Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:1993:1

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-02-1993
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
P 92/004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verpachting van zaaiklaar vers peenland. De pachter had als professioneel peenteler, die zich bewust moet zijn van ter zake eventueel bestaande risico's een onderzoeksplicht inzake de geschiktheid van de grond voor het overeengekomen gebruik. Het nalaten van onderzoek behoort dan ook voor zijn rekening te komen en in het midden kan blijven of en in hoeverre daadwerkelijk sprake was van de gestelde gebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ARNHEM

PACHTKAMER

22 februari 1993

Rolnummer: P 92/004

-MP-

Arrest

in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ( [provincie] ),

appellant,

procureur: mr. S.D. Bouwes Bavinck-van der Wal,

-t e g e n-

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geintimeerde,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

Het geding in eerste aanleg

De pachtkamer van het kantongerecht te Alkmaar heeft op 19 november 1991 tussen partijen een vonnis gewezen, dat in fotocopie aan dit arrest is gehecht en naar de inhoud waarvan wordt verwezen.

Het geding in hoger beroep

Appellant -hierna ook te noemen: [appellant] - is bij exploit van 11 december 1991, met gelijktijdige dagvaarding van geintimeerde - hierna ook te noemen: [geïntimeerde] - voor dit hof, in hoger beroep gekomen van genoemd vonnis, waarbij in conventie de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van achterstallige pacht gedeeltelijk is toegewezen en in reconventie de vordering van [appellant] tot betaling van schadevergoeding wegens wanprestatie werd afgewezen.

Bij memorie van grieven zijn na te melden grieven aangevoerd, met conclusie dat het hof het vonnis, waarvan beroep, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, aan [geïntimeerde] zijn in prima ingestelde vordering zal ontzeggen, althans hem daarin niet - ontvankelijk zal verklaren, en [geïntimeerde] zal veroordelen om aan [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van f 30.125,--, met de wettelijke rente daarover sedert 15 januari 1991 tot aan de dag van de algehele voldoening en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord is verweer gevoerd met conclusie dat het hof het vonnis, waarvan beroep, zo nodig met wijziging van gronden zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

Op 17 juli 1992 zijn door [geïntimeerde] ter griffie van het hof 22 foto’s gedeponeerd. Voorts heeft hij bij akte nog een ondertekend exemplaar van een reeds aan de memorie van antwoord gehechte verklaring in het geding gebracht.
Daarna hebben partijen de stukken aan liet hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

De Grieven

De grieven luiden:

I. Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht overwogen dat geintimeerde niet heeft gegarandeerd dat de grond geschikt was voor de peenteelt, doch appellant “min of meer klakkeloos de mededelingen van geintimeerde aanvaard”.

II. Deze grief richt zich tegen de overweging van de pachtkamer van liet kantongerecht dat peenteelt in de pas omgewerkte grond bijzondere zorg vereist en dat mede daarom het risico van de mislukking van de teelt in de eerste plaats op pachter zou rusten.

III. Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht aan geintimeerde toegewezen de vordering tot betaling van pacht over de periode van 1 mei 1987 tot eind september 1987 (vijf maanden) en de reconventionele vordering van appellant tot betaling van de schade als gevolg van de wanprestatie van geintimeerde afgewezen.

IV. Ten onrechte heeft de pachtkamer van liet kantongerecht appellant ook in conventie in alle kosten veroordeeld.

De vaststaande feiten

In hoger beroep kan van de volgende, als erkend of niet (voldoende) betwist, vaststaande feiten worden uitgegaan:

— Bij vonnis van de pachtkamer van het kantongerecht te Alkmaar van 16 januari 1990 is schriftelijk vastgelegd, dat tussen [geïntimeerde] als verpachter en [appellant] als pachter een pachtovereenkomst heeft bestaan voor de periode eind april 1987 tot en met 25 september 1987 met betrekking tot 1.750 R.R. zaaiklaar vers peenland, gelegen in de gemeente [gemeente] ( [provincie] ), kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie D, nr. 118, voor een prijs van f 13,-- per R.R., waarvan f 9,-- voor zaaiklaar maken en f 4,-- voor pacht, te betalen in drie termijnen, te weten 30% op 1 mei 1987, 30% op 1 november 1987 en 40% op 1 maart 1988, met voor [appellant] desgewenst de gelegenheid de peen op het land te laten tot 15 mei 1988 tegen voldoening van f 1,-- per R.R. voor elke maand na 31 december 1987.

