Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1994:AA4657

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-10-1994
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
932426
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

G E R E C H T S H O F

A R N H E M

BELASTINGKAMER

Nr. 932426

Het gerechtshof te Arnhem, tweede enkelvoudige belastingkamer;

Gezien het beroepschrift van *X, wonende te *Z, ingekomen op 3 november 1993 en gericht tegen de uitspraak d.d. 6 september 1993 van de inspecteur van de Belastingdienst/ Particulieren *P op het bezwaar van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting;

Gezien de overige stukken, waaronder de door belanghebbende overgelegde notities van zijn bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooi welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd, het proces-verbaal van de door het hof op 17 juni 1994 gedane mondelinge uitspraak en een schriftelijk verzoek van belanghebbende de mondelinge uitspraak door een schriftelijke te vervangen;

Gehoord ter zitting van 7 juni 1994 te Arnhem belanghebbende, alsmede de inspecteur voornoemd;

Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van f 20.997,-- met inachtneming van een belastingvrije som van f 5.225,--, is gehandhaafd;

Overwegende, dat belanghebbende in beroep vermindering van de aanslag verzoekt tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van f 18.686,-- met inachtneming van dezelfde belastingvrije som, terwijl de inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak;

Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt:

1.1. Belanghebbende, gehuwd met *Y-X, was

in het onderwerpelijke jaar werkzaam als *.

1.2. Zijn bruto-arbeidsinkomen bedroeg f 25.674,--.

Het bruto-arbeidsinkomen van belanghebbendes echtgenote bedroeg f 56.615,-- .

1.3. Aan kosten voor kinderopvang heeft belanghebbende in dat jaar een bedrag van f 4.360,-- betaald. Voor deze kosten is geen vergoeding van een werkgever ontvangen.

1.4. Belanghebbende verdedigt dat niet het gezamenlijk bruto-arbeidsinkomen van hemzelf en zijn echtgenote tot grondslag moet worden genomen voor de berekening van de al dan niet aftrekbare kosten van kinderopvang, doch alleen het bedrag van zijn bruto-arbeidsinkomen. Hij grondt die opvatting onder andere op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende voert daarbij aan dat, in geval hij een vergoeding voor de kosten van kinderopvang zou hebben ontvangen van zijn werkgever, de hoogte van het belastingvrij te ontvangen bedrag alleen van zijn arbeidsinkomen afhankelijk zou zijn;

Overwegende, dat het tussen partijen bestaande geschil de vraag betreft of belanghebbende terecht de onder 1.4. weergegeven opvatting verdedigt, welke vraag belanghebbende bevestigend en de inspecteur ontkennend beantwoordt;

Overwegende, dat de door partijen voor hun standpunten aangevoerde gronden in de stukken zijn vermeld en dat daaraan ter zitting - afgezien van hetgeen onder de vaststaande feiten is opgenomen - nog het volgende, zakelijk weergegeven, is toegevoegd:

Door belanghebbende:

2.1. Hij merkt op dat de volgende gegevens in het vertoogschrift correctie behoeven:

- in het aanslagnummer: A11 moet zijn A22;

- onder de Feiten :* moet zijn maatschap *b;

- onder Beschouwing : De berekening aan het slot van de eerste alinea moet zijn 872 × f 3,-- = f 2.616,-- -/- f 305,-- = f 2.311,--.

2.2. Hij verwijst naar rechtsoverweging 8 in het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 december 1990, nummer 27 071,

BNB 1991/76, waaruit naar zijn inzicht blijkt dat de gevallen waarin werknemers voor de door hen gemaakte kosten van kinderopvang wel een vergoeding van hun werkgever ontvangen, gelijk zijn aan de gevallen waarin een dergelijke vergoeding niet plaatsvindt. Hij bestrijdt dat in casu sprake is van ongelijke gevallen.

2.3. Ter ondersteuning van zijn stelling dat het verschil van behandeling tussen zelf betaalde en door de werkgever vergoede kinderopvang tot een onevenredig grote ongelijkheid leidt, legt hij een kopie van een krantenartikel over.

