Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1997:AA1129

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-08-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
960359
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 1997/2967
Belastingblad 1998/352
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF

ARNHEM

BELASTINGKAMER

Nr. 960359

Het gerechtshof te Arnhem, derde enkelvoudige belastingkamer;

Gezien het beroepschrift van *X, wonende te *Z, ingekomen op 1 maart 1996 en gericht tegen de uitspraak d.d. 15 januari 1996, verzonden op 22 januari 1996, van burgemeester en wethouders van de gemeente *P (hierna: b en w) op het bezwaar van belanghebbende tegen de van hem bij factuur van 30 oktober 1995 geheven leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning;

Gezien de overige stukken, waaronder afschriften van de Legesverordening 1994 met de daarbij behorende Tarieventabel en de met ingang van 1 januari 1991 inwerking getreden Legesverordening met de daarbij behorende Tarieventabel van de gemeente P, een afschrift van Legesverordening 1991 van de gemeente *Q, de door belanghebbende overgelegde notities -met één bijlage- van zijn bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooi welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd, alsmede een briefwisseling met partijen naar aanleiding van door het hof bij b en w ingewonnen schriftelijke inlichtingen ten aanzien waarvan het bepaalde in de artikelen 14, eerste lid, onder 2e, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak toepassing heeft gevonden;

Gehoord ter zitting van 30 oktober 1996 te Arnhem belanghebbende, bijgestaan door zijn zoon, alsmede de woordvoerder van b en w;

Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde factuur is gehandhaafd;

Overwegende, dat belanghebbende in beroep verzoekt vernietiging van die factuur, terwijl b en w concluderen tot bevestiging van de uitspraak;

Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangenomen:

1.1. Belanghebbende exploiteert een veehouderij-bedrijf. Zijn perceel behoorde tot 1 januari 1992 tot de gemeente *Q en -wegens een correctie van de desbetreffende gemeentegrens- per die datum tot de gemeente *P.

1.2. Belanghebbende heeft op 16 juli 1991 bij de gemeente *Q een aanvraag tot het verkrijgen een hinderwetvergunning ingediend. De behandeling daarvan is overgenomen door de gemeente *P. Op 26 januari 1995 is een hinderwetvergunning verleend.

1.3. Belanghebbende stelt, dat

a. hij eveneens op 16 juli 1991 bij de gemeente *Q een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning voor een stierenstal heeft ingediend,

b. hij op 26 september 1994 de gemeente *P eraan herinnerde dat nog niet was beslist op zijn aanvragen en dat toen bleek dat geen aanvraag ter zake een bouwvergunning in zijn dossier aanwezig was, en

c. hij op laatstgenoemde datum een nieuwe aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning heeft ingevuld en in dat kader heeft medegedeeld, dat het een "herbevestiging van een oude aanvraag" betrof.

1.4. B en w hebben bij besluit van 16 oktober 1995 beslist op de onder 1.3.c. bedoelde aanvraag. Zij hebben de gevraagde vergunning geweigerd.

1.5. Bij de onderwerpelijke factuur is een bedrag van ƒ 2.190,-- aan leges geheven;

Overwegende, dat het tussen partijen bestaande geschil de vraag betreft of ten onrechte leges is geheven, welke vraag belanghebbende bevestigend beantwoordt en b en w ontkennend beantwoorden;

Overwegende, dat de door partijen voor hun standpunten aangevoerde gronden in de stukken zijn vermeld en dat daaraan ter zitting -afgezien van hetgeen onder de vaststaande feiten en in de pleitnotities is opgenomen- nog het volgende, zakelijk weergegeven, is toegevoegd:

Door belanghebbende:

2.1. Uitgangspunt dient te zijn de situatie in 1991. Toen had de bouwvergunning niet kunnen worden geweigerd. Er was immers nog geen sprake van het bestemmingsplan "*a".

2.2. In verband met de uitbreiding met een -geplande- stal voor 150 stieren had hij een hinderwet- en een bouwvergunning nodig. Eind juni 1991 is hij naar de gemeente *Q gegaan. Een ambtenaar van die gemeente heeft hem geadviseerd eerst de procedure ter zake van de hinderwetvergunning op te starten. In juni 1991 had het nog geen zin een bouwvergunning aan te vragen omdat eerst de hinderwetvergunning moest worden verleend. Bij het verlenen van laatstbedoelde vergunning wordt direct een aanvraagformulier ter verkrijging van een bouwvergunning ingevuld.

