienst/

Centraal bureau motorrijtuigen-

belasting te Apeldoorn

aangevallen beslissing: uitspraak op bezwaar d.d.

30 augustus 1996

naheffingsaanslagnummer: *

dagtekening aanslagbiljet: 12 juni 1996

soort belasting: motorrijtuigenbelasting

tijdvak: 29 februari tot en met 29 mei 1996

mondelinge behandeling: op 19 januari 1998 te Arnhem

waarbij verschenen: de inspecteur voornoemd

waarbij niet verschenen: belanghebbende hoewel opgeroepen bij aangetekende brief van 16 december 1997, welke is verzonden aan het in het beroepschrift opgegeven adres.

Gronden:

1. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn van zes weken is ontvangen (artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht).

2. Het aanslagbiljet, waarbij de onderhavige naheffingsaanslag ter kennis van belanghebbende is gebracht, is gedagtekend 13 juni 1996. Het bezwaarschrift is gedagtekend 4 augustus 1996 en blijkens de daarop gestelde aantekening bij de inspecteur ingekomen op 6 augustus 1996.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de bezwaartermijn is overschreden.

3. Nu niet is gebleken dat zich een geval voordoet waarin redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, heeft de inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

( ten overvloede overweegt het hof)

4. De inspecteur heeft ter zake van het motorrijtuig met kenteken * voor het tijdvak 29 februari tot en met 29 mei 1996 een uitnodiging tot betaling (vervolgaangifte) van de verschuldigde belasting ad f 200,- aan belanghebbende toegezonden met daarop

29 maart 1996 als uiterste betaaldatum. Dagtekening van de uitnodiging tot betaling was: 28 februari 1996.

5. Omdat belanghebbende op de laatstgenoemde datum de verschuldigde belasting niet had voldoen is met dagtekening 12 juni 1996 een naheffingsaanslag, met nummer *, over voormeld tijdvak vastgesteld ten bedrage van f 200,- met een verhoging van f 200,-.

6. Omdat belanghebbende het bedrag van f 200,- te laat maar voor de vaststelling van de naheffingsaanslag had voldaan, heeft de inspecteur:

a. voormelde naheffingsaanslag bij beschikking van 17 juni 1996 vernietigd, en

b. met dagtekening 13 juni 1996, met toepassing van artikel 37, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 ( hierna: de wet) juncto artikel 22 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de thans bestreden naheffingsaanslag, met nummer *, bestaande uit enkel een verhoging van

f 200,- vastgesteld.

7. De naheffingsaanslag van 2 augustus 1996 waarover belanghebbende in het beroepschrift spreekt is geen naheffingsaanslag, maar een aanmaning ter zake van de naheffingsaanslag met nummer

*, welke naheffingsaanslag reeds bij beschikking van 17 juni 1996 was vernietigd.

8. Ter zitting heeft de inspecteur meegedeeld, dat in dit geval sprake is van een vierde verzuim van belanghebbende met betrekking tot het tijdig voldoen van de belasting.

9. De in geschil zijnde naheffingsaanslag stoelt, zoals reeds opgemerkt, op artikel 37, aanhef en onderdeel c, van de wet.

De tekst van artikel 37 van de wet - voorzover van belang -

luidt:

In afwijking in zoverre van de artikelen 21 en 22 van de

Algemene wet inzake rijksbelastingen bedraagt de verhoging

van de belasting bij naheffing

a. (enz),

b. (enz),

c. in overige gevallen f 250,-.

10. Artikel 37, onderdeel c, van de wet ziet op te late betaling van belasting die op aangifte moet worden voldaan.

Het bedrag van de verhoging beloopt in afwijking van artikel

22 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ten hoogste

f 250,-.

11. De inspecteur heeft ter zitting, desgevraagd door het hof, over het door hem gehanteerde kwijtscheldingsbeleid bij te late betalingen, onder verwijzing naar de toelichting op het biljet waarmee naheffingsaanslagen ter kennis van belastingplichtingen worden gebracht, het volgende opgemerkt:

- bij een eerste verzuim wordt de boete kwijtgescholden tot op nihil; wel vindt registratie plaats van een eerste verzuim;

- bij een tweede of derde verzuim vindt kwijtschelding plaats tot op respectievelijk f 50,-of f 100,-;

- bij een vierde of volgend verzuim bedraagt de boete f 250,-;

- de verhoging beloopt ten hoogste het bedrag van de te laat voldane belasting;

- registratie van een tweede, derde of vierde verzuim vindt pas plaats als de belastingplichtige van een eerder verzuim of eerdere verzuimen op de hoogte is gesteld;

- het aantal verzuimen wordt geregistreerd per belastingplichtige, dus niet voor elk motorrijtuig afzonderlijk;

- de verzuimen worden telkens getotaliseerd over een periode van 24 maanden.

12. Het hof vindt in voormelde gang van zaken, waarbij

a. vernietiging van de eerste naheffingsaanslag heeft plaatsgevonden na de vaststelling van de tweede, thans bestreden naheffingsaanslag,

b. geruime tijd na de vernietiging van de eerste naheffingsaanslag ter zake van die aanslag nog een aanmaning aan belanghebbende is verzonden, en

c. de biljetten waarop een zogenaamde rekening motorrijtuigen-

belasting, een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een aanmaning motorrijtuigenbelasting onderling zodanige gelijkenis vertonen, dat een belangrijk deel van het belastingbetalende publiek, naar het hof uit de behandeling van vele zaken bekend is, die biljetten allemaal voor een ''aanslag'' aanziet, aanleiding de inspecteur te gelasten aan belanghebbende het voor het instellen van het beroep betaalde griffierecht terug te geven.

Beslissing:

Het gerechtshof

- bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ƒ 75,- te vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 1998

te Arnhem door mr. Röben, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Vermeulen-Post als griffier.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voornoemde kamer,

(I.B.Vermeulen-Post) (J.B.H.Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 februari 1998