Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:993

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-02-2022
Datum publicatie
10-02-2022
Zaaknummer
200.301.658/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfs(winkel)ruimte. Uitleg van artikel 18.2 ROZ-voorwaarden (2003) leidt tot een enkelvoudige berekening van de boete bij huurachterstand en niet tot een ‘cumulatieve’ berekening, zoals verhuurster bepleit. Matiging van de daarnaast gevorderde boetes van € 250,- per dag omdat die boetes in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daardoor onaanvaardbaar resultaat leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvPP 2022, afl. 2, p. 63
RCR 2022/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.301.658/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, 8771368)

arrest van 8 februari 2022

in de zaak van

Rashara Vastgoed B.V.,

gevestigd te Heerhugowaard,

appellante,

bij de kantonrechter: eiseres,

hierna: Rashara,

advocaat: mr. B.J.H. Kesnich,

tegen

[geïntimeerde] , h.o.d.n. [naam1] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

bij de kantonrechter: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

niet verschenen.

1 De procedure bij de kantonrechter

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
1 juni 2021 dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft gewezen.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 31 augustus 2021 en het herstelexploot van
12 oktober 2021,

- het op 2 november 2021 aan [geïntimeerde] verleende verstek,

- de memorie van grieven, met producties 21 tot en met 30.

2.2

Vervolgens heeft Rashara de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten:

3.1

Rashara heeft met ingang van 1 september 2017 voor de duur van vijf jaren aan [geïntimeerde] verhuurd de winkelruimte van circa 200 m2 te [plaats] aan de [adres] . De huurprijs bedroeg laatstelijk € 1.151,53 per maand.

3.2

In de tussen partijen opgemaakte huurovereenkomst is in artikel 9.5 bepaald dat [geïntimeerde] de NUTS-meters op haar naam heeft te zetten en in artikel 6 dat [geïntimeerde] een waarborgsom van € 3.449,- dient te storten. [geïntimeerde] heeft een waarborgsom van € 3.429,34 aan Rashara voldaan.

3.3

Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte (ROZ-model 2003) (hierna: algemene bepalingen) van toepassing verklaard. Daarin zijn onder meer de volgende (boete)bepalingen opgenomen:

Boetebepaling

7. Indien huurder zich, na door verhuurder behoorlijk in gebreke te zijn gesteld, niet houdt aan de in de huurovereenkomst en de in deze algemene bepalingen opgenomen voorschriften, verbeurt huurder aan verhuurder, voor zover geen specifieke boete is overeengekomen, een direct opeisbare boete van € 250,00 per dag voor elke dag dat huurder in verzuim is. (... )

Bankgarantie

(…)

12.3

Ingeval de bankgarantie is aangesproken, zal de huurder op eerste verzoek van de verhuurder voor een nieuwe bankgarantie (...) zorgdragen.

(…)

12.6

Indien huurder niet voldoet aan de in dit artikel omschreven verplichtingen, verbeurt huurder aan verhuurder per overtreding een direct opeisbare boete van € 250,00 per kalenderdag dat huurder in gebreke blijft nadat huurder per aangetekende brief op het verzuim is gewezen.

Betalingen

(…)

18.2

Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand ,waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand.

3.4

[geïntimeerde] heeft een achterstand laten ontstaan in de huurbetaling. Rashara heeft [geïntimeerde] aangeschreven tot betaling van de achterstand in de verschuldigde huurpenningen. Op 22 maart 2018 heeft zij [geïntimeerde] schriftelijk meegedeeld dat zij aanspraak zou maken op de boete van artikel 18.2 van de algemene bepalingen indien de achterstand niet uiterlijk op 30 maart 2018 zou zijn voldaan. Ondanks aanmaningen is hierop geen betaling ontvangen.

3.5

Op 29 juni 2020 is [geïntimeerde] per aangetekende brief aangesproken op de bestaande huurachterstand en voorts gesommeerd om een nieuwe waarborgsom te storten, met de mededeling dat bij gebreke daarvan vanaf 7 juli 2020 aanspraak zou worden gemaakt op de boete van artikel 12.6 van de algemene bepalingen. Per saldo heeft Rashara [geïntimeerde] aangesproken tot betaling van € 142.163,73 aan achterstand, boetes en vergoeding van incassokosten. [geïntimeerde] heeft daarop per mailbericht van 2 juli 2020 geantwoord dat zij bijna geen omzet meer heeft en wel veel kosten, dat zij hoopt dat Rashara hier iets mee kan en dat ‘we iets kunnen bedenken wat voor ons allebei een oplossing is’.

3.6

De boekhouder van [geïntimeerde] heeft op 7 juli 2020 aan Rashara en aan haar gemachtigde geschreven dat [geïntimeerde] zich ervan bewust is dat de huurtermijnen moeten worden betaald maar dat er door de aanhoudende slechte resultaten helaas geen geld was om deze te voldoen. Daarnaast is bezwaar gemaakt tegen de manier waarop de boete over de huurachterstand is berekend. Opgemerkt is dat de cumulatie tot een onredelijk hoog boetebedrag leidt, zodat het beding geen stand zal houden en dat op basis van uitspraken van de gerechtshoven Amsterdam en Arnhem-Leeuwarden de boete slechts € 8.100,- zou bedragen. De boekhouder heeft namens [geïntimeerde] verzocht om vanwege haar slechte financiële toestand de mogelijkheden van een betalingsregeling en een beëindiging van het huurcontract te bespreken en om de gevorderde boete te matigen.