2.3. Hij heeft met de bedoelde ambtenaar de afspraak gemaakt dat eerst de aanvraag ter verkrijging van een hinderwetvergunning zou worden afgerond en dat daarna de aanvraag ter verkrijging van een bouwvergunning zou worden afgehandeld. Daarom heeft hij laatstbedoelde aanvraag niet officieel ingediend.

Het is dan ook voorstelbaar dat *P geen aanvraag ter verkrijging van een bouwvergunning heeft aangetroffen.

2.4. Hij heeft in juli 1991 een aanvraag ter verkrijging van een hinderwetvergunning ingediend en daarbij 6 bouwtekeningen ingeleverd. Dit aantal was gebruikelijk, omdat diverse gemeentelijke commissies de aanvraag moesten beoordelen. Het betrof complete bestektekeningen, voldoende voor het verlenen van die vergunning.

Het was gebruikelijk dat de gemeente *Q na afgifte van een hinderwetvergunning de bouwtekeningen behield in verband met de aanvraag ter verkrijging van een bouwvergunning.

2.5. Op de bouwtekening is geen riolering getekend omdat onder de reeds aanwezige stal een mestkelder ligt met een capaciteit voldoende voor opslag van in gedurende 9 maanden geproduceerde mest.

2.6. Tegen het verlenen van de onder 2.4. bedoelde hinderwetvergunning werd bezwaar gemaakt.

Medio december 1991 is de aanvraag ter verkrijging van een hinderwetvergunning opnieuw ter inzage gelegd. Per 1 januari 1992 was de procedure bijna afgerond en had de vergunning kunnen worden verleend. *P heeft die aanvraag echter eerst in 1994 afgewikkeld. Indien *P die aanvraag in 1992 had afgehandeld, had de zaak met betrekking tot de aanvraag ter verkrijging van een bouwvergunning er heel anders uitgezien.

*Q respectievelijk *P had destijds binnen 13 weken moeten beslissen op de aanvraag.

2.7. Hij was in juli 1991 niet ervan op de hoogte dat de gemeente *P een verzoek had ingediend om uitbreiding van haar gebied. Bij de Raad van State is beroep ingesteld tegen de uitbreiding van *P. Die procedure moest eerst worden afgewacht alvorens de gemeente *P besluiten kon nemen.

2.8. In verband met de mogelijke verkoop van zijn perceel heeft hij op 22 augustus 1991 gesproken met onder meer wethouder *A over de aanvraag voor een hinderwet- en bouwvergunning. De gemeente *P beschikt over een notitie van dat gesprek. *P was derhalve op de hoogte van zijn voornemen een stal te bouwen.

*A deelde mede, dat de afhandeling van de hinderwet- en de bouwvergunning vooralsnog weinig voortgang zou hebben in verband met de mogelijke bouw van woningen op zijn perceel. *A ging ervan uit dat na verlening van de hinderwetvergunning investeringen zouden worden gepleegd.

Hij heeft in dat gesprek aangegeven dat hij niet kon wachten met de bouw van de stal, maar zegde toe tot met het plegen van investeringen te wachten 1 oktober 1991. Hij heeft op verzoek van *A de zaak op een laag pitje gezet.

In verband met een zogenaamde stankcirkel mag nog steeds niet worden gebouwd op zijn perceel. Hij kan al 5 jaar lang geen kant op.

2.9. In verband met het verlenen van een hinderwet-vergunning hief *P leges op basis van de in 1994 geldende legesverordening. Na bezwaar is die berekening geschied op basis van de in 1991 geldende legesverordening en is de desbetreffende nota verminderd.

In dezen zou derhalve ook leges kunnen worden geheven met toepassing van laatstgenoemde verordening.

2.10. In 1991 hanteerde de gemeente *Q (aanmerkelijk) lagere tarieven voor aanvragen ter verkrijging van bouw- en hinderwetvergunningen dan de gemeente *P.

2.11. Vorige week kwam een inspecteur milieutoezicht op bezoek. Die had een een tekening van de gemeente *Q (thans gemeente *R) bij zich, waarop de stierenstal was ingetekend.

Door b en w:

3.1. Op bladzijde 2 van het vertoogschrift staat een typefout: 26 september 1995 moet zijn 26 september 1994.

3.2. Op de factuur is door een onjuiste berekening een bedrag van ƒ 2.184,-- vermeld.

Op puur formele gronden beschouwd is terecht leges geheven.

3.3. Zij erkennen slechts dat belanghebbende stelt dat sprake is van herbevestiging van een aanvraag.

3.4. Bij de gemeente *Q was het destijds gebruikelijk eerst stukken ter verkrijging van een hinderwet- en een bouwvergunning in te dienen en in een later stadium een aanvraagformulier ter verkrijging van een bouwvergunning.

