Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1997:AA1132

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-12-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/1084
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1998/290
V-N 1998/24.1.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

belastingkamer

nummer 96/1084

U i t s p r a a k

Het gerechtshof te Arnhem, eerste meervoudige belastingkamer;

Gezien het beroepschrift van *E.X, wonende te *Z, ingekomen op 11 juli 1996 en gericht tegen de uitspraak d.d. 28 juni 1996 van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P op het bezwaar van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag tot navordering in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen, welke navorderingsaanslag bij een aanslagbiljet met dagtekening 21 juli 1995 en nummer * te zijner kennis is gebracht, alsmede tegen het besluit van de inspecteur de in de navorderingsaanslag begrepen verhoging van 100% voor niet meer dan 50 percent kwijt te schelden;

Gezien de overige stukken, waaronder de door beide partijen overgelegde notities van hun bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooien welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd;

Gehoord ter zitting van 21 oktober 1997 te Arnhem belanghebbende en zijn gemachtigde *, alsmede de inspecteur voornoemd;

Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 139.682,-- met inachtneming van een belastingvrije som van ƒ 9.320,--, met toepassing van een verhoging van 100 percent, waarvan 50% is kwijtgescholden, is gehandhaafd;

Overwegende, dat belanghebbende in beroep vernietiging van de navorderingsaanslag en de daarin begrepen verhoging, alsmede vergoeding van proceskosten verzoekt, terwijl de inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak en van het kwijtscheldingsbesluit;

Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt:

1.1. Belanghebbende was in het onderhavige jaar samen met zijn broer *S.X firmant van de vennootschap onder firma *X & Zonen (hierna: V.O.F.). Ieder van de broers was voor de helft gerechtigd in de winst van de vennootschap.

1.2. Tot het ondernemingsvermogen van de V.O.F. behoorden alle aandelen in "*C GmbH", gevestigd te *Q. In deze GmbH (hierna: de GmbH) werd het visserijbedrijf van de Gebroeders *X onder Duitse vlag geëxploiteerd. De V.O.F., gevestigd, te *Z had in Duitsland geen vaste inrichting.

1.3. Tot het ondernemingsvermogen van de GmbH behoorden de viskotters *a en *b. Ter verkrijging van de voor de exploitatie van deze schepen benodigde BRT's (tonnage), PK's (licenties) en Duitse vangstrechten, zogenaamde lijsten I en II, werden in de loop van 1990 en 1991 daarmee uitgeruste schepen opgekocht. De aldus verkregen tonnages, licenties en vangstrechten werden vervolgens overgezet op de viskotters *a en *b, waarna de gekochte schepen weer werden verkocht. In dat verband vonden de volgende transacties plaats:

Voor de *b:

naam dat ink dat ver bedrag ink bedrag ver PK BRT

*c 280891 050292 ƒ 339.000,- ƒ 55.000,- 270 72,64 geen lijsten

*b 280891 050292 ƒ 226.000,- ƒ 65.000,- 160 30,89 lijst I en II

Lijst I en II van de *b zijn gebruikt voor de nieuwe *b.

Voor de *a:

naam dat ink dat ver bedrag ink bedrag ver PK BRT

*d 250890 120791 ƒ 256.000,- ƒ 55.000,- 180 36 geen lijsten

*e 201190 271290 ƒ 280.000,- ƒ 185.000,- 220 35 lijst I en II

*f 080891 271191 ƒ 250.000,- ƒ 55.000,- 248 47,99 lijst I en II

*g ------ ------ ƒ 22.600,- ƒ 5.650,- 90 4,5 geen lijsten

Voor de *a zijn de lijst I en II gebruikt van de *e.

1.4. Deze transacties werden door belanghebbbende en zijn broer uitgevoerd onder deskundige begeleiding van de daartoe aangestelde Duitse bedrijfsleider en de Duitse advocaat van de GmbH.

1.5. Door deze koop- en verkooptransacties waren uiteindelijk de vangstrechten van de op 8 augustus 1991 gekochte viskotter *f (verwerkt in de lijsten I en II) overtollig. Deze waardevolle vangstrechten zouden vervallen tenzij de GmbH alsnog tijdig een visserijschip zou verkrijgen.

1.6. Op vrijdag 27 september 1991 heeft belanghebbende mede namens zijn broer *S.X een in deplorabele staat verkerende, voor de zee- en kustvisserij bestemde, in het Duitse register van zeeschepen opgenomen viskotter, genaamd "*h", (het schip) gekocht voor een bedrag van DM 13.000,--, omgerekend ƒ 15.000,--. Aan het schip waren geen vangstrechten als onder 1.3. bedoeld, (meer) verbonden.