— Voormelde pachtovereenkomst is door de grondkamer voor Noord-Holland bij beschikking van 17 april 1990 ongewijzigd goedgekeurd, met niet-ontvankelijkheidverklaring van het door [geïntimeerde] gedane verzoek ex artikel 9, lid 2, der Pachtwet, omdat deze reeds feitelijk was beëindigd.

— Bedoelde pachtovereenkomst is, naar door partijen in de onderhavige procedure is aangevoerd, gesloten voor de periode eind april 1987 tot en met 31 december 1987, op welke periode ook de hiervoor genoemde pachtprijs betrekking had.

— In onderling overleg hebben partijen gemelde pachtovereenkomst op 25 september 1987 beëindigd, welke beëindigingsovereenkomst per die datum ook feitelijk is uitgevoerd.

-Deze beëindiging hield verband met de omstandigheid dat de betreffende peenteelt was mislukt, althans onvoldoende resultaat had.

— [appellant] is een professioneel peenteler.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

1. Het onderhavige geschil betreft eventuele tekortkomingen van partijen in een verbintenis, die vóór 1 januari 1992 hebben plaats gevonden. Daarom zal de beoordeling daarvan en van de gevolgen daarvan ingevolge artikel 182 Overgangswet moeten geschieden naar liet vóór genoemde datum geldende vermogensrecht.

2. De pachtovereenkomst tussen partijen heeft geduurd van 1 mei 1987 tot en met 25 september 1987 en daarom is [appellant] , nu partijen bij de tussen hen gesloten beëindigingsovereenkomst niet anders hebben afgesproken, over genoemde periode de overeengekomen pachtprijs verschuldigd. De eventuele omstandigheid dat het gepachte niet geschikt was voor het overeengekomen gebruik en dat de pachter daardoor schade heeft geleden - waarover hieronder meer - kan eventueel leiden tot gehoudenheid van de verpachter tot vergoeding van die schade, doch brengt buiten het geval van ontbinding van de overeenkomst met terugwerkende kracht niet mede dat de overeengekomen tegenprestatie niet behoeft te worden voldaan. Het hof kan [appellant] in zijn, bij de toelichting op grief III gegeven, andersluidende redenering dan ook niet volgen.

3. Niet relevant is voorts de eventuele omstandigheid, dat het zaaiklaar maken van de grond in geschil waarop een gedeelte van de tegenprestatie ter grootte van f 9,-- per R.R. betrekking heeft, ook in het belang was van [geïntimeerde] zelf in verband met liet feit dat hij die grond in het daarop volgende seizoen zelf als bollenland zou gebruiken. Die omstandigheid laat immers onverlet dat volgens de afspraak tussen partijen [geïntimeerde] de grond zaaiklaar aan [appellant] ter beschikking zou stellen en dat als vergoeding voor de kosten daarvan genoemd gedeelte van de overeengekomen tegenprestatie zou strekken. Niet in geschil is dat het gepachte conform die afspraak zaaiklaar door [geïntimeerde] aan [appellant] ter beschikking is gesteld en laatstgenoemde kan er zich dan niet over beklagen wanneer hij de ter zake afgesproken vergoeding moet betalen.

4. Ingevolge artikel 24 der Pachtwet moet de verpachter instaan voor alle gebreken, welke de pachter niet kon kennen en welke deze in het genot daarvan belemmeren. Indien ervan zou worden uitgegaan dat in casu het gepachte niet geschikt was voor het overeengekomen gebruik daarvan, te weten de teelt van peen,

(partijen verschillen ter zake overigens nadrukkelijk van mening), dan komt dus de vraag aan de orde of [appellant] dat gebrek kon kennen.