3.5. Huns inziens hanteerde *P in 1991 lagere tarieven ter zake van aanvragen ter verkrijging van hinderwet- en bouwvergunningen dan *Q.

3.6. Ingevolge de Wet algemene herindeling kan *P als rechtsopvolger van *Q leges ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag ter verkrijging van een bouwvergunning heffen op grond van de eigen legesverordening. Dat is ook gebeurd met betrekking tot de verleende hinderwetvergunning.

3.7. De problematiek rond de verkoop van belanghebbendes perceel en het verlenen van een hinderwetvergunning speelt vóór het indienen van een aanvraag ter verkrijging van een bouwvergunning.

3.8. Bij het indienen van de aanvraag op 26 september 1994 is aan belanghebbende medegedeeld dat een bouwvergunning niet zal worden verleend omdat een bestemmingsplan ter inzage lag.

Met die aanvraag is inhoudelijk niets gedaan. Aan belanghebbende is per brief medegedeeld, dat de aanvraag zal worden aangehouden in verband met dat bestemmingsplan. Vervolgens is een besluit tot weigering van een bouwvergunning opgesteld. Dit is meer werk dan het opstellen van een bouwvergunning.

3.9. Belanghebbende had ook in 1992 kunnen vragen naar de stand van zaken rond de beweerdelijk ingediende aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning. Belanghebbende heeft blijkbaar daarvan afgezien in verband met onderhandelingen tussen hem en de gemeente *P.

3.10. De in het dossier van belanghebbende aanwezige bouwtekening was nodig in verband met het verkrijgen van een hinderwetvergunning. Die tekening is niet voldoende voor het afgeven van een bouwvergunning. Op die tekening is de riolering niet aangegeven.

3.11. Een aanvraag tot verkrijging van een bouwvergunning bestaat uit een formulier en een bouwtekening. Wellicht had belanghebbende de bedoeling een zodanige aanvraag in te dienen, maar heeft hij geen aanvraagformulier ingediend;

Overwegende omtrent het geschil:

4.1. B en w hebben ter zitting verklaard, dat het bij de gemeente *Q destijds gebruikelijk was eerst de stukken vereist voor het verkrijgen van een hinderwet- en bouwvergunning in te dienen en in een later stadium een aanvraagformulier ter verkrijging van een bouwvergunning.

Hieruit leidt het hof af, dat in gevallen als het onderhavige waarin zowel een hinderwet- als een bouwvergunning vereist zijn, eerst een officiële aanvraag tot verkrijging van een hinderwetvergunning voorzien van de stukken vereist voor zowel de verlening van die vergunning als de bouwvergunning werd ingediend en dat eerst nà afgifte van de hinderwetvergunning officieel een aanvraagformulier ter verkrijging van een bouwvergunning werd ingediend.

4.2. Mede in het licht van het onder 4.1. weergegevene maakt belanghebbende met hetgeen hij aanvoert aannemelijk, dat hij in 1991 op advies van een ambtenaar van de gemeente *Q wel een aanvraag tot verkrijging van een hinderwetvergunning heeft ingediend maar de officiële aanvraag tot verkrijging van een bouwvergunning op dat moment achterwege heeft gelaten, omdat hij met die ambtenaar de afspraak had gemaakt dat eerst nà het verlenen van de hinderwetvergunning de procedure voor het verlenen van een bouwvergunning zou worden opgestart.

4.3. Het ligt voor de hand, dat, indien geen sprake was geweest van de gebruikelijke handelwijze bedoeld onder 4.1., het advies onder 4.2. en bedoelde afspraak, belanghebbende reeds in 1991 (tevens) een aanvraag tot verkrijging van een bouwvergunning zou hebben ingediend. Immers met enkel een hinderwetvergunning had hij zijn bedrijf niet kunnen uitbreiden als onder 2.2. vermeld.

4.4. Uit de onder 4.1. en 4.2. weergegeven omstandigheden, in onderling verband beschouwd, is af te leiden, dat de bij de aanvraag ter verkrijging van een hinderwetvergunning ingediende stukken ook bestemd waren voor en behoorden bij de aanvraag ter verkrijging van een bouwvergunning, dat bedoelde stukken compleet waren, dat in feite laatstbedoelde aanvraag compleet was op het aanvraagformulier na en dat dit aanvraagformulier nog slechts een officiële bevestiging van laatstbedoelde aanvraag was.

4.5. Gelet op de onder 4.2. en 4.3. weergegeven omstandigheden, moet het de gemeente *Q in 1991 duidelijk zijn geweest dat belanghebbende een bouwvergunning wenste te verkrijgen.

