Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1998:3

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-06-1998
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
97/575 P
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 11 Pachtwet (thans art. 7:317 leden 2 en 3 BW)

Mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot schriftelijke vastlegging van een mondelinge pachtovereenkomst vervalt niet door enkel tijdsverloop. Voor een niet-ontvankelijkverklaring van pachter in zijn vordering c.q. afwijzing van die vordering vanwege het feit dat hij deze pas ruim 19 jaar na het aangaan van de door hem gestelde overeenkomst heeft ingesteld, is dan ook geen plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 juni 1998

pachtkamer

rolnummer 97/575 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

procureur: mr. J.M. Bosnak,

tegen:

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2 [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3 [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats] ( [land] ),

tesamen zijnde de erven van [A] en

[B] ,

geïntimeerden,

procureur: mr. P.C. Plochg.

1 Het geding in eerste aanleg

De pachtkamer van het kantongerecht te Terborg heeft op 10 mei 1994, 11 oktober 1994, 10 december 1996 en 13 mei 1997 tussen (de rechtsvoorgangers van) partijen vonnissen gewezen, die in fotokopie aan dit arrest zijn gehecht en naar de inhoud waarvan wordt verwezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Appellant hierna ook te noemen: [appellant] is bi; exploot van 10 juni 1997, met gelijktijdige dagvaarding van geintimeerden hierna ook te noemen: [geïntimeerden] c.s. voor dit hof, in hoger beroep gekomen van genoemde vonnissen, waarbij een descente annex comparitie van partijen is bepaald respectievelijk aan [appellant] een bewijsopdracht is gegeven respectievelijk [appellant] in de gelegenheid is gesteld tot het verstrekken van inlichtingen respectievelijk in conventie de vordering van [appellant] tot schriftelijke vastlegging ener pachtovereenkomst is afgewezen en in reconventie is verstaan dat daarin niet behoeft te worden beslist.

2.2

Bij memorie van grieven zijn na te melden grieven aangevoerd, met conclusie dat het hof de vonnissen, waarvan beroep, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de tussen [appellant] en [geïntimeerden] c.s. bestaande pachtovereenkomst betreffende de hoeve aan de [adres] te [plaats] met bijbehorende landbouwgrond, kadastraal bekend sectie K, nummers 806, 871, 804, 805, 594, 595, 596, 617, 870, 261, 891, 890, 872, 283 en 803, alsmede sectie L, nummers 1078, 1079, 2334 en 216, totaal groot 6.13.03 ha, schriftelijk zal vastleggen, met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de kosten van beide instanties.

2.3

Bij memorie van antwoord is verweer gevoerd met conclusie dat het hof de vonnissen, waarvan beroep, zal bekrachtigen, voor zover nodig met verbetering; van de gronden en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding (lees:) in hoger beroep.

2.4

[appellant] heeft bij akte nog enkele stukken in het geding gebracht.

2.5

Ter zitting van het hof van 27 april 1998 is de zaak vervolgens bepleit, voor appellant door mr. E.H.M. Harbers ,advocaat te Arnhem, en voor geintimeerde door mr. J.G.M. Stassen, advocaat te Almelo, beiden mede aan de hand van pleitnotities.

2.6

Daarna hebben partijen de stukken, waaronder de pleitnotities van de advocaten, aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De grieven

De grieven luiden:

I. Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht de vordering niet onmiddellijk toegewezen, nu bij de feiten als vaststaand is aangenomen dat [appellant] voor het gebruik van de hoeve een geldelijke vergoeding betaalde per jaar (vonnis van 10 mei 1994).

II. Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht [appellant] een bewijsopdracht verstrekt, inhoudende [appellant] te laten bewijzen dat (lees: de) door hem in 1974 aan [A en B] betaalde vergoeding van f 3.600, per jaar ook betrof het gebruik van de in (lees: de) dagvaarding omschreven percelen grond (vonnis van 11 oktober 1994).

III. Ten onrechte is de pachtkamer van het kantongerecht tot het oordeel gekomen dat [appellant] niet in zijn bewijsvoering is geslaagd en ten onrechte heeft de pachtkamer de vordering afgewezen (vonnis van 13 mei 1997).

