Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1997:AA1186

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-02-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/0728
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 1997/308
Belastingblad 1997/799
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

derde enkelvoudige belastingkamer

nr. 96/0728

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

belanghebbende:*X B.V.

te: *Z

ambtenaar: *P

aangevallen beslissing: uitspraak op bezwaarschrift

soort belasting: leges

dagtekening kennisgeving: 4 januari 1994

mondelinge behandeling: op 14 februari 1997 te Arnhem door mr Haas,

raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Snoijink

als griffier

waarbij verschenen: *A, als woordvoerder van *P

waarbij niet verschenen: belanghebbende, hoewel overeenkomstig de wet opgeroepen

gronden:

1. Bij de voormelde kennisgeving is van belanghebbende een bedrag van ƒ 31 529,22 gevorderd aan leges voor een vergunning op grond van de Afvalstoffenwet. Na bezwaar is dit verminderd tot ƒ 29 592,20. In het vertoogschrift concluderen *P dat dit bedrag fout is en had moeten zijn ƒ 28 529,20. Grief 1 is dan ook gegrond.

2. De vraag of aan belanghebbende met toepassing van de hardheidsclausule als vervat in artikel 9 van de Legesverordening provincie *Q (Provinciaal Blad 14 december 1982, Nr. 162, sedert gewijzigd) kan worden tegemoetgekomen, staat niet aan de rechter ter beoordeling. Grief 2 baat belanghebbende daarom niet. Met betrekking tot wat belanghebbende over haar financiële positie aanvoert, geldt dat artikel 232 van de Provinciewet niet de artikelen 25 en 26 van de Invorderingswet 1990 van overeenkomstige toepassing verklaart op de invordering van provinciale belastingen. Belanghebbende ontleent aan de wettelijke regeling van de onderhavige leges dan ook geen recht, uitstel van betaling of kwijtschelding van deze leges aan te vragen. Wel heeft, volgens artikel 5 van de Grondwet, ieder, dus ook belanghebbende, het recht heeft verzoeken schriftelijk bij het bevoegde gezag in te dienen.

3. In dit geding kan niet aan de orde komen, of de gemeente *Z indertijd voor een Hinderwetvergunning terecht ƒ 950 aan leges heeft geheven. Hetzelfde geldt voor de door belanghebbende tot dat bedrag redelijk geachte vermindering van de thans geheven provinciale leges. Grief 3 stuit hierop af.

4. De gehanteerde tarieven zoals vermeld op het rekenblad Lotus 123 dat als bijlage bij het afschrift van de voormelde kennisgeving in het geding is gebracht, stemmen overeen met die in de Tarieventabel 1993 welke is bekendgemaakt in het Provinciaal Blad van 18 februari 1993, Nr. 10. Met inachtneming van de hiervoor onder 1 weergegeven conclusie, op grond waarvan de onder rubriek 10a 9 van de tarieventabel genoemde tarieven nader worden toegepast op een bewaarcapaciteit van 380 in plaats van 480 m³ (50 m³ à ƒ 80 = ƒ 4 000 en 330 m³ à ƒ 30 = ƒ 9 900, te zamen ƒ 13 900, zijnde ƒ 3 000 minder dan het aanvankelijk op grond van deze rubriek berekende totaal van ƒ 16 900), zijn de leges in overeenstemming daarmee geheven.

5. Rubriek 10h van de tarieventabel luidt:

De kosten van de publikatie als bedoeld in de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, voortvloeiend uit aanvragen voor vergunningen in het kader van de Hinderwet, de Wet inzake de luchtverontreiniging e.a., de Afvalstoffenwet en de Wet geluidhinder, zullen op de aanvrager worden verhaald tot een maximumbedrag van ƒ 3 000,–.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 1 maart 1989, BNB 1989/127 en Belastingblad 1989, blz. 320, acht het hof het vermelde maximum niet zo hoog dat het geen wezenlijke functie zou vervullen voor de zekerheid die de legesplichtige aan de verordening behoort te kunnen ontlenen over de omvang van de kosten die aan de publicatie verbonden zullen zijn. Dit wordt niet anders doordat *P, in tegenstelling tot wat uit het oogpunt van behoorlijke legesheffing verkieslijk ware geweest, noch belanghebbende noch het hof inzicht hebben gegeven in de werkelijke hoogte van deze kosten in dit geval.

proceskosten:

In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten fiscale procedures kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

beslissing:

Het gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak van *P;

– vermindert het gevorderde bedrag tot ƒ 28 529,20;

– gelast *P aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht van ƒ 75,– te vergoeden.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 28 februari 1997 door mr Haas, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, Het lid van de voormelde kamer,

(W.J.N.M. Snoijink) (N.E. Haas)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 7 maart 1997