1.7. Op donderdag 3 oktober daaropvolgend werd het schip doorverkocht aan de GmbH voor een bedrag van DM 125.000,--, omgerekend ƒ 141.250,--. Belanghebbendes aandeel in het transactieresultaat, te weten

ƒ 141.250,-- - ƒ 15.000 = ƒ 126.250 : 2 = ƒ 63.125,--, is op 10 december 1991 door de GmbH naar diens privé-rekening overgemaakt.

1.8. De GmbH heeft de overtollige lijsten I en II van de *f overgeschreven op de "*h" en dat schip vervolgens op 30 januari 1992 voor een bedrag van ƒ 215.000,-- verkocht aan een bedrijf dat de meegekochte vanglijsten I en II overzette op een van haar zeewaardige schepen en de "*h" voor een bedrag van ƒ 70.000,-- liet slopen.

1.9. Een omstreeks september 1994 uitgevoerd boekenonderzoek gaf de inspecteur inzicht in de desbetreffende transacties. Daarop heeft de inspecteur het onder 1.7. vermelde bedrag van ƒ 63.125,-- aangemerkt als een hier te lande belastbare uitdeling van de GmbH aan belanghebbende en

de daarover verschuldigde inkomstenbelasting met een boete van 100% waarvan 50% is kwijtgescholden, nagevorderd.

1.10. In verband daarmee is aan belanghebbende een op 16 december 1994 gedagtekende navorderingsaanslag met het nummer 0916.42.450.H.17 opgelegd. Nadat gebleken was dat de aanslagregelaar een (voor belanghebbende kenbare) fout had gemaakt bij de berekening van de breuk ter zake van de aftrek elders belast, is aan belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd;

Overwegende, dat het tussen partijen bestaande geschil de vragen betreft of de inspecteur:

a. het bedrag van ƒ 63.125,-- terecht als een hier te lande belastbare uitdeling in aanmerking heeft genomen,

b. belanghebbende terecht opzet verwijt;

Overwegende, dat de door partijen voor hun standpunten aangevoerde gronden in de stukken zijn vermeld en dat daaraan ter zitting -afgezien van hetgeen onder de vaststaande feiten is opgenomen- nog het volgende, zakelijk weergegeven, is toegevoegd:

Namens en door belanghebbende:

2.1. Belanghebbende kwam er toevallig achter dat het schip te koop was. Het schip lag weg te rotten in de haven en de plaatselijke overheid oefende druk uit op de eigenaar om het uit de haven van *Q te verwijderen. Belanghebbende vond de vraagprijs aantrekkelijk. Het was een koopje dat hij niet kon laten lopen. Hij was er zeker van het schip weer met winst te kunnen doorverkopen. Hij heeft het schip na enig onderhandelen derhalve direct gekocht. Dat de staat van onderhoud ervan zo slecht was dat het niet meer kon worden weggesleept, wist hij op dat moment niet.

2.2. De inspecteur heeft steeds het standpunt ingenomen dat met betrekking tot de opbrengst van het schip sprake was van in Nederland te belasten inkomen van belanghebbende. Dat standpunt was hem (belanghebbende) duidelijk evenals de kennelijke fout in de berekening van het bedrag elders belast in de navorderingsaanslag met het nummer *.

2.3. De GmbH had de vangstrechten en heeft het schip gekocht op advies van de bedrijfsleider * voor een zakelijke prijs en uiteindelijk verkocht aan de aanvankelijk nog niet in beeld zijnde *D GmbH. Deze GmbH was geïnteresseerd in de op het schip overgezette lijsten I en II.

Door de inspecteur:

3.1. In dit geval heeft belanghebbende samen met zijn broer als particulier gehandeld.

3.2. Het bedrag van DM 13.000 dat belanghebbende en zijn broer voor het schip hebben betaald is een zakelijke prijs. Hij betwist dat de GmbH een zakelijke prijs voor het schip heeft betaald.

3.3. In zijn pleitnota op blz. 2, tweede alinea, eerste zin moet in plaats van GmbH worden gelezen V.O.F. De V.O.F. heeft geen vaste inrichting in Duitsland;

Overwegende omtrent het geschil:

4.1. Partijen zijn het erover eens dat het door belanghebbende voor het schip betaalde bedrag van ƒ 15.000,-- een zakelijke prijs was.