IV. Ten onrechte overweegt de pachtkamer van het kantongerecht: "De pachtkamer beschouwt de tussen partijen gesloten overeenkomst met betrekking tot de boerderij die door [appellant] tegen betaling van een afgesproken geldsom en de verplichting onderhoud (lees: te) verrichten, mocht worden gebruikt, als een huurovereenkomst" (vonnis van 13 mei 1997).

4 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

[appellant] heeft geen grieven aangevoerd tegen het vonnis van 10 december 1996, waarvan beroep, weshalve hij in zijn hoger beroep, voor zover dat tegen dit vonnis is ingesteld, niet kan worden ontvangen.

5 De vaststaande feiten

In hoger beroep kan van de volgende, als erkend of niet (voldoende) betwist, vaststaande feiten worden uitgegaan:

- [appellant] heeft met ingang van mei 1974 van de inmiddels overleden

dames [A] en [B] in gebruik gekregen een hoeve en landerijen, staande en gelegen te [plaats] en in die gemeente kadastraal bekend sectie K, nummers 806, 871, 804, 805, 594, 595, 596, 617, 870, 261, 891, 890, 872, 283 en 803, alsmede sectie L, nummers 1078, 1079, 2334 en 216, totaal groot 6.13.03 ha;

[appellant] heeft voormeld object sindsdien in gebruik, zulks tot heden, met dien verstande dat in het kader van de uitvoering van een ruilverkaveling met betrekking tot het perceel L 216 op een gegeven moment een gebruiksruil met een perceel grond van ene [X] heeft plaats gehad;

[appellant] betaalde en betaalt een geldelijke vergoeding aanvankelijk ten bedrage van f 3.600, per jaar en met ingang van mei 1991 van f 3.780, per jaar;

[appellant] is sedert 1971 voltijds in loondienst geweest bij [bedrijf] te [vestigingsplaats] , welk dienstverband inmiddels is geëindigd.

6 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6.1

Allereerst overweegt het hof, dat de mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot schriftelijke vastlegging van een mondelinge pachtovereenkomst niet vervalt door enkel tijdsverloop. Voor een niet‑ontvankelijkverklaring van [appellant] in zijn vordering c.q. afwijzing van die vordering vanwege het feit dat hij deze pas ruim 19 jaar na het aangaan van de door hem gestelde overeenkomst heeft ingesteld, is dan ook geen plaats. Indien sprake is van een pachtovereenkomst, rust de verplichting om deze op schrift te stellen trouwens op beide partijen.

6.2

Tevens overweegt het hof, zulks voor zover nodig, dat de enkele omstandigheid dat [appellant] een voltijds dienstverband had en de onderhavige opstallen en grond dus slechts bij wege van nevenactiviteit kon gebruiken, er geenszins aan in de weg staat dat dat gebruik met een economisch oogmerk geschiedde en geschiedt en mitsdien moet worden aangemerkt als landbouwkundig gebruik, zodat indien dit het geval is en aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan sprake is van pacht.

6.3

Ook de hoogte van de tussen partijen overeengekomen tegenprestatie en het gedurende lange tijd niet of slechts in geringe mate wijzigen daarvan zeggen op zichzelf niets over het rechtskarakter van het overeengekomene.

6.4

Uit de bewoordingen van het vonnis van de pachtkamer van het kantongerecht van 10 mei 1994, deze in onderling verband bezien, blijkt dat die pachtkamer bij de vermelding van de naar haar oordeel vaststaande feiten het woord "hoeve" niet heeft gebruikt in de zin van artikel 1, lid 1 sub c, van de Pachtwet. Het stond haar, mede gelet op het tegen de vordering van [appellant] gevoerde verweer, vrij niet aanstonds over die vordering te beslissen doch eerst een gerechtelijke plaatsopneming annex comparitie van partijen te bepalen zoals zij heeft gedaan. De tegen die beslissing aangevoerde grief I is dan ook ongegrond.

6.5

Ten processe staat vast dat de boerderij en het land in geschil voordat [appellant] deze in gebruik kreeg, verpacht waren aan ene [Y] , aan welke pachtovereenkomst na het overlijden van genoemde pachter een einde is gekomen. [appellant] heeft vervolgens gevraagd om boerderij en land in gebruik te mogen krijgen en dat verzoek is door de toenmalige eigenaressen ingewilligd.