5. Naar het oordeel van het hof moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Het gaat hier om vers omgewerkt grasland, derhalve om grond die in het kader van het zaaiklaar maken daarvan een ingrijpende bewerking moest ondergaan en heeft ondergaan conform het daaromtrent tussen partijen afgesprokene. [appellant] , die -naar ten processe vaststaat- voor het sluiten van de overeenkomst de grond heeft gezien, moest zich als professioneel peenteler bewust zijn van eventuele risico’s van bedoelde grondbewerking voor de structuur, de waterhuishoudkundige toestand, etc. van de grond in geschil, met name ook in verband met de door hem voorgenomen peenteelt. Hij mocht dan ook, mede gezien de aan genoemde teelt verbonden financiële belangen, niet volstaan met het hoofdzakelijk afgaan op mededelingen van [geïntimeerde] (in het midden gelaten of zulks daadwerkelijk het geval was), maar het lag op zijn weg zich ter zake door het (laten) uitvoeren van grondonderzoek voldoende zekerheid te verschaffen. Dusdoende had hij op de hoogte kunnen zijn van eventuele gebreken van de grond in geschil als door hem gesteld en de risico’s van het nalaten van een en ander behoren dan ook voor zijn rekening te komen.

In het midden kan dus blijven of en in hoeverre daadwerkelijk sprake was van gebreken als door [appellant] aangevoerd, aangezien hij dan die gebreken kon kennen in de zin als bedoeld in lid 1 van het hiervoor genoemde wetsartikel.

6. Door [appellant] is niet aangevoerd, dat het zaaiklaar maken van de grond op zichzelf op onjuiste wijze is uitgevoerd, zodat er ten processe van moet worden uitgegaan dat hij ter zake geen aanmerkingen heeft, en dit juist is uitgevoerd.

Onbesproken kan voorts blijven of en in hoeverre [appellant] bij de teelt van de peen fouten heeft gemaakt als door [geïntimeerde] gesteld, aangezien die, evenals de normaliter aan de teelt en oogst van een gewas verbonden risico’s, voor rekening van de grondgebruiker zijn.

7. Uit het vorenoverwogene volgt dat de pachtkamer van het kantongerecht terecht de reconventionele vordering van [appellant] heeft afgewezen. De vraag of het door hem in hoger beroep aangevoerde moet worden beschouwd als een vermindering van zijn eis behoeft derhalve geen bespreking meer. Hetzelfde geldt ten aanzien van het door hem gedane - in hoger beroep overigens niet expliciet herhaalde -bewijsaanbod.

8. Nu de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van f 15.925,-- slechts voor minder dan de helft van dat bedrag is toegewezen, zijn er naar het oordeel van het hof termen aanwezig voor compensatie van de in conventie tussen partijen gevallen proceskosten in dier voege dat ieder partij

de eigen kosten draagt.

Slotsom

De grieven 1, II en III zijn ongegrond; grief IV treft doel.

Het vonnis, waarvan beroep, moet worden bekrachtigd behoudens voor zover [appellant] daarbij in conventie is veroordeeld in de kosten van liet geding. Het hof merkt hierbij op dat in het vonnis, waarvan beroep, op de betreffende plaats kennelijk ten onrechte “in reconventie” staat vermeld.

[appellant] dient als de in hoger beroep hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van dat beroep.

Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

Bekrachtigt het door de pachtkamer van het kantongerecht te Alkmaar tussen partijen gewezen vonnis van 19 november 1991, waarvan beroep, behalve voor zover daarbij in conventie [appellant] is veroordeeld in de kosten van het geding,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

Compenseert de in eerste aanleg in het geding in conventie tussen partijen gevallen proceskosten des dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot heden begroot op f 780,-- voor verschotten en f 1.400,-- voor salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Spoor, Kok en Bierman en de plaatsvervangende raden mr. ing. Jansens van Gellicum en Wentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 1993 in tegenwoordigheid van mw. Freijters-Willemsen als griffier.