2.4. Uit de jurisprudentie blijkt een trend dat alleen een in de wet verankerd verschil in behandeling tussen kostenaftrek en vergoeding is toegestaan. In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is de onderwerpelijke materie niet geregeld. Er is slechts een resolutie van de Staatssecretaris uit 1991.

Het hof Arnhem heeft beslist dat de in het kader van een studie gemaakte reiskosten die het bedrag van de vergoeding overstijgen, voor aftrek in aanmerking komen.

Het hof 's-Gravenhage stond toe dat het niet-aftrekbare representatiekosten wel belastingvrij konden worden vergoed.

Door de inspecteur:

3.1. Belanghebbende heeft zijn kinderopvang zelf geregeld. Zijn geval is niet gelijk aan dat waarin de werkgever een vergoeding voor de kosten van kinderopvang verstrekt. Voor zover wel sprake is van gelijke gevallen, bestaat voor het verschil in behandeling de in het vertoogschrift genoemde objectieve en redelijke rechtvaardiging.

3.2. In de door belanghebbende overgelegde kopie van een krantenartikel wordt aangegeven hoeveel voordeliger het is indien de werkgever de aan de kinderopvang verbonden kosten vergoed. Dat is allicht voordeliger dan wanneer de kosten van kinderopvang zelf moeten worden betaald, maar mist, met betrekking tot belanghebbende, overigens betekenis.

3.3. In de sfeer van de loonbelasting is er sinds 1990 artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting. Voor de inkomstenbelasting is er de in de stukken genoemde resolutie. Er was dus in het onderwerpelijke jaar, in vergelijking met de feiten in het door belanghebbende genoemde arrest van de Hoge Raad d.d. 12 december 1990, nummer 27 071, BNB 1991/76, een andere situatie.

3.4. Ook ongelijkheid in wetgeving is met name aan hogere normen, Verdragen, te toetsen.

3.5. Voor de onderwerpelijke objectieve discriminatie bestaat een redelijke grond. Dat is voldoende getoetst;

Overwegende omtrent het geschil:

4.1. Uit de resolutie inzake de kosten van kinderopvang van 31 oktober 1991, nummer DB91/1259, blijkt dat voor de bepaling van het niet-aftrekbare gedeelte van de kosten

van kinderopvang het totaal van de arbeidsinkomsten van de belastingplichtige en zijn echtgenote in acht wordt genomen. Het hof acht dit uit het oogpunt van draagkracht een redelijk uitgangspunt.

4.2. Om doelmatigheidsredenen en privacy-aspecten wordt voor de fiscale behandeling van de door de werkgever bekostigde kinderopvang uitsluitend uitgegaan van het loon in geld van de desbetreffende inhoudingsplichtige.

4.3. Het hof is met de inspecteur van oordeel dat:

- van een inhoudingsplichtige niet verlangd kan worden het inkomen van de echtgenoot/partner van zijn werknemer te achterhalen;

- een werknemer niet verplicht kan worden inkomensgegevens van de echtgenoot/partner door te geven aan zijn werkgever.

4.4. De staatssecretaris heeft in de resolutie dan ook in redelijkheid kunnen vaststellen dat voor het verschil in behandeling van de kosten van kinderopvang in het kader van de heffing van de loonbelasting en in het kader van de inkomstenbelasting de uitvoerbaarheid van de wetgeving een objectieve en redelijke rechtvaardiging biedt.

4.5. Met hetgeen belanghebbende overigens aanvoert maakt hij, tegenover de betwisting door de inspecteur, niet waar dat evenbedoeld verschil in behandeling in casu leidt tot een onevenredig grote ongelijkheid.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat de inspecteur, door de resolutie toe te passen zoals in casu is geschied, niet in strijd is gekomen met beginselen van behoorlijk bestuur.

4.7. Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Slotsom

Belanghebbendes beroep is niet gegrond;

Recht doende:

Bevestigt de uitspraak waarvan beroep.

Aldus gedaan op 19 oktober 1994 te Arnhem door mr. Van Schie, vice-president, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Egberts als griffier.

(J.L.M. Egberts) (P.M. van Schie)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 oktober 1994

[Zie ook arrest HR nummer 30789 (red.)]