6.6

Als ten processe voldoende aannemelijk geworden moet voorts worden beschouwd dat [appellant] de boerderij (het gebouwencomplex) op grond van het overeengekomene mocht gebruiken voor bewoning alsmede voor het aldaar houden van vee (zoals hij, naar genoegzaam in dit geding is komen vast te staan, in feite ook heeft gedaan). Het verweer van eerst de dames [A en B] en thans [geïntimeerden] c.s. dat het slechts het houden van enkele dieren als

hobby zou betreffen, wordt door het hof verworpen.

Het ging om een boerderij (woning met bedrijfsruimten) die ook voordien altijd voor landbouwkundige doeleinden in gebruik was geweest. Als onvoldoende weersproken moet voorts worden aangenomen dat de dames [A en B] ervan op de hoogte waren dat vanaf het begin sprake is geweest van het bedrijfsmatig houden van een groot aantal mestvarkens; aan hen is bij brief van 3 juli

1980 nog kenbaar gemaakt dat sprake was van het houden van varkens en dat [appellant] van oordeel was dat sprake was van een pachtverhouding, zulks zonder dat deze mededelingen tot protesten hunnerzijds leidden. Hun toenmalige adviseur gaf bij de comparitie van partijen op 24 mei 1994 bovendien onder meer te kennen dat hij zijn medewerking had verleend aan het aanvragen van een pachtcontract.

Het hof wijst er voorts nog op dat weliswaar is aangevoerd dat de dames [A en B] , zulks in afwijking van wat ten aanzien van de eerdere gebruikers het geval was geweest, geen pachtovereenkomst meer wensten aan te gaan, maar dat deze stelling in het geheel niet is onderbouwd.

Gelet op een en ander, is dan ook geen plaats voor de conclusie dat het litigieuze gebouwencomplex alleen voor bewoning en niet tevens voor landbouwkundig gebruik aan [appellant] ter beschikking is gesteld.

6.7

Met betrekking tot de grond is niet in geschil dat deze door de dames [A en B] aan [appellant] in gebruik is gegeven en dat dit geschiedde voor landbouwkundige doeleinden. [geïntimeerden] c.s. voeren evenwel aan dat de ingebruikgeving van de grond later is geschied dan die van het gebouwencomplex en voorts om niet; [appellant] ontkent een en ander gemotiveerd.

6.8

Het hof overweegt ter zake het navolgende.

a. a) Het is niet waarschijnlijk dat sprake is geweest van een (wezenlijk) verschil in tijd van ingebruikgeving van gebouwen en land; het gebruik door [Y] is in 1973 geëindigd, van een (kortstondig) gebruik van het land daarna door (een) derde(n) is niets gesteld of gebleken, terwijl in mei 1974 het weideseizoen al weer was begonnen.

b) Van een verschil in tijd tussen ingebruikgeving van gebouwencomplex en land is van de zijde van de dames [A en B] respectievelijk [geïntimeerden] c.s. ten processe niet gerept vóór de pleidooien in hoger beroep; de bewoordingen in de (overigens door haar niet ondertekende) door één der dames [A en B] op 24 januari 1995 afgelegde getuigenverklaring luidend: "Ik denk dat

er over de grond niet is gepraat", zijn te vaag om te dezen van betekenis te zijn; dit laatste klemt te meer nu bij de comparitie van partijen op 24 mei 1994 zonder ter zake verschil in tijdstip te maken nog is gezegd: "De grond mocht hij erbij gebruiken".

c) Vóór mei 1974 waren gebouwen en land ook steeds gezamenlijk voor landbouwkundige doeleinden in gebruik geweest en niet voldoende onderbouwd is aangegeven waarom dit vanaf mei 1974 anders zou zijn geweest.

d) Het is niet geloofwaardig dat een oppervlakte land van ongeveer 6 ha om niet in gebruik wordt gegeven en zo lange tijd gelaten.

6.9

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden, deze tesamen en in onderling verband bezien, moet het er naar het oordeel van het hof voor gehouden worden dat behoudens tegenbewijs de ingebruikgeving van het gebouwencomplex en die van het land gelijktijdig in één overeenkomst zijn geschied en dat de daarbij overeengekomen tegenprestatie voor beide samen gold. Ter zake rust op [geïntimeerden] c.s. de bewijslast van het tegendeel. Grief II is mitsdien gegrond.

6.10

Aan het vorenstaande doet niet af dat [appellant] niet eerder dan bij hoger beroep van het eindvonnis tegen de hem gegeven bewijsopdracht is opgekomen. Trouwens, reeds bij conclusie van repliek heeft hij aangevoerd dat op de dames [A en B] de bewijslast rustte inzake hun stelling dat de grond om niet in gebruik is gegeven. Het stond hem echter vrij om van het andersluidende vonnis van de pachtkamer van het kantongerecht vooralsnog niet in hoger beroep te komen en eerst te trachten het hem opgedragen bewijs te leveren. Zijn processueel recht om die bewijsopdracht in hoger beroep alsnog aan te vechten heeft hij daardoor geenszins verspeeld.

6.11

Het vorenoverwogene brengt mee dat de vraag of [appellant] al dan niet in zijn bewijsvoering is geslaagd, geen bespreking behoeft.

6.12

Alvorens grief III (voor het overige) en grief IV te bespreken, zal het hof, gelet op hetgeen de raadsvrouwe van [geïntimeerden] c.s. desgevraagd ter zitting daarover heeft opgemerkt, geintimeerden in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten of zij bewijs willen leveren van hun stelling dat de ingebruikgeving en neming van het land in geschil afzonderlijk en om niet is geschied, zulks in het bevestigende geval indien zij dit bewijs door middel van getuigen willen leveren, met opgave van aantal en namen van die getuigen.

6.13

Nu uit het hierboven overwogene volgt dat de vordering van [appellant] in elk geval ten aanzien van het onderhavige gebouwencomplex moet worden toegewezen, komt het hof anders dan de pachtkamer van het kantongerecht toe aan de reconventionele vordering van [geïntimeerden] c.s., strekkende tot ontbinding van de pachtovereenkomst op grond van het niet onderhouden c.q. verwaarlozen van de opstallen.

6.14

Het hof stelt voorop dat van een andere afspraak tussen partijen inzake het onderhoud van de opstallen dan conform hetgeen geldt op grond van het bepaalde in artikel 26, lid 1, van de Pachtwet niet, althans onvoldoende is gebleken. [appellant] heeft gemotiveerd weersproken dat is overeengekomen dat hij alle onderhoud voor zijn rekening zou nemen. Ook te dezen worden [geïntimeerden] c.s. in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten of zij bewijs willen leveren van hun desbetreffende stelling, zulks in het bevestigende geval indien zij dit bewijs door middel van getuigen willen leveren, met opgave van aantal en namen van die getuigen.

6.15

[appellant] heeft voorts gemotiveerd weersproken dat hij zijn verplichting tot het verrichten van de geringe en dagelijkse reparaties niet voldoende zou zijn nagekomen. Bij conclusie van repliek heeft hij een groot aantal rekeningen in het geding gebracht inzake door hem gepleegd onderhoud en gedane investeringen. Niet bestreden is dat die rekeningen voor een groot gedeelte de opstallen in geschil betreffen, terwijl daar tegenover door de dames [A en B] respectievelijk door [geïntimeerden] c.s. niet aan de hand van concrete gegevens is geadstrueerd op welke punten [appellant] in zijn desbetreffende onderhoudsverplichtingen zou zijn tekortgeschoten.

Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

in conventie:

verklaart [appellant] niet‑ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dat is ingesteld tegen het door de pachtkamer van het kantongerecht te Terborg tussen partijen gewezen vonnis van 10 december 1996, waarvan beroep;

bekrachtigt het door genoemde pachtkamer tussen partijen gewezen vonnis van 10 mei 1994, waarvan beroep;

vernietigt het door genoemde pachtkamer tussen partijen gewezen vonnis van 11 oktober 1994, waarvan beroep;

in conventie en reconventie:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 21 juli 1998, ambtshalve peremptoir, voor uitlating van de zijde van [geïntimeerden] c.s. als hiervoor in de rechtsoverwegingen 6.12 en 6.14 overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kok, Kerssemakers en Heisterkamp en de plaatsvervangende raden mr. ing. Jansens van Gellicum en ing. Hamelink, en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 9 juni 1998.