4.2. Het schip is enkele dagen na de aankoop aan de door belanghebbende en zijn broer beheerste GmbH verkocht voor een bedrag van ruim het negenvoudige van de aankoopprijs. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt dan bij betwisting door de inspecteur met zich dat belanghebbende aannemelijk maakt welke omstandigheid in de korte periode tussen aan- en verkoop een waardestijging in die orde van grootte heeft bewerkt.

4.3. Belanghebbende heeft voor het bestaan van een zodanige omstandigheid geen enkel bewijs bijgebracht. De waarde van het schip op het tijdstip van verkoop aan de GmbH moet derhalve eveneens op ƒ 15.000,-- (DM 13.000) worden gesteld. Het hof acht voorts, gelet op de koop en verkoop van schepen in de loop van 1990 en 1991 ter verkrijging van de benodigde tonnages, licenties en vergunningen voor de exploitatie in de GmbH van het visserijbedrijf van belanghebbende en zijn broer onder Duitse vlag, aannemelijk zoals de inspecteur stelt, dat belanghebbende ten tijde van de koop van het schip op 27 september 1991 wist dat de in het bezit van de GmbH zijnde lijsten I en II van de op 28 augustus 1991 door de GmbH gekochte viskotter SC 30 overtollig waren en welk aanzienlijk voordeel daarmee was te behalen door deze vergunningen over te zetten op een aan te kopen schip en dit vervolgens tezamen met de vergunningen weer te verkopen. Het hof acht aannemelijk dat belanghebbende met het oog daarop het voornoemde schip heeft aangeschaft.

4.4. De GmbH heeft het schip voorzien van de overtollige, voorheen op de viskotter *f rustende, vangstrechten verkocht voor ƒ 215.000,--. Daaruit volgt dat de waarde in het economische verkeer van deze vangstrechten van de GmbH op het tijdstip van de verkoop ongeveer ƒ 215.000,-- - ƒ 15.000,-- = ƒ 200.000,-- bedroeg. Er zijn geen aanwijzingen dat die vangstrechten ten tijde van de aankoop door de GmbH van de viskotter een betekenend lagere waarde vertegenwoordigden.

4.5. Nu de GmbH in plaats van de zakelijke door belanghebbende betaalde prijs van ƒ 15.000,-- ƒ 141.250,-- voor de verkrijging van het schip aan belanghebbende heeft betaald, moet worden aangenomen dat de GmbH aldus handelend zich een deel van het met de verkoop van de genoemde vangstrechten te behalen voordeel van circa ƒ 200.000,-- ter grootte van ƒ 126.250,-- heeft laten ontgaan met het oogmerk van bevoordeling van haar beide middellijke aandeelhouders, terwijl belanghebbende zich er van bewust moet zijn geweest dat hij in zijn hoedanigheid van middellijk aandeelhouder voor een bedrag van ƒ 126.250,-- : 2 = ƒ 63.125,-- werd bevoordeeld.

4.6. Het vorenoverwogene houdt in dat de verkoopopbrengst van ƒ 63.125,-- niet kan worden toegerekend aan arbeid van belanghebbende.

4.7. De omstandigheid dat belanghebbende naar hij stelt in dit geval anders dan voorheen zonder zijn adviseurs, te weten de bedrijfsleider en advocaat van de GmbH, heeft gehandeld doet aan het vorenstaande niet af.

4.8. De stelling van belanghebbende dat het behalen van het voordeel bij verkoop van het schip in het geheel niet was te voorzien, dient op grond van het vorenoverwogene te worden verworpen. Van speculatiewinst is te dezen dan ook geen sprake.

4.9. Vaststaat dat de V.O.F., via welke vennootschap belanghebbende de onderhavige uitdeling van winst heeft genoten, geen vaste inrichting in Duitsland heeft.

4.10. Het standpunt van de inspecteur dat de uitdeling hier te lande belastbaar is, is derhalve juist.

4.11. De inspecteur verwijt belanghebbende gelet op het vorenoverwogene terecht dat het aan diens opzet is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. De navorderingsaanslag is dan ook terecht met verhoging opgelegd. De inspecteur heeft niet onjuist of in strijd met hem gegeven voorschriften gehandeld door de verhoging tot op slechts 50% kwijt te schelden.

4.12. Belanghebbendes beroep is ongegrond.

Proceskosten:

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken;

Recht doende:

Bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus gedaan te Arnhem op 23 december 1997 door mr. N.E. Haas, raadsheer, als voorzitter, prof. dr. Zwemmer en mr. drs. F.J.P.M. Haas, raadsheren in tegenwoordigheid van mr. Egberts als griffier.

(J.L.M. Egberts) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 december 1997