Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1996:AA4660

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-05-1996
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/1206
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1996/3426, 1.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

G E R E C H T S H O F

A R N H E M

BELASTINGKAMER

Nr. 95/1206

Het gerechtshof te Arnhem, vierde enkelvoudige belastingkamer;

Gezien het beroepschrift van *X, wonende te *Z, ingekomen op 14 juli 1995 en gericht tegen de uitspraak d.d.

20 juni 1995 van de inspecteur van de Belastingdienst/ Ondernemingen *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1993 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen;

Gezien de overige stukken, waaronder een door de inspecteur overgelegde kopie van de enveloppe waarin het bezwaarschrift is verzonden en de door belanghebbendes gemachtigde overgelegde notities van zijn bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooi welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd;

Gehoord ter zitting van 24 april 1996 te Arnhem

*A, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur voornoemd;

Overwegende, dat bij de uitspraak, waarvan beroep, belanghebbende niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar;

Overwegende, dat belanghebbende in beroep vermindering van de aanslag verzoekt tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van f 81.430,-- met inachtneming van een belastingvrije som van f 11.538,--, terwijl de inspecteur, na zijn standpunt te hebben gewijzigd, concludeert tot bevestiging van de uitspraak;

Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt:

1.1. Het aanslagbiljet is gedagtekend 31 maart 1995.

1.2. Het bezwaarschrift is gedagtekend 12 mei 1995.

1.3. Het poststempel op de enveloppe waarin het bezwaarschrift is verzonden, vermeldt als datum 15 mei 1995.

1.4. Het bezwaarschrift van belanghebbende is volgens een aantekening op het bij het vertoogschrift overgelegde afschrift daarvan bij de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P ingekomen op 16 mei 1995.

1.5. De inspecteur heeft belanghebbende wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

1.6. Belanghebbende exploiteert in de vorm van een eenmansonderneming een *a- en *b-bedrijf. Tot het ondernemingsvermogen behoren belanghebbendes woning alsmede bedrijfsgebouwen, op 1.07 ha grond. De huurwaarde van de woning is met toepassing van artikel 42, lid 9, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 te stellen op

2 11/29 × f 1.740,-- ofwel f 4.140,--.

1.7. Eén kamer van de onder 1.6. bedoelde woning was in 1993 verhuurd aan een studente. De (netto) opbrengst bedroeg f 3.600,--.

1.8. In zijn aangifte rekent belanghebbende zowel de “huurwaarde woning” (f 4.140,--) als “huur van onroerend goed“ (f 3.600,--) tot de “overige bedrijfsopbrengsten” (toelichting op de verlies- en winstrekening, blz. 15).

1.9. In bezwaar stelt belanghebbende dat de onder 1.7. bedoelde opbrengst een in privé genoten inkomste is die op grond van artikel 26, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) niet tot de inkomsten uit vermogen behoort.

1.10. In bezwaar stelt belanghebbende voorts dat zijn op

16 juni 1969 geboren, in de loop van 1992 afgestudeerde, inwonende zoon *B in 1993 voor diens levensonderhoud tot zijn last is gekomen. Belanghebbende verzoekt aftrek wegens uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van zijn zoon voor een bedrag van 4 × f 1.350,-- ofwel f 5.400,--.

1.11. De cijfermatige consequenties van de wederzijdse standpunten zijn niet in geschil;

Overwegende, dat het tussen partijen bestaande geschil de vragen betreft

of belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar, en, zo ja,

of het belastbaar inkomen in verband met minder winst uit onderneming (opbrengst kamerverhuur) en buitengewone lasten (kosten van levensonderhoud van belanghebbendes zoon) dient te worden verminderd tot f 81.430,--;

Overwegende, dat de door partijen voor hun standpunten aangevoerde gronden in de stukken zijn vermeld en dat daaraan ter zitting - afgezien van hetgeen onder de vaststaande feiten is opgenomen - nog het volgende, zakelijk weergegeven, is toegevoegd:

Namens belanghebbende:

2.1. Uit zijn urenadministratie blijkt dat het bezwaarschrift op vrijdag 12 mei 1995 gereed is gemaakt. Volgens de normale gang van zaken op zijn kantoor moet het stuk dan ook op die dag zijn getekend en met de post zijn meegegeven;

Overwegende omtrent het geschil:

3.1. Het aanslagbiljet, waarbij de onderhavige naheffingsaanslag ter kennis van belanghebbende is gebracht, is gedagtekend 31 maart 1995. De bezwaartermijn eindigde in dit geval op vrijdag 12 mei 1995.

3.2. Het bezwaarschrift is gedagtekend 12 mei 1995. Het poststempel op de enveloppe waarin het bezwaarschrift is verzonden vermeldt als datum 15 mei 1995. Het bezwaarschrift is blijkens de daarop gestelde aantekening bij de Belastingdienst/Ondernemingen *P ontvangen op dinsdag 16 mei 1995.

3.3. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht).