3.7

Met een brief van 22 juli 2020 heeft Rashara aan de boekhouder van [geïntimeerde] geantwoord dat zij vasthoudt aan de wijze waarop zij op basis van de algemene bepalingen de boetes heeft berekend, maar dat zij bereid is tot matiging daarvan als betaling ineens plaatsvindt en dat zij een voorstel afwacht.

3.8

In een brief van 20 november 2020 heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 december 2020 en Rashara meegedeeld dat zij het gehuurde per die datum ontruimd zal hebben. Rashara heeft daarop geantwoord die opzegging niet te accepteren en [geïntimeerde] erop gewezen dat met ingang van 1 september 2017 gehuurd is voor een periode van vijf jaren en de overeenkomst dus pas zal eindigen per 1 september.

3.9

Rashara heeft van Enexis de melding ontvangen dat voor de elektra- en gasmeter in het gehuurde een energieleveringscontract ontbreekt. Rashara heeft [geïntimeerde] bij aangetekend schrijven van 4 januari 2021 verzocht om per omgaande een nieuw energiecontract op haar naam af te sluiten, en dat anders vanaf 11 januari 2021 aanspraak zou worden gemaakt op de in artikel 7 van de algemene bepalingen genoemde boete.

4 Het geschil en de beslissing van de kantonrechter

4.1

Rashara heeft - samengevat - na vermeerdering van eis gevorderd de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van:

  1. € 28.777,77 aan achterstallige huur over de periode van mei 2018 tot en met
    september 2020, ingeval de boetevordering sub b. wordt afgewezen te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over iedere huurtermijn vanaf de 1e dag van de maand dat die termijn was verschuldigd;

  2. € 128.070,64 aan boete ex artikel 18.2 algemene bepalingen over de periode van
    mei 2018 tot en met september 2020 minus de waarborgsom van € 2.429,34, te vermeerderen met € 300,- voor iedere afzonderlijke factuur voor iedere maand na oktober 2020 dat de factuur niet volledig is voldaan dan wel in geval deze vermeerdering wordt afgewezen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;

  3. € 3.454,59 aan nieuwe waarborgsom;

  4. € 16.500,- aan boete ex artikel 12.6 algemene bepalingen over de periode van
    7 juli 2020 tot en met 10 september 2020, te vermeerderen met € 250,- per dag voor iedere dag na 6 juli 2020 dat de waarborgsom niet is betaald dan wel in geval deze vermeerdering wordt afgewezen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

  5. € 1.151,53 per maand vanaf 1 oktober 2020 tot het tijdstip dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd;

  6. € 2.516,08 aan vergoeding van incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

  7. € 20.250,- aan boete ex artikel 7 van de algemene bepalingen over de periode van 11 januari 2021 tot en met 1 april 2021, te vermeerderen met € 250,- voor iedere dag na 1 april 2021 tot uiterlijk 1 september 2022 dat er geen nieuw energiecontract op naam van [geïntimeerde] is afgesloten, dan wel in geval deze vermeerdering wordt afgewezen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en

  8. de proceskosten, een vergoeding voor nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente na 7 dagen na betekening van het vonnis.

4.2

De kantonrechter heeft in het vonnis van 1 juni 2021 [geïntimeerde] veroordeeld aan Rashara te betalen:

  1. € 28.777,77 aan achterstallige huur tot en met september 2020, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over ieder betreffend gefactureerd huurbedrag vanaf de 1e dag van de desbetreffende maand dat de betreffende huurtermijn verschuldigd was tot aan de dag der algehele voldoening;

  2. € 3.454,59 ter zake de nieuwe waarborgsom;

  3. € 6.000,- aan boetes, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  4. € 1.151,53 per maand, niettegenstaande enige toekomstige indexering van de huurprijs, zijnde de door [geïntimeerde] aan Rashara verschuldigde huur, te rekenen vanaf l oktober 2020 tot aan het tijdstip dat de onderhavige huurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, doch uiterlijk 31 augustus 2022;

  5. € 2.516,08 ter zake de verschuldigde incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

[geïntimeerde] is tot slot veroordeeld in de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente indien zij die niet binnen 14 dagen betaalt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

5 De vordering in hoger beroep

Rashara vordert in hoger beroep - samengevat - de vernietiging van het vonnis van de kantonrechter te Assen van 1 juni 2021, voor zover dat ziet op de boetebedragen en de buitengerechtelijke kosten, en opnieuw rechtdoende de toewijzing alsnog van deze vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide procedures, een vergoeding voor nakosten en wettelijke rente daaronder begrepen.

6 De beoordeling van de grieven en de vordering

De omvang van het hoger beroep

6.1

Rashara heeft tegen het vonnis van 1 juni 2021 drie grieven opgeworpen. Grief 1 ziet op het verwerpen van de gevorderde boetes op wanbetaling van de huurtermijnen. Met grief 2 komt zij op tegen de matiging van de boete aangaande [geïntimeerde] verplichtingen omtrent de waarborgsom. Tot slot keert grief 3 zich tegen wat is overwogen en beslist over de buitengerechtelijke kosten.

Uitleg boete op basis van artikel 18.2 algemene bepalingen

6.2

De kantonrechter heeft de door Rashara in verband met de niet (tijdig) betaalde huurtermijnen gevorderde contractuele boete (€ 128.070,64 vermeerderd met € 300,- per maand voor iedere termijn die [geïntimeