Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1995:AA4690

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-06-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
931238
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 1996/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

G E R E C H T S H O F

A R N H E M

BELASTINGKAMER

Nr. 931238

Het gerechtshof te Arnhem, eerste meervoudige belastingkamer;

Gezien het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van

19 mei 1993, nummer 28.992, gewezen op het beroep in cassatie van de Directeur Financi-ën van de gemeente

*P tegen de uitspraak van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch van 1 juni 1992 betreffende de aan *X B.V., gevestigd te *Z, voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de bouwgrondbelasting *a2 van de gemeente *P, bij welk arrest voormelde uitspraak, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, is vernietigd en het geding is verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van genoemd arrest;

Gezien de overige stukken, waaronder voormelde uitspraak van het hof te 's-Hertogenbosch, van de zijde van belanghebbende en de Directeur ingekomen conclusies na verwijzing, de door belanghebbendes gemachtigde overgelegde notities van zijn ter na te noemen zitting van 29 maart 1994 gehouden pleidooi welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd, en een briefwisseling met partijen naar aanleiding van door het hof in die zitting bij belanghebbende ingewonnen schriftelijke inlichtingen ten aanzien waarvan het bepaalde in de artikelen 14, eerste lid, onder 2E, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing heeft gevonden;

Gehoord in de zittingen van 29 maart 1994 en

7 februari 1995 te Arnhem belanghebbendes gemachtigde *A, en *B en *C als woordvoerders van de Directeur, welke gemachtigde en woordvoerders ter laatstgenoemde zitting werden bijgestaan onderscheidenlijk door *D, directeur van belanghebbende, en *E, makelaar te *Z, en door *F, taxateur in dienst van Kafi B.V.;

Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde aanslag welke aanvankelijk f 95.913,-- beliep, op het verzoek van belanghebbende te heffen in de vorm van een belasting gedurende dertig jaren is verminderd tot f 8.121,07;

Overwegende, dat het hof wat betreft de tekst van de Verordening Bouwgrondbelasting *a2 (hierna: de Verordening) en wat betreft de vaststaande feiten overneemt hetgeen dienaangaande in de voormelde uitspraak van het hof te 's-Hertogenbosch is overwogen;

Overwegende, dat de Hoge Raad in zijn verwijzingsarrest onder meer heeft overwogen:

“4. Beoordeling van het middel

4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was ten tijde van de vaststelling van de Verordening en zo ook op 1 juli 1988 eigenaar van 900 vierkante meter van het perceel *a ongenummerd, kadastraal bekend gemeente *P, Sectie C, nr. * gedeeltelijk. Door of met medewerking van het gemeentebestuur van *P zijn, in het kader van de uitvoering van het bestemmingsplan *a, voorzieningen van openbaar nut tot stand gebracht. Met betrekking tot het bestemmingsplan is voor een gedeelte van het gebied reeds in 1984 op grond van de Verordening bouwgrondbelasting *a (hierna: de Verordening I) afzonderlijk bouwgrondbelasting geheven.

4.2. Het Hof heeft in zijn uitspraak onder 3.7 voorts het volgende vermeld. Bij de vaststelling van het belastingtarief zowel krachtens Verordening I als krachtens de Verordening zijn in beginsel naar evenredigheid alle kosten in aanmerking genomen die betrekking hebben op de realisatie van voorzieningen in het gehele bestemmingsplan. Noch in Verordening I, noch ook in de Verordening wordt het verhaal beperkt tot de kosten van voorzieningen waardoor de percelen gelegen in het gebied waarop zij betrekking hebben zijn bevoordeeld. In het bijzonder is ter zitting blijkens de eensluidende verklaringen van partijen komen vast te staan dat in de tot de stukken behorende kostenberekening (getiteld: Kosten basis-overeenkomst, 1988 nr. *) welke het uitgangspunt vormde voor de berekening van het tarief van de onderhavige bouwgrondbelasting, mede kosten zijn begrepen van voorzieningen die in 1984 zijn voltooid en waarvoor krachtens de Verordening I een afzonderlijke bouwgrondbelasting is geheven.