3.4. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat het bezwaarschrift uiterlijk op de laatste dag van de bezwaartermijn van zes weken, in dit geval vrijdag 12 mei 1995, ter post is bezorgd.

Aan dit oordeel doet niet af dat, gezien de datum van het poststempel en de ervaringen van het hof met de postbehandeling in Arnhem, aan belanghebbendes gemachtigde kan worden toegegeven dat de mogelijkheid dat het bezwaarschrift inderdaad op 12 mei 1995 ter post is bezorgd aanwezig moet worden geacht.

3.5. Belanghebbendes verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht kan hem in dit geval niet baten. Gezien de Memorie van Toelichting kan op grond van die bepaling, bij datum poststempel (maandag) 15 mei 1995, nog wel een terpostbezorging op zondagavond 14 mei 1995, na de buslichting, worden aangenomen, maar niet een eerdere terpostbezorging. De reclamant die stelt dat een bezwaarschrift toch eerder ter post is bezorgd, dient zulks op andere wijze aan te tonen.

3.6. Belanghebbende doet voorts een beroep op het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht (Resolutie van 14 oktober 1993, nr. AFZ 93/8554, Stcrt. 209, zoals gewijzigd bij Besluit van de Staatssecretaris van Financi-ën van

24 december 1993, nr AFZ 93/10954, Stcrt. 252).

3.6.1. Tot 19 mei 1995 bevatte het onder 3.6. bedoelde Voorschrift onder meer de volgende tekst (Hoofdstuk 6, bezwaarfase, paragraaf 3, verzendtheorie, laatste volzin):

Indien een bezwaarschrift binnen zeven weken na de

dag volgend op die van de dagtekening (van het aanslagbiljet) door de inspecteur is ontvangen, kan worden aangenomen dat het bezwaarschrift tijdig ter post is bezorgd.

3.6.2. De onder 3.6.1. aangehaalde tekst, welke in feite uitgaat van handhaving van de ontvangsttheorie zoals die tot

1 januari 1994 heeft gegolden (met verlenging van de bezwaartermijn van zes weken tot zeven weken) en die de invoering van de (gemitigeerde) verzendtheorie per

1 januari 1994 negeert, is in strijd met de regeling van artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: AWB) welke van openbare orde is. Hoewel aan de staatssecretaris kan worden toegeven dat de oude wettelijke regeling in het dagelijkse gebruik (voor de Belastingdienst) praktischer was dan de nieuwe, kan niet worden aanvaard dat de invoering (bij wet in formele zin) van de (gemitigeerde) verzendtheorie, die na een moeizame afweging tot stand is gekomen, per resolutie weer ongedaan wordt gemaakt.

2.3.6. Bij Besluit van 19 mei 1995, nr. 353/DGM/5, Stcrt. 95 (Vakstudienieuws 1995, blz. 1806) heeft de Directeur-Generaal der Belastingdienst namens de Staatssecretaris van Financi-ën besloten dat de Belastingdienst, vooruitlopend op de aanpassing van het Voorschrift AWB, met betrekking tot de vraag of een bezwaarschrift tijdig is ingediend, als volgt dient te handelen:

Indien een bezwaarschrift binnen zeven weken na de dagtekening (van het aanslagbiljet) door de inspecteur is ontvangen, is het aannemelijk dat het bezwaarschrift tijdig ter post is bezorgd tenzij uit het bezwaarschrift blijkt of anderszins is komen vast te staan dat de termijn is overschreden. Dit laatste doet zich bijvoorbeeld voor als het bezwaarschrift door belanghebbende is voorzien van een dagtekening waaruit blijkt dat het bezwaarschrift buiten de termijn ter post moet zijn bezorgd.

3.6.4. Ook de onder 3.6.3. aangehaalde tekst wijkt wezenlijk af van artikel 6:9 AWB en is derhalve in strijd met de duidelijke wettelijke regeling. De kern van de nieuwe wettelijke regeling is immers dat bij verzending per post

de datum van terpostbezorging bepalend is voor de vraag

of het stuk tijdig is ingediend en dat de bewijslast van de tijdige terpostbezorging op de reclamant rust. Elke aantasting van dit principe betekent in feite een verkapte herinvoering van de ontvangsttheorie.

3.7. Het hof verstaat de stellingname van belanghebbendes gemachtigde nu aldus:

Hij behoefde op vrijdag 12 mei 1995 geen bijzondere maatregelen te nemen om de tijdige terpostbezorging van het bezwaarschrift te documenteren (bijvoorbeeld door een aantekening van de terpostbezorging in zijn administratie of door het stuk aangetekend of (ook) per fax te verzenden, omdat hij aan de resolutie van de staatssecretaris het vertrouwen mocht ontlenen dat zijn enkele stelling dat het bezwaarschrift, gezien de dagtekening van het stuk en zijn urenadministratie, op 12 mei 1995 was gereed gemaakt en het, gezien de werkwijze die op zijn kantoor normaal gesproken wordt gevolgd, op dezelfde dag moet zijn getekend en ter post bezorgd, als voldoende bewijs voor de tijdige indiening van het bezwaarschrift zou worden aanvaard.

3.8. Gelet op de onder 3.6.1. en 3.6.3. aangehaalde teksten en de onder 3.7. weergegeven stellingname van belanghebbendes gemachtigde, gaat het hof ervan uit dat de onder 3.4. mogelijk geachte gang van zaken zich inderdaad heeft voorgedaan. De inspecteur heeft belanghebbende derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

4.1. Nu de woning tot belanghebbendes ondernemingsvermogen behoort, behoren alle voordelen uit die woning tot de winst uit onderneming als bedoeld in artikel 7 van de Wet. De regeling van het huurwaardeforfait in artikel 42a van de Wet doet hieraan niet af. Deze regeling is immers opgenomen in Afdeling 5 van Hoofdstuk II van de Wet en bevat bijzondere bepalingen, zowel voor de bepaling van de winst uit onderneming (Afdeling 2) als voor de zuivere

inkomsten (Afdeling 3). Toepassing van artikel 42a, lid 9, van de Wet leidt er niet toe dat de voordelen en lasten van de eigen woning tot de inkomsten in plaats van tot de winst uit onderneming gaan behoren.

4.2. Afdeling 2 kent, in tegenstelling tot Afdeling 3, geen vrijstelling voor bepaalde inkomsten uit kamerverhuur. Gezien het verschil in positie tussen ondernemers en particulieren bestaat er naar het oordeel van het hof een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor dit verschil in fiscale behandeling. Het hof wijst erop dat belanghebbende, als ondernemer, ook gebruik kan maken van verschillende fiscale faciliteiten.

5.1. De inspecteur heeft de gegevens welke belanghebbende in bezwaar en beroep met betrekking tot de financi-ële omstandigheden van zijn zoon heeft verstrekt, niet betwist. Voor wat betreft de omstandigheden van belanghebbendes zoon kan worden uitgegaan van het volgende:

5.1.1. Belanghebbendes zoon heeft zijn HBO-opleiding in 1992 afgerond met een stageperiode die tot in 1993 heeft voortgeduurd. Hij heeft over het eerste kwartaal van 1993 nog studiefinanciering ontvangen (f 1.368,--).

5.1.2. Belanghebbendes zoon is een eigen onderneming gestart waarmee hij in 1993, vòòr vermogensaftrek en investeringsaftrek, een winst behaalde van f 2.234,--. De cash-flow bedroeg f 10.018,--.

5.1.3. Belanghebbendes zoon ontving in 1993 voorts loon uit dienstbetrekking (netto f 3.236,--) en belastingrestituties (f 695,--).

5.1.4. Het eigen vermogen van de onderneming van belanghebbendes zoon bedroeg in 1993 ruim f 23.000,--.

5.2. Gezien de onder 5.1. weergegeven omstandigheden van belanghebbendes zoon is het hof van oordeel dat belanghebbende zich na het afstuderen van de zoon en in de aanloopfase van diens onderneming in redelijkheid gedrongen kon voelen aanvullend levensonderhoud te verstrekken. Gelet op de jaarcijfers van de onderneming van de zoon over 1993 kan niet worden gezegd dat het in 1993 voor belanghebbende in de rede lag de ondersteuning in de vorm van een geldlening te verstrekken.

5.3. Gelet op het bepaalde in artikel 46, lid 1, aanhef en onderdeel a, ten eerste, van de Wet, in verbinding met artikel 9, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (tekst 1993) stelt het hof de kosten van het levensonderhoud op f 1.350,-- voor elk van de laatste drie kwartalen van 1993, waarin belanghebbendes zoon geen recht meer had op studiefinanciering, in totaal derhalve op 3 × f 1.350,-- ofwel op f 4.050,--. Als buitengewone lasten is aftrekbaar f 4.050,-- - f 800,-- ofwel f 3.250,--.

6. Het belastbaar inkomen van belanghebbende dient te worden berekend als volgt:

belastbaar inkomen volgens aanslag f 88.648,-

buitengewone lasten f 3.250,--

belastbaar inkomen f 85.398,--.

7. Het beroep van belanghebbende is ten dele gegrond.

8. Het hof berekent de vergoeding voor belanghebbendes proceskosten in overeenstemming met het Besluit proceskosten fiscale procedures op 2 × f 710,-- × 0,5 ofwel f 710,--;

Recht doende:

Vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

Verklaart belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar;

Vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 85.398,-- met inachtneming van een belastingvrije som van f 11.538,--;

Veroordeelt de Staat der Nederlanden aan belanghebbende f 710,-- aan proceskosten te vergoeden;

Gelast de inspecteur aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van f 75,-- te vergoeden.

Aldus gedaan op 22 mei 1996 te Arnhem door mr Matthijssen, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Strebe als griffier.

(F.W. Strebe) (T.J. Matthijssen)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

22 mei 1996.

[Zie ook arrest HR nummer 32387 (red.)]