Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1997:AA1140

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-10-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/1652
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1998/25.4 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 96/1652

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1995 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. De aanslag, genummerd 00.H.56 en gedagtekend 31 augustus 1996, bedraagt ƒ 16 824, is berekend naar een belastbaar (en premie-)inkomen van ƒ 56 753 met een belastingvrije som van ƒ 12 148 volgens tariefgroep 3 en vermeldt een te betalen bedrag van ƒ 2 684.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 9 oktober 1996 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het hof

2.1. Het beroepschrift is ter griUe ontvangen op 14 november 1996, op 27 november 1996 is de schriftelijke volmacht is overgelegd en op 23 januari 1997 is het beroepschrift aangevuld, waarbij drie bijlagen zijn overgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. In het vertoogschrift heeft de inspecteur gemeld een mondelinge behandeling niet te verlangen. Belanghebbende heeft op 2 juni 1997 het hof schriftelijk verzocht, geen mondelinge behandeling te houden.

3. Conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende verzoekt vermindering van de aanslag met ƒ 2 855.

3.2. De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. De vaststaande feiten

4.1. Belanghebbende woont met zijn gezin te Q en is binnenlands belastingplichtig.

4.2. Hij genoot in 1995 ƒ 54 747 aan winst uit onderneming als deelvisser op de kotter A. De kotter is eigendom van de vennootschap naar Noors recht K/S A, vaart onder Noorse vlag, is bestemd tot en wordt gebruikt voor de visvangst op volle zee.

4.3. Van de aandelen van de voormelde vennootschap is 90% in handen van B B.V. te Q (hierna: de BV) en 10% in handen van de naar Noors recht opgerichte vennootschap A/S C die een 100%-dochter is van de BV. De aandelen van de BV behoren voor de helft toe aan B Beheer B.V. en voor de andere helft aan de vennootschap onder Wrma D, beide gevestigd te Q. Voor

zover nodig worden de contacten met Noorse overheden onderhouden door de heer E in Noorwegen, die de directie voert over de K/S A en daarvoor een vergoeding ontvangt.

5. Het geschil en de standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt verdeeld, of de inspecteur belanghebbende terecht de «aftrek elders belast» heeft geweigerd.

5.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. In de aangevallen uitspraak is gesteld en in beroep wordt niet betwist,

6.1.1. dat de feitelijke leiding van de Noorse rechtspersoon die eigenaar is van de kotter in Nederland zetelt en die rechtspersoon geen vaste inrichting heeft in Noorwegen, en

6.1.2. dat de Noorse belastingautoriteiten zich op het standpunt stellen dat de bemanningsleden van de voormelde kotter buiten de Noorse belastingwetgeving vallen.

6.2. Nu belanghebbende winst uit onderneming geniet, is die winst, gelet op de strekking van artikel 7 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van 12 januari 1990 (Trb. 1990, 30), slechts in Noorwegen belastbaar indien de Noorse rechtspersoon aldaar over een vaste inrichting beschikt. Zulks is blijkens het voorgaande niet het geval.

6.3. In bezwaar, waarnaar belanghebbende in beroep verwijst, heeft hij nog opgeworpen dat de belastinghefWng over zijn deellooninkomsten toevalt aan Noorwegen op grond van artikel 15, eerste lid, van de genoemde Overeenkomst. Hij miskent daarmee echter dat de bedoelde inkomsten voor hem geen loon doch winst uit onderneming vormen en ook als zodanig door hem zijn aangegeven. Ook echter bezien in het licht van artikel 14, eerste lid, van de Overeenkomst maakt hij zijn stelling, dat hij over een vast middelpunt beschikt in het land onder welks vlag de kotter vaart, tegenover de onder 6.1.1 en 6.1.2 vermelde stellingen van de inspecteur op geen enkele wijze aannemelijk. Zijn verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 1996, V-N 1996, blz. 4267 (BNB 1996/358), kan hem om dezelfde reden niet baten.

6.4. De gevraagde aftrek is belanghebbende terecht geweigerd.

7. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

8. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.

9. Beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Aldus gedaan te Arnhem op 7 oktober 1997 door mr Röben, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 7 oktober 1997