Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1997:AA1089

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-12-1997
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/20228
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 1998/302
V-N 1998/37.4 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 97/20228

U i t s p r a a k

op het beroep van *X, wonende te *Z, tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te noemen beschikking.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het hof

1.1. Bij beschikking van 28 oktober 1994 heeft de inspecteur het verlies van belanghebbende over het jaar 1992 op de voet van artikel 52, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) ten bedrage van ƒ 98.438,– verrekend met het inkomen over het jaar 1991 en daarbij de aanslag over laatstgenoemd jaar herrekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 338.845,–.

1.2. Belanghebbende heeft tegen die beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 18 april 1997 heeft de inspecteur het verlies verhoogd naar

ƒ 101.066,–.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het hof. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.4. Bij de mondelinge behandeling op 12 november 1997 te Arnhem zijn verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde *, alsmede de inspecteur, *.

1.5. *De gemachtigde heeft de zaak toegelicht aan de hand van een overgelegde notitie. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze notitie en deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Feiten

Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is directeur/enig aandeelhouder van *B B.V. In de privéwoning is een kantoorruimte ingericht, van waaruit hij zijn werkzaamheden voor de vennootschap verricht.

2.2. De kantoorruimte, destijds groot 6.00 x 4.59 meter vormt niet een afzonderlijk gedeelte van het pand. Via de privévertrekken kan de ruimte worden bereikt.

2.3. Belanghebbende heeft elders geen kantoorruimte ter beschikking. Hij verwerft het gezamenlijke bedrag van de inkomsten uit arbeid en de winst uit onderneming grotendeels in of vanuit de kantoorruimte in de privéwoning.

2.4. De vennootschap betaalt een vergoeding aan belanghebbende voor het gebruik van de kantoorruimte en draagt de volledige inrichtingskosten.

2.5. Tussen belanghebbende en de vennootschap is op 28 februari 1992 een huurovereenkomst gesloten. Belanghebbende verhuurt vanaf 1 maart 1992 "het gedeelte van het woonhuis welke is ingericht als kantoorruimte" tegen

ƒ 1.250,– per maand aan de vennootschap.

2.6. In de huurprijs is begrepen het gebruik, de reparatie en het dagelijks onderhoud van:

– inrit(ten),

– parkeerplaats(en),

– keuken, toilet en garderobe,

– de extra kosten van verzekering(en), gas, water en elektra,

– een gedeelte van de kosten van onroerende-zaakbelasting.

2.7. De huurovereenkomst bevat nog de volgende clausule:

"Indien de inspecteur der directe belastingen, respectievelijk de rechter in belastingzaken, de mening is toegedaan dat de hoogte van de hu(u)r(en) gewijzigd dient te worden, dan zal na overeenstemming, deze overeenkomst c.q. bedrag(en) worden aangepast.".

2.8. Belanghebbende heeft in zijn aangifte over de verhuur het volgende vermeld:

"huur kantoorruimte woning *a-weg 32 te *Z:15.000

af: afschrijving 15% van 15.000 2.250

12.750

Op grond van de uitspraak d.d. 25 januari 1991 van het hof Leeuwarden, bevestigd door de Hoge Raad op 2 december 1992 (het zogenaamde caravanarrest), zijn deze huurinkomsten onbelast.".

2.9. De inspecteur heeft bij de berekening van het bedrag van het verlies niet aanvaard:

– afschrijving op de bloot eigendom ƒ 3.600,–

– vrijstelling van de huuropbrengstenƒ 15.000,–

ƒ 18.600,–

Bij uitspraak is alsnog in aftrek toegelaten:

– een bedrag aan huurwaardeforfait ƒ 1.592,–

– een bedrag aan energiekosten ƒ 750,–

Maximaal onbelast te vergoeden ƒ 2.342,–.

De buitengewone-lastendrempel wijzigt met 12,2% van ƒ 16.258,– ƒ 1.983,– ƒ 359,–

Totale correctie ƒ 18.241,–

Belanghebbende gaf aan een verlies van ƒ 119.277,–

De totale correctie bedraagt ƒ 18.241,–

Het verlies zou moeten zijn ƒ 101.036,–

Het verlies is door de inspecteur berekend op ƒ 101.066,–.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht een correctie van ƒ 18.241,– heeft aangebracht.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Belanghebbende heeft daaraan ter zitting nog toegevoegd, dat niet denkbaar is dat de aandelen van de vennootschap in handen van een buitenstaander komen. Verkoop van de aandelen bij scheiding of deling van de nalatenschap of de huwelijksgoederengemeenschap zal niet geschieden. Bij vervreemding van de aandelen zou volgens belanghebbende een nieuwe situatie ontstaan.

