Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1996:AA4664

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-04-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
94/2175
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

G E R E C H T S H O F

A R N H E M

BELASTINGKAMER

Nr. 94/2175

Het gerechtshof te Arnhem, vijfde enkelvoudige belastingkamer;

Gezien het beroepschrift van *X B.V., gevestigd te *Z, ingekomen op 21 december 1994 en gericht tegen de uitspraak d.d. 15 december 1994 van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P op het bezwaar van belanghebbende tegen de haar voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting;

Gezien de overige stukken, waaronder conclusies van re- en dupliek ten aanzien waarvan het bepaalde in artikel 9 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing heeft gevonden, de door belanghebbendes gemachtigde overgelegde notities van zijn bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooi welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd, het proces-verbaal van de door het hof op 2 april 1996 gedane mondelinge uitspraak en een schriftelijk verzoek van de inspecteur de mondelinge uitspraak door een schriftelijke te vervangen;

Gehoord ter zitting van 19 maart 1996 te Zwolle

*A, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur voornoemd;

Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde aanslag is verminderd tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ *, en met

ƒ * aan in rekening gebrachte heffingsrente;

Overwegende, dat belanghebbende in beroep verdere vermindering van de aanslag verzoekt tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ *, maar zonder heffingsrente, terwijl de inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak;

Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt:

1.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 1989 aangifte gedaan van een belastbare winst van ƒ * en een belastbaar bedrag na verliescompensatie van nihil.

1.2. In haar op 7 maart 1991 bij de inspecteur ingediende aangifte vennootschapsbelasting 1989 heeft belanghebbende bij vraag C-2 de te compenseren verliezen vermeld uit de jaren 1981 tot en met 1988. Het verlies uit het jaar 1982 bedroeg volgens de aangifte ƒ *.

1.3. In de bij de aangifte gevoegde jaarrekening staat op blz. 2 onder het opschrift “Fiscale positie” vermeld:

“Over 1989 is door de fiscale eenheid geen vennootschapsbelasting verschuldigd. Na verrekening van de compensabele verliezen bedraagt het restantverlies ultimo 1989 ƒ *. Er bestaat met de fiscus nog een geschilpunt inzake het compensabel verlies uit 1982 ter hoogte van ƒ *.

De aanslagregeling is tot en met 1987 definitief”.

1.4. Medio 80-er jaren heeft de toenmalige gemachtigde van belanghebbende gepoogd met de fiscus te komen tot vaststelling van het verlies uit 1982. Tot overeenstemming is het toen niet gekomen. Het dispuut betrof de vraag of belanghebbende terecht aan een dochteronderneming

verstrekte bedragen in 1982 als verlies op leningen had afgeboekt, dan wel dat sprake was van verstrekking van informeel kapitaal.

Van dit dispuut behoort correspondentie tot de stukken.

1.5. De inspecteur heeft de aanslag met dagtekening

31 augustus 1993 vastgesteld naar een belastbaar bedrag van ƒ *. Daarbij heeft hij compensatie van het verlies uit 1982 tot een bedrag van ƒ * geweigerd.

1.6. Na het bezwaarschrift van belanghebbende en na daaropvolgende correspondentie heeft op 11 november 1994 tussen de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur een telefonisch onderhoud plaatsgehad. Daarbij is overeengekomen dat alsnog tot een bedrag van ƒ * verlies uit 1982 voor compensatie in aanmerking zou komen. De inspecteur deelde in dat gesprek tevens mee, anders dan bij een eerder compromisvoorstel, geen toestemming te hebben om heffingsrente achterwege te laten.

Bij de uitspraak is de aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ *.

1.7. Partijen hebben ter zitting kenbaar gemaakt zich te willen houden aan het door hen op 11 november 1994 gesloten compromis.

1.8. Belanghebbende is van mening, dat de inspecteur in de bij de uitspraak op bezwaar d.d. 15 december 1994 nader berekende aanslag ten onrechte heffingsrente in rekening

heeft gebracht, omdat zij in de binnen het drempeltijdvak ingediende aangifte met bijlage voldoende duidelijke gegevens heeft verstrekt.

Het bedrag van deze rente beloopt ƒ *;

Overwegende, dat het tussen partijen bestaande geschil de vraag betreft of de inspecteur terecht heffingsrente in rekening heeft gebracht;

Overwegende, dat de door partijen voor hun standpunten aangevoerde gronden in de stukken zijn vermeld en dat daaraan ter zitting - afgezien van hetgeen onder de vaststaande feiten is opgenomen - nog het volgende, zakelijk weergegeven, is toegevoegd:

Namens belanghebbende:

2. De inspecteur heeft inderdaad in verband met het niet kunnen kwijtschelden van de heffingsrente voorgesteld ƒ * in plaats van ƒ * als compensabel verlies aan te merken.

Door de inspecteur:

3.1. Uit haar brief d.d. 11 november 1994 blijkt volgens haar dat het compromis mede inhield dat de heffingsrente in stand zou blijven.

3.2. Voor het al dan niet in rekening brengen van heffingsrente is niet van belang dat de aanslagregeling bijna

2½ jaar heeft geduurd;

Overwegende omtrent het geschil:

4.1. Ingevolge artikel 30c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is voor het verschuldigd worden van heffingsrente beslissend of de aanslag uitgaat boven het bedrag van de aanslag dat verschuldigd zou zijn geweest in geval de aanslag zou zijn vastgesteld overeenkomstig de aangifte indien deze is gedaan binnen het drempeltijdvak.

4.2. Het hof is van oordeel dat belanghebbende in casu in de bij de aangifte behorende bijlage op voldoende duidelijke wijze melding heeft gemaakt van een tussen haar en de

inspecteur bestaand en bij beiden bekend dispuut over de omvang van het te verrekenen verlies uit 1982. Van een te lage aangifte in de zin van artikel 30c van de AWR is mitsdien geen sprake (Hoge Raad, 22 mei 1991, nr. 27.278, BNB 1991/199).

4.3. Dat belanghebbende na de indiening van de aangifte bij wijze compromis alsnog heeft ingestemd met een hoger belastbaar bedrag doet aan het vorenstaande niet af.

4.4. Het beroep van belanghebbende is gegrond.

Het hof berekent belanghebbendes proceskosten op

op ƒ *;

Recht doende:

Vernietigt de uitspraak waarvan beroep alsmede de daarbij verminderde aanslag;

Vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ * met inachtneming van ƒ * aan investeringsbijdragen, verder verlaagd met verrekende investeringsbijdragen uit andere jaren ten bedrage van ƒ * en zonder heffingsrente;

Veroordeelt de Staat der Nederlanden aan belanghebbende ƒ * aan proceskosten te vergoeden;

Gelast de inspecteur aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht van ƒ 75,-- te vergoeden.

Aldus gedaan op 11 april 1996 te Arnhem door mr Röben, raadsheer, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid

van mr Van der Waerden als griffier.

(A.W.M. van der Waerden) (J.B.H. Röben)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

11 april 1996

[Zie ook arrest HR nummer 32624 (red.)]