4.3. Hetgeen het Hof in 5.2 t/m 5.4 van zijn uitspraak heeft aangevoerd voor zijn uiteindelijke oordeel dat de Verordening onverbindend is, moet kennelijk aldus worden opgevat dat met name uit het in 3.7 van de uitspraak overwogene moet worden afgeleid dat in de onderhavige omslag kosten zijn begrepen van voorzieningen van openbaar nut waardoor de in de Verordening bedoelde onroerende zaken niet in een voordeliger positie zijn komen te verkeren. Dat oordeel is zonder nadere motivering niet begrijpelijk. De Directeur heeft bij de behandeling voor het Hof en opnieuw in cassatie aangevoerd dat alle in het bestemmingsplan gelegen percelen door het totaal van de onderling samenhangende voorzieningen in een voordeliger positie zijn komen te verkeren. Indien deze stelling, waarover het Hof zich niet heeft uitgelaten, juist is, valt niet in te zien dat uit een of meer van de door het Hof onder 3.7 van zijn uitspraak vermelde vaststellingen zou volgen dat in de omslag kosten zijn begrepen waardoor de in de Verordening bedoelde onroerende zaken niet in een voordeliger positie zijn komen te verkeren.

4.4. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek in volle omvang.”;

Overwegende, dat het tussen partijen bestaande geschil de vraag betreft of belanghebbende terecht verdedigt dat de Verordening onverbindend is, omdat

a. haar gedeelte van het perceel C * door de voorzieningen niet geschikt is geworden voor bebouwing en niet beter geschikt is geworden voor bebouwing dan wel in een voordeliger positie is komen te verkeren,

b. in de omslag kosten zijn begrepen waardoor de in de Verordening bedoelde onroerende zaken niet in een voordeliger positie zijn komen te verkeren,

c. de omslag van de kosten van de voorzieningen op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden, dan wel

d. niet alle door de voorzieningen gebate percelen in de onderhavige belasting zijn betrokken;

Overwegende, dat de door partijen voor hun standpunten aangevoerde gronden in de stukken zijn vermeld en dat daaraan in de zittingen van dit hof nog het volgende, zakelijk weergegeven, is toegevoegd:

Ter zitting van 29 maart 1994:

Namens belanghebbende:

(1.1) Zij gaat akkoord met een behandeling in combinatie met zaak nummer 931239.

(1.2) Zij vraagt de behandeling van de zaak aan te houden en haar in staat te stellen tot de bewijslevering dat de Verordening tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing leidt, omdat er een wanverhouding bestaat in de mate waarin verschillende percelen door de voorzieningen zijn gebaat.

Namens de Directeur:

(2.1) Ook hij gaat akkoord met een behandeling in combinatie met zaak nummer 931239.

(2.2) Van de zijde van belanghebbende zijn geen nieuwe stellingen aangevoerd.

(2.3) Het perceel van belanghebbende is in een voordeliger positie komen te verkeren.

(2.4) Voor heffing van bouwgrondbelasting is niet vereist dat de gebate percelen in gelijke mate zijn bevoordeeld.

(2.5) De gemeenteraad heeft ervoor gekozen het tarief niet te differenti-ëren.

Ter zitting van 7 februari 1995:

Namens belanghebbende:

(1.3) Uit de twee rapporten van *E die over twintig jaar ervaring beschikt, blijkt de verhouding tussen het voordeel voor de twee litigieuze percelen en voor de andere percelen.

(1.4) Tot 1982 waren er smalle klinkerwegen met een summiere verlichting. Er zijn wegen toegevoegd.

(1.5) Op het binnenterrein is veel meer gerealiseerd waaraan een overmaat van kosten is besteed.

(1.6) Er is f 106,-- per m² verhaald, terwijl de uitgifteprijs f 120,-- per m² bedroeg.

Namens de Directeur:

(2.6) Het bestemmingsplan is in de loop van de tijd herhaaldelijk aangepast.

(2.7) De verdichting van de bebouwing is in de kostenopzet verwerkt en heeft ertoe geleid dat meer kavels de lasten kunnen dragen.

(2.8) De twee litigieuze percelen zijn met name door de wegverbreding gebaat.

(2.9) Op het binnenterrein waarop het merendeel van de bebouwing is terechtgekomen, kon tevoren in feite niet worden gebouwd. De voorzieningen hebben voor die grond

een groot voordeel opgeleverd.

(2.10) Er ontstaat differentiatie in de druk van het kostenverhaal door de perceelsoppervlakten.

(2.11) Een eventuele waardevermindering van de litigieuze percelen op grond van wijziging van het bestemmingsplan moet op andere wijze worden aangevochten.