De inspecteur heeft ter zitting verklaard uit te gaan van een jaarhuur van ƒ 15.000,– in dezen.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vaststelling van het verlies op een bedrag van ƒ 115.238,–.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak en vaststelling van het verlies op een bedrag van ƒ 101.066,–.

4. Beoordeling van geschil

4.1. De inspecteur verdedigt primair het standpunt dat de kantoorruimte in 1992 aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan in de zin van artikel 42a, tweede lid, van de Wet.

4.2. De kantoorruimte is door de vennootschap gehuurd van de directeur/grootaandeelhouder van die vennootschap en bevindt zich in de privéwoning van belanghebbende. Het gaat om een ruimte die niet als een afzonderlijk geheel is te beschouwen en die vanuit de privéwoning bereikbaar is.

4.3. De inspecteur verdedigt terecht dat de kantoorruimte feitelijk permanent aan belanghebbende ter beschikking is gebleven. Belanghebbende heeft in het beroepschrift immers gesteld dat hij "zelf de beschikking over de kantoorruimte heeft behouden.". In die stelling ligt besloten dat belanghebbende op elk gewenst moment en zonder enige belemmering en met uitsluiting van derden gebruik kan maken van die ruimte, ook voor doeleinden die vreemd zijn aan zijn functie van directeur/grootaandeelhouder, zoals het drijven van zijn onderneming.

4.4. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende als eigenaar zo'n huurovereenkomst nooit met een derde zou hebben gesloten indien die overeenkomst zou meebrengen dat er daadwerkelijk vreemden over de vloer zouden komen. Belanghebbende heeft – ter zitting op dit punt ondervraagd – opgemerkt dat bij het aantreden van een nieuwe directeur het huurcontract zal worden nageleefd. Het hof acht dit ongeloofwaardig, nu belanghebbende ontwijkend antwoordt op de vraag of dit eveneens geld ingeval van echtscheiding of verkoop van de aandelen.

4.5. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat in werkelijkheid iets anders is overeengekomen dan in de huurovereenkomst is bepaald, namelijk dat verhuur van de kantoorruimte plaatsvindt onder het stilzwijgende beding dat om niet een gebruiksrecht aan de werknemer-verhuurder verstrekt wordt met uitsluiting van eventueel gebruik door derden.

4.6. De huurovereenkomst heeft dan in wezen niet tot gevolg dat de vennootschap een gebruiksrecht met betrekking tot de werkkamer heeft verkregen, doch dat belanghebbende zelf de beschikking over de werkkamer heeft behouden en daarvan zelf voor zijn werkzaamheden gebruik maakt.

4.7. In dat geval is het gelijk aan de inspecteur. Een bedrag van ƒ 12.658,– (ƒ 15.000,– minus het door de inspecteur terecht op ƒ 2.342,– vastgestelde bedrag van de maximaal onbelaste vergoeding) dient als loon uit dienstbetrekking bij belanghebbende in aanmerking te worden genomen, nu tot dat bedrag aan hem in zijn kwaliteit van werknemer van de betrokken vennootschap een bovenmatige vergoeding is verstrekt.

4.8. Belanghebbendes grief dat het bedrag van de vergoeding niet tot de inkomsten uit arbeid (loon), doch tot de inkomsten uit vermogen (huurwaardeforfait) behoort, faalt omdat die vergoeding belanghebbende niet is betaald als verhuurder van (een deel van de) woning, doch als werknemer van de vennootschap die – door, onder de hier aan de orde zijnde omstandigheden, voor zijn werkzaamheden als directeur/grootaandeelhouder gebruik te maken van kantoorruimte in de woning – kosten tot verwerving van zijn als werknemer genoten inkomsten heeft gemaakt.

4.9. Het bedrag aan verlies dient – gelet op hetgeen hiervoor onder 2.9 is vermeld – te worden gesteld op ƒ 101.066,–. In dat geval moet de uitspraak worden bevestigd.

5. Beslissing

Het gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gedaan te Arnhem op 23 december 1997 door mr. Van Schie, vice-president, als voorzitter, mr. Houtman en mr. Lamens, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 december 1997.