Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1995:AA4675

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-01-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
921497
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

belastingkamer

nr. 921497

U I T S P R A A K

Het gerechtshof te Arnhem, derde enkelvoudige belastingkamer, heeft de volgende uitspraak gedaan:

I. Aanslag en bezwaar

A. Aan belanghebbende, *X te *Z, is met dagtekening 31 maart 1992 en kohiernummer * door het dagelijks bestuur van het waterschap Noord-Veluwe (hierna: het bestuur) een aanslag opgelegd in de waterschapslasten voor het dienstjaar 1992. De aanslag bedraagt f 69,26 en is berekend uit (0.24.51 hectare ongebouwd à f 70,84 =) f 17,36 en (een belastbare opbrengst gebouwd van 159 à f 32,64:100 =) f 51,90 voor kieskring 1 (inclusief wegenzorg) in klasse 3 voor de waterbeheersing en klasse B voor de bemalingslasten.

B. Door belanghebbende is bezwaar gemaakt bij een brief die is gedagtekend 27 mei 1992 en ingekomen bij het bestuur op maandag 1 juni 1992.

C. Daarop heeft het bestuur bij uitspraak van 9 juni 1992 de aanslag gehandhaafd.

II. Geding voor het hof

A. Het beroepschrift is ter griffie ingekomen op 23 juli 1992. Daarbij zijn drie bijlagen overgelegd.

B. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift van het bestuur met de daarin genoemde bijlagen, waaronder een afschrift van de hierna onder 4 te vermelden verordening, alsmede de, als hier ingelast te beschouwen, notities van de pleidooien die bij de mondelinge behandelingen namens belanghebbende en op 8 maart 1994 namens het bestuur zijn gehouden.

C. Bij de mondelinge behandeling te Arnhem zijn gehoord:

1. op 8 januari 1993: belanghebbende, haar gemachtigde *A, alsmede *B, secretaris, en *C, hoofd financi-ële zaken van het waterschap, als woordvoerders van het bestuur;

2. op 25 augustus 1993: belanghebbende, haar voornoemde gemachtigde, alsmede *B voornoemd, bijgestaan door *D, medewerker belastingzaken van het waterschap;

3. op 8 maart 1994: belanghebbende, haar voormelde gemachtigde, alsmede *B voornoemd, bijgestaan door *E, ambtenaar van het waterschap.

D. Op 8 januari 1993 is namens het bestuur een rapport overgelegd dat in maart 1985 is uitgebracht door de dienst Waterbeheer van de provincie Gelderland, daarin begeleid door een commissie waarin onder meer de Landbouwhogeschool te *R en de Commissie voor Hydrologisch onderzoek-TNO te *S vertegenwoordigd waren. Over dat rapport (hierna: rapport-*a) rapport heeft belanghebbende zich kunnen uitlaten.

E. Op 8 maart 1994 is namens het bestuur een afschrift van het hierna onder genoemde besluit van 2 maart 1992 met het relaas van goedkeuring overgelegd, waarvan belanghebbende genoegzaam heeft kennis genomen.

F. Na de mondelinge behandeling op 8 januari 1993 en op 8 maart 1994 zijn telkens bij belanghebbende, en na die op 25 augustus 1993 bij het bestuur inlichtingen ingewonnen. Daarop zijn de artikelen 14, lid 1, onderdeel 2E, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toegepast. De desbetreffende briefwisselingen maken deel uit van de gedingstukken.

III. Conclusies van partijen

A. Belanghebbende verzoekt - naar het hof verstaat - primair de aanslag te vernietigen en te bepalen dat zij niet aanslagplichtig is, subsidiair de aanslag te verminderen tot een, berekend naar dezelfde belastbare oppervlakte en opbrengst maar voor de waterbeheersing in klasse 4.

B. Het bestuur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

IV. De verordening

A. De belastingverordening voor het waterschap Noord-Veluwe is vastgesteld door het gecombineerd college op 1 november 1985, goedgekeurd door gedeputeerde staten van Gelderland op 18 december 1985 onder nummer WB85.1978/5-WB4102.

B. Zij is gewijzigd bij besluit van het gecombineerd college van 26 mei 1987, goedgekeurd door gedeputeerde staten op 22 september 1987 onder nummer MW87.18305.MW4106.

C. Zij is nader gewijzigd bij besluit van het gecombineerd college van 2 maart 1992, goedgekeurd door gedeputeerde staten op 22 april 1992 onder nummer MW92.14756-MW6041008.

V. De vaststaande feiten

Op grond van de stukken en de voortgezette mondelinge behandeling kan als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt:

A. Op 1 januari 1992 had belanghebbende krachtens eigendom het genot van de onroerende zaak kadastraal bekend gemeente *T, sectie F, nummer * (hierna: het perceel).

B. Het perceel meet 2 451 m².

C. Het perceel ligt binnen de infiltratiezone van de Noord-Veluwe in het gebied met ‘ondiepe, onzichtbare afwatering’ volgens kaart 7 bij, en figuur 1 op blad 9 van het rapport-*a (overeenkomend met bijlage 1 bij de schriftelijke uiteenzetting van het bestuur van 4 mei 1993). Dit gebied heeft grondwatertrap VII.

D. De maaiveldhoogte van het perceel bedraagt N.A.P. +5,50m tot N.A.P. 6,00m.

E. Het waterschap Noord-Veluwe is per 1 januari 1985 opgericht bij besluit van provinciale staten van Gelderland van 23 maart 1983, nr. F-298, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 13 juli 1984, nº 47. Het polderdistrict *F en het polderdistrict *G zijn toen samengevoegd. Tevens is tussengelegen en aangrenzend gebied dat nog niet in waterschapsverband was opgenomen (ongereglementeerd gebied) aan het waterschap Noord-Veluwe toegevoegd.

F. Het perceel ligt in voormalig ongereglementeerd gebied.

G. Voordat de verordening bij besluit van 26 mei 1987 was gewijzigd, onderscheidde artikel 10, lid 1, voor de waterbeheersingsomslag vier klassen, waarvan drie betalende en één niet-betalende. De onderscheiden klassen omvatten naar hun omschrijving ongebouwde onroerende goederen die, door hun ligging, bij de werken van het waterschap

(I) veel belang hebben;

(II) belang hebben;

(III) minder belang hebben, dan wel nauwelijks of geen direct belang bij die werken hebben maar wel water leveren op, in het beheersgebied van het waterschap gelegen, watergangen;

IV. geen belang hebben en ook geen water leveren op (...) watergangen.

H. Artikel 10, lid 2, stelde de bijdrageverhouding op (klasse I:II:III:IV =) 100:80:40:0.

I. Vóór de zo-ëven bedoelde wijziging onderscheidde artikel 11, lid 1, voor de bemalingsomslag twee klassen. Deze omvatten naar hun omschrijving ongebouwde onroerende goederen binnen het bemalen gebied die voor de waterbeheersingslast ingevolge artikel 10 lid 1 waren ingedeeld in:

(A) klasse I, alsmede II met uitzondering van die welke waren gelegen in dat gedeelte waarvan onder normale omstandigheden het water door vrije lozing via de b-vaart werd afgevoerd en waarvan bij veel neerslag en bij gestremde vrije lozing de afvoer via een gemaal moest plaatsvinden;

(B) klasse III, alsmede II en niet in klasse A waren ingedeeld.

J. Artikel 11, lid 2, stelde de bijdrageverhouding op (klasse A:B =) 2:1.

K. Sedert 1 januari 1988, toen de wijziging van 26 mei 1987 in werking trad, onderscheidt artikel 10, lid 1, vijf klassen, waarvan vier betalende. Deze omvatten naar hun omschrijving ongebouwde onroerende goederen die, door hun ligging, bij de werken van het waterschap

(1) veel belang hebben;

(2) belang hebben;

(3) in mindere mate belang hebben;

(4) in geringe mate belang hebben, dan wel nauwelijks of geen direct belang bij die werken hebben maar wel water leveren op, in het beheersgebied van het waterschap gelegen, watergangen;

(5) geen belang hebben en ook geen water (enz.).

L. Sindsdien stelt artikel 10, lid 2, de bijdrageverhouding op (klasse I:II:III:IV:V =) 100:75:50:25:0.

M. Sedert de onder genoemde wijziging onderscheidt artikel 11, lid 1, voor de bemalingsomslag twee geografische deelgebieden, te weten die in kieskring I en die in kieskring V zoals aangegeven in het Bijzonder reglement van het waterschap Noord-Veluwe, alsmede drie klassen. Deze omvatten naar hun omschrijving ongebouwde onroerende goederen binnen het bemalen gebied die voor de waterbeheersingslast ingevolge artikel 10 lid 1 zijn ingedeeld in:

(A) klasse 1, alsmede in klasse 2 met uitzondering van die welke zijn gelegen in:

a. dat gedeelte waarvan onder normale omstandigheden het water door vrije lozing via de *b-vaart wordt afgevoerd en waarvan bij veel neerslag en bij gestremde vrije lozing de afvoer via een gemaal moet plaatsvinden;

b. en in dat gedeelte waar voor de waterafvoer geen, maar voor de inlaat van water wel bemaling nodig is;

(B) klasse 2 en waar voor de waterafvoer geen, maar voor de inlaat van water wel bemaling nodig is, alsmede in klasse 3, met uitzondering van de hiervoor onder (A),a genoemde;

(C) niet in klasse A of B worden ingedeeld.

N. Sindsdien stelt artikel 11, lid 2, de bijdrageverhouding op (klasse A:B:C =) 100:50:25.

O. Bij de schriftelijke uiteenzetting van 4 mei 1993 heeft het bestuur onder meer de kaart ‘wijziging klasse-indeling’ gedagtekend 23 november 1987 overgelegd. Daarin is het gebied waarin het perceel ligt niet ingekleurd, wat blijkens de legenda betekent dat de indeling in omslagklassen ongewijzigd is gebleven.

VI. Het geschil en de standpunten van partijen

A. Partijen houdt verdeeld,

1. of het onder genoemde feit medebrengt dat de grondslag voor de lastenheffing ontbreekt, wat belanghebbende primair meent doch het bestuur ontkent, en, zo neen,

2. of en in welke mate het perceel belang heeft bij de taakvervulling van het waterschap dan wel deze noodzakelijk maakt door het opleveren van waterbezwaar voor gebied dat lager gelegen is en onder de zorg van het waterschap valt.

B. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

C. Daaraan is mondeling toegevoegd - zakelijk weergegeven - namens het bestuur:

(op 3 januari 1993)

1. Het gebied van het waterschap lag vroeger naast de Zuiderzee en loosde daarop water door keersluizen. Door grondontginning kwam er meer water in. Om het water af te voeren zijn de sluizen vervangen door gemalen.

2. Hoger gelegen gronden als waartoe het perceel behoort, hebben belang bij waterconservering voor droge tijden en bij versnelde afvoer in natte tijden.

3. Door een waterleidingbedrijf wordt water onttrokken. Het waterschap bouwde inlaatstuwen om in droge tijden water omhoog te pompen, dat dichtbij het perceel komt en de grondwaterstand daarvan be-ïnvloedt.

4. Het betwiste belang van het perceel wordt technisch aangetoond door het rapport-*a.

(op 8 maart 1994)

D. (ter verduidelijking van de tweede volle alinea op blad 5 van zijn pleitnotitie:) Planten in voedselarme milieus wijzen op de aanwezigheid van kwel.

VII. Beoordeling van het geschil

A. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, is voor een rechtsgeldige heffing geen afzonderlijk besluit vereist tot indeling van de omslagplichtige percelen in omslagklassen. Omslagplichtigen worden formeel noch materieel in hun belangen geschaad doordat zij eerst uit het aanslagbiljet de klasse(n) leren kennen waarnaar zij worden belast. De Waterschapswet (Stb. 1991, 379), bevat immers niet een beperking in de bezwaar- en beroepsmogelijkheden als die welke voorkwam in artikel 17 van de Bevoegdhedenwet waterschappen (Stb. 1978, 285). Bij of krachtens het Gelders waterschapsreglement, het Bijzonder reglement voor het Waterschap Noord-Veluwe of de Belastingverordening voor het waterschap Noord-Veluwe, alle in de teksten-1992, gelden geen regels omtrent waterschapsbelastingen waarin wordt verwezen naar bepalingen van Hoofdstuk IV van de laatstgenoemde wet, zodat dat hoofdstuk en het daarin opgenomen artikel 17 ook niet door de werking van artikel 166, lid 2, van de Waterschapswet toepasselijk zijn gebleven. Vraag wordt dus ontkennend beantwoord.

B. Partijen zijn het erover eens dat het perceel niet zichtbaar water afvoert. Belanghebbende stelt ter discussie of het perceel wel in betekenende mate op onzichtbare wijze water afvoert. Het bestuur ondersteunt zijn standpunt onder meer met de ‘Verduidelijking’ die bij pleidooi op 8 maart 1994 is voorgedragen. Op blad 2 is gemotiveerd gesteld, dat het gebied waartoe het perceel behoort aanzienlijk bijdraagt aan het waterbezwaar in het benedenstrooms gelegen gebied. Mede gelet op hetgeen hierna onder wordt overwogen is daarmee aannemelijk dat ook van het perceel zelf neerslag aan het grondwater wordt toegevoegd, die ertoe bijdraagt dat het waterschap moet bemalen om zijn taak jegens lager gelegen gronden behoorlijk te kunnen vervullen. Belanghebbende maakt het tegendeel niet aannemelijk.

C. Niet aannemelijk is dat het perceel geen belang heeft bij de zorg van het schap over de erbij in beheer zijnde wegen.

D. Vóór de onder - bedoelde wijzigingen was het perceel ingedeeld in (de laagste betalende) klassen III voor de waterbeheersing en B voor de bemaling. De toelichting op die wijzigingen is overgelegd bij de voormelde inlichtingen van het bestuur. Daaruit blijkt de volgende indeling - voor zover hier van belang -:

‘Klasse 3 Gebieden met grondwatertrap II, III, IV, V en in enkele situaties VI en VII en met een waterafvoerco-ëffici-ënt van globaal 1,3 à 1,5 liter/ha/sec. (...)

Klasse 4 Gebieden met grondwatertrap V, VI en VII en/of met een waterafvoerco-ëffici-ënt van globaal 0,6 à 0,7 liter/ha/sec en/of waar sprake is van indirekt belang doordat water wordt geleverd, hetzij op zichtbare hetzij op onzichtbare wijze, op in het beheersgebied van het Waterschap gelegen watergangen en niet vallend in één van de klassen 1 tot en met 3. (...)

Klasse B (...) En bemalen gebied dat voor de waterbeheersing is ingedeeld in klasse 3, met uitzondering van het gedeelte waarvan onder normale omstandigheden het water via de *b-vaart wordt afgevoerd.

Klasse C Bemalen gebied niet vallend in klasse A of klasse B. (...)’

E. Belanghebbende betwist gemotiveerd dat de waterafvoer-coëffici-ënt van het perceel dichter bij de 1,3 l/ha/sec dan bij de 0,7 l/ha/sec ligt. Daartegenover verklaart het bestuur niet, waarom het gebied waarin het perceel ligt, behoort tot de nieuw gevormde klasse 3 en niet tot 4. Dit klemt te meer waar uit de zevenkleurige op 23 november 1987 vastgestelde kaart die het bestuur bij zijn schriftelijke uiteenzetting van 4 mei 1993 heeft overgelegd blijkt, dat naar aanleiding van de onder bedoelde wijziging geen andere verschuivingen in betalende waterbeheersingsklassen hebben plaatsgehad dan van II naar 2 en 3 en van III naar 3 en 4.

F. Daarbij komt nog het volgende.

Het bestuur betoogt in zijn voornoemde ‘Verduidelijking’ van 8 maart 1994 dat het aandeel van het subgebied ter grootte van 1 136 ha waarin het perceel is gelegen (subgebied 1), in het waterbezwaar van het lager gelegen subgebied van 4 969 ha (subgebied 2), ±60% beloopt. Deze berekening is reeds daarom onjuist omdat van subgebied 1 slechts ± a deel, zoals volgt uit vergelijking van de kaarten van 20 december 1985 en 23 november 1989 enerzijds en de voornoemde kaart bijlage 2 anderzijds, in het gereglementeerde gebied is opgenomen, waardoor - aanwijzingen voor een andere dan evenredige toerekening zijn er niet - het aandeel van dit gereglementeerde subgebied voor zover al in klasse 3 opgenomen, in het waterbezwaar van het subgebied 2 ten hoogste a van ±60% ofwel ±20% beloopt. Bij dit waterbezwaar past een indeling in klasse 4.

G. De waterbeheersingsomslag moet derhalve worden berekend naar klasse 4. Dit brengt volgens artikel 11, lid 1, van de verordening mede dat de bemalingsomslag moet worden berekend naar klasse C. Voor deze klasse voorziet (artikel 8 van) de verordening evenwel niet in een tarief.

VIII. Slotsom

De subsidiaire grief van belanghebbende is gedeeltelijk gegrond. De aanslag moet worden verminderd tot een, berekend naar 0,2451 hectare ongebouwd à (f 24,61 + f 2,04 =) f 26,65 = f 6,53 en een belastbare opbrengst gebouwd van 159 à (f 10,58 + f 3,06 =) f 13,64:100 ofwel f 21,68, te zamen f 28,22, volgens artikel 122, lid 1, van de Waterschapswet af te ronden op f 28,--.

IX. Proceskosten

De proceskosten van belanghebbende zijn te berekenen als volgt:

beroepschrift 1

verschijnen mondelinge behandeling 1

schriftelijke inlichtingen na 1e zitting 0,5

verschijnen mond. beh. 25.8 1993 na schr. inl. 0,5

verschijnen mond. beh. 8.3 1994 na schr. inl. 0,5

schriftelijke inlichtingen na 3e zitting 0,5

totaal 4 ×

f 710 × 0,25 = f 710.

X. Beslissing

Het gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van het bestuur;

- vermindert de aanslag tot f 28,--;

- veroordeelt het bestuur in de proceskosten van belanghebbende, begroot op f 710;

- wijst het waterschap Noord-Veluwe aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden;

-gelast het bestuur aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht van f 40,--te vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 26 januari 1995 door mr. Haas, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (N.E. Haas)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 januari 1995.

[Zie ook arrest HR nummer 31017 (red.)]