4.6. Het ligt, gelet op het vorenoverwogene, voorts voor de hand, dat in het geval belanghebbende het aanvraagformulier betreffende een bouwvergunning in een na 1991 gelegen jaar bij de gemeente Noordoost-polder zou hebben ingediend, die gemeente voor de berekening van de ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag tot verkrijging van een bouwvergunning verschuldigde leges de in 1991 geldende tarieven zou hebben gehanteerd. Immers geen enkele aanvrager zou accoord zijn gegaan met de onder 4.1. weergegeven gebruikelijke handelwijze, indien dit ertoe zou kunnen leiden dat daardoor voor een aanvraag als evenbedoeld een hoger bedrag aan leges verschuldigd zou zijn dan in het geval de aanvragen voor beide vergunningen op hetzelfde tijdstip, althans in het zelfde jaar zouden zijn ingediend.

4.7. Onder de onder 4.1 tot en met 4.6. -met name gelet op het onder 4.4. weergegevene- omstandigheden moet in dezen de aanvraag tot verkrijging van een bouwvergunning geacht worden te zijn ingediend in juli 1991. Daaraan doet niet af, dat in het normale geval eerst in een later stadium -mogelijk in een na 1991 gelegen jaar- een aanvraagformulier betreffende een bouwvergunning zou zijn ingediend en evenmin, dat belanghebbende op 26 september 1994 een zodanig formulier heeft ingediend.

4.8. De gemeente *P is de rechtsopvolger van de gemeente *Q. Dit betekent dat niet alleen voormelde gebruikelijke handelwijze en het advies de de afspraak bedoeld onder 4.2. aan *P zijn toe te rekenen, maar ook dat *P leges had behoren te heffen met toepassing van de in 1991 geldende Legesverordening 1991 van de gemeente *Q. Nu *P echter leges heeft geheven op grond van de voormelde Legesverordening 1994 en de daarbij behorende Tarieventabel, moet de onderwerpelijke factuur worden vernietigd.

5. Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op.

5.1. Ingevolge artikel 9 van de Legesverordening 1991 van de gemeente *Q wordt in gevallen waarin een bouwvergunning niet wordt verleend, de door de aanvrager vooruitbetaalde bedragen aan hem terugbetaald. Het heffen van leges op grond van die verordening zou in dezen uiteindelijk hebben geresulteerd in een bedrag van nihil. Immers reeds betaalde bedragen zouden aan belanghebbende zijn terugbetaald en in het geval nog niet zou zijn betaald zou betaling noch inning van die bedragen zin hebben.

5.2. Ingevolge de Legesverordening 1994 wordt leges geheven ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag ter verkrijging van een bouwvergunning.

Aangenomen moet worden dat het "in behandeling nemen" meer omvat dan het louter aanpakken van een aanvraagformulier met bijbehorende stukken door een medewerker van de gemeente.

Belanghebbende heeft niet dan wel onvoldoende weersproken gesteld, dat hem op 26 september 1994 bij het indienen van het aanvraagformulier is medegedeeld dat de vergunning niet zou worden verleend. Op dat moment was derhalve reeds op zijn aanvraag beslist, zonder dat enige als in behandeling nemen aan te merken werkzaamheid van (enige) betekenis ten aanzien van die aanvraag was verricht. Dit besluit is eerst later op schrift gesteld.

Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat sprake is van het in behandeling nemen van belanghebbende aanvraag als evenbedoeld. Dit brengt met zich, dat in dezen evengenoemde verordening niet de mogelijkheid biedt leges te heffen.

6. Slotsom:

Het beroep van belanghebbende is gegrond.

7. Proceskosten.

7.1. In dezen is geen sprake van een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

7.2. Voor vergoeding komen slechts in aanmerking de door belanghebbende zelf gemaakte kosten.

Het hof berekent belanghebbendes proceskosten met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures op

-reiskosten *Z-Arnhem vice versa op

basis van kosten van openbaar vervoer

-bus en trein (2e klasse)-, geschat ƒ 50,---

-verletkosten, geschat op ƒ 20,--

per uur, voor 3 uren ƒ 60,--

totaal ƒ 110,--;

Recht doende:

Vernietigt de uitspraak waarvan beroep alsmede de factuur van 30 oktober 1995;

Veroordeelt b en w voor een bedrag van ƒ 110,-- in de proceskosten van belanghebbende, te vergoeden door de gemeente *P;

Gelast b en w aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ƒ 75,-- te vergoeden.

Aldus gedaan op 22 augustus 1997 te Arnhem door

mr. Haas, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Weenink als griffier.

(G.A. Weenink) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

22 augustus 1997