(2.12) Ten tijde van de aankoop van de litigieuze percelen waren de plannen voor de verdichting van de bebouwing al bekend.

(2.13) De kosten van de voorzieningen zijn op alle gebate percelen verhaald, hetzij nadat de gemeente de grond had verworven, hetzij via een exploitatie-overeenkomst, hetzij via een bouwgrondbelasting.

(2.14) Voor alle percelen overtreft de ten gevolge van de voorzieningen ontstane waardestijging het bedrag van de verhaalde kosten;

Overwegende omtrent het geschil:

(3.1) De in het gebied *a tot stand gebrachte voorzieningen betreffen onder meer de aanleg van een riolering, de reconstructie van bestaande en de aanleg van nieuwe wegen, alsmede de plaatsing van straatverlichting en brandkranen.

(3.2) De Directeur voert na verwijzing onweersproken aan dat het gehele gebied pas na en ten gevolge van de realisering van het totaalpakket aan voorzieningen is veranderd in een riante woonwijk. Belanghebbende maakt niet waar dat specifieke kosten zoals die van aanleg van wegen, sloopkosten en omslagkosten stadsuitleg aan dit resultaat niet hebben bijgedragen.

(3.3) Uit de door belanghebbende overgelegde verklaring d.d. 14 juni 1994 van de makelaars *H en *E blijkt, dat de tot stand gebrachte voorzieningen ook voor belanghebbendes perceel tot een waardevermeerdering hebben geleid.

(3.4) Omdat de onderhavige belasting naar de peildatum 1 juli 1988 wordt geheven, mist hetgeen in de verklaring wordt aangevoerd met betrekking tot een in 1990 doorgevoerde tweede wijziging van het bestemmingsplan voor het onderhavige geding betekenis.

(3.5) De stelling van de Directeur dat het perceel van belanghebbende door de voorzieningen in een voordeliger positie is komen te verkeren, wordt daarom als juist aanvaard.

(3.6) Belanghebbende stelt na verwijzing niet specifiek dat haar perceel niet is gebaat door kosten die mede reeds in 1984 zijn verhaald op de voet van de Verordening bouwgrondbelasting *a. Het hof aanvaardt daarom de stelling van de Directeur dat alle in het bestemmingsplan gelegen percelen door het totaal van de onderling samenhangende voorzieningen in een voordeliger positie zijn komen te verkeren, als juist. Er is daarom geen reden de onderhavige Verordening onverbindend te verklaren omdat in de omslag kosten zijn begrepen waardoor de in de Verordening bedoelde onroerende zaken niet in een voordeliger positie zijn komen te verkeren.

(3.7) Het hof neemt aan dat belanghebbendes perceel dat al aan een weg was gelegen, door het totaal van de voorzieningen relatief minder is gebaat dan grond waarvoor door wegaanleg bebouwing in feite mogelijk is geworden.

(3.8) De Directeur voert echter aan dat voor alle percelen de ten gevolge van de voorzieningen ontstane waardestijging het bedrag van de verhaalde kosten overtreft. Het tegendeel is noch gesteld, noch aannemelijk geworden.

(3.9) Belanghebbende maakt voorts hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld tegenover de betwisting door de Directeur niet waar, dat de in de Verordening geregelde omslag van de kosten in evenredigheid met de oppervlakten van de percelen tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing heeft geleid.

(3.10) Belanghebbendes stelling dat de omslag van de kosten van de voorzieningen op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden, wordt dan ook verworpen.

(3.11) Het hof aanvaardt de onder (2.13) weergegeven stelling van de Directeur, welke belanghebbende niet heeft weersproken, als juist. De omstandigheid dat het kostenverhaal mede langs andere weg is gerealiseerd, geeft geen aanleiding de Verordening onverbindend te verklaren.

(3.12) De Directeur heeft belanghebbendes in het beroepschrift geuite grieven inzake het tijdstip van totstandkoming van de Verordening en inzake de specificatie van de kosten op de in het vertoogschrift neergelegde gronden, welke het hof overneemt en tot de zijne maakt, terecht niet steekhoudend geoordeeld.

(3.13) Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken;

Recht doende:

Bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus gedaan op 7 juni 1995 te Arnhem door mr. Smit, vice-president, als voorzitter, mrs. Haas en Wolt, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (D.C. Smit)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 7 juni 1995.

[Zie ook arrest HR nummer 31401 (red.)]