Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1994:AA4667

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-05-1994
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
930702
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

G E R E C H T S H O F

A R N H E M

BELASTINGKAMER

Nr. 930702

Het gerechtshof te Arnhem, eerste enkelvoudige belastingkamer;

Gezien het beroepschrift van X, wonende te Z, ingekomen op 19 maart 1993 en gericht tegen de uitspraak d.d. 21 januari 1993 van de inspecteur der registratie en successie te P op het bezwaar van belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting, welke naheffingsaanslag bij een aanslagbiljet met dagtekening 5 juni 1992 te zijner kennis is gebracht;

Gezien de overige stukken, waaronder conclusies van re- en dupliek ten aanzien waarvan het bepaalde in artikel 9 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing heeft gevonden, het proces-verbaal van de door het hof op 25 januari 1994 met schriftelijke toestemming van partijen zonder mondelinge behandeling gedane mondelinge uitspraak en een schriftelijk verzoek van belanghebbende de mondelinge uitspraak door een schriftelijke te vervangen;

Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde naheffingsaanslag is gehandhaafd op f 1.320,-- aan belasting zonder verhoging;

Overwegende, dat belanghebbende in beroep vernietiging van de naheffingsaanslag verzoekt, terwijl de inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak;

Overwegende, dat op grond van de stukken het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt:

(1.1) Bij notari-ële akte van 17 juli 1991 is een maatschap die tussen belanghebbende en zijn vader heeft bestaan, ontbonden en zijn aan belanghebbende onroerende zaken toegescheiden, waaronder de door belanghebbende en zijn ouders bewoonde woning met erf en tuin, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Z.

(1.2) Belanghebbende heeft ter zake van zijn verkrijging van genoemde woning 6% van f 33.000,-- (volgens beide partijen de waarde van de woning in bewoonde staat) = f 1.980,-- aan overdrachtsbelasting voldaan.

(1.3) De inspecteur verdedigt dat belasting over f 55.000,-- (volgens beide partijen de waarde van de woning in vrij opleverbare staat) verschuldigd is en heeft bij de omstreden naheffingsaanslag 6% van (f 55.000,-- - f 33.000,--) = f 1.320,-- nageheven.

(1.4) Gemelde akte houdt onder meer het volgende (waarin belanghebbende wordt aangeduid als junior en zijn vader als senior) in:

"Junior mag de woning met erf en tuin, behorende tot het hiervoor aan hem toebedeelde onroerend goed, gedurende het leven van senior en zijn echtgenote uitsluitend vervreemden na uitdrukkelijk verkregen toestemming van senior en zijn echtgenote, indien en zolang dezen in staat zijn zich daaromtrent te verklaren.

Senior en zijn echtgenote kunnen aan deze toestemming voorwaarden verbinden.

b. Senior en zijn echtgenote hebben bovendien te allen tijde het recht te verkrijgen, gedurende hun leven, het, te hunner keuze, zakelijk of persoonlijk recht van gebruik en bewoning van een door hen te bewonen redelijk gedeelte van het woonhuis, zulks tegen een redelijke vergoeding, te hunner keuze, eenmalig of periodiek, maximaal bedragende één/vijfde gedeelte van de uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet.

c. Bij overtreding of niet-nakoming door junior van het hiervoor onder a of b gestelde, verbeurt hij ten behoeve van senior en zijn echtgenote een onmiddellijk opeisbare boete groot vijftigduizend gulden (f 50.000,==).

De rechtverkrijgenden van senior en zijn echtgenote kunnen nimmer een beroep doen op vorenstaande boete, indien niet door laatstgenoemden reeds daartoe een vordering was ingesteld."

(1.5) Belanghebbendes ouders hebben bij onderhandse akte van

17 juli 1991 hun vordering ten bedrage van f 32.999,-- op belanghebbende ter zake van de toedeling van de woning aan hem kwijtgescholden;

Overwegende, dat het tussen partijen bestaande geschil de vraag betreft of de inspecteur terecht heeft nageheven over het verschil tussen de waarden van de door belanghebbende verkregen woning in vrij opleverbare en in bewoonde staat;

Overwegende, dat de door partijen voor hun standpunten aangevoerde gronden in de stukken zijn vermeld;

Overwegende omtrent het geschil:

(2.1) Bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van de door belanghebbende verkregen woning komt geen betekenis toe aan de omstandigheden

a. dat zijn ouders het huis ten tijde van de verkrijging bewoonden, en

b. dat belanghebbende met betrekking tot de woning op grond van het onder (1.4) bedoelde beding persoonlijke verplichtingen is aangegaan die (ook in de opvatting van belanghebbende) geen kettingbeding behelzen.

(2.2) De stelling van belanghebbende dat de meestbiedende gegadigde voor de woning met de verplichtingen van belanghebbende bekend was en mogelijk uit onrechtmatige

daad aansprakelijk zou zijn ingeval belanghebbende in strijd met die verplichtingen handelde, kan hem gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 1993, nr. 28 290 (BNB 1993/232), niet baten.

(2.3) Belanghebbendes mening dat aan zijn ouders met betrekking tot de woning een retentierecht toekwam, vindt geen steun in het recht. Voor het geval dat belanghebbende bedoelt te stellen, dat ten tijde van de verkrijging van de woning door belanghebbende zijn ouders reeds een persoonlijk of zakelijk recht tot bewoning tegen vergoeding hadden bedongen, wordt de stelling als onvoldoende waargemaakt verworpen.

(2.4) Ten overvloede: In de opvatting van belanghebbende heeft hij voor de woning een prijs betaald gelijk aan het verschil tussen de waarde van de woning in vrij opleverbare staat en de waarde van de door hem aangegane verplichtingen. Ingevolge artikel 9, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer is dan belasting verschuldigd ten minste over de waarde van de tegenprestatie (de prijs plus lasten), die te dezen gelijk is aan de som van

a. het vorenbedoelde verschil, en

b. de waarde van de verplichtingen,

en dus weer uitkomt op de waarde van de woning in vrij opleverbare staat.

(2.5) Het feit dat belanghebbendes ouders hun vordering op belanghebbende hebben kwijtgescholden, betekent niet dat de woning aan belanghebbende is geschonken zodat belanghebbende ten onrechte bepleit met betrekking tot de waardering de Successiewet 1956 toe te passen.

(2.6) Belanghebbende kan zich niet met vrucht op het gelijkheidsbeginsel beroepen omdat hij tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet waarmaakt, dat in de twee door belanghebbende genoemde, vergelijkbare gevallen waarin de inspecteur een naheffing heeft achterwege gelaten, deze bewust een standpunt heeft bepaald, of dat de inspecteur in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen een naheffing heeft achterwege gelaten;

Recht doende:

Bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus gedaan op te Arnhem door mr. Smit, vice-president, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.

(W.J.N.M. Snoijink) (D.C. Smit)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

[Zie ook arrest HR nummer 30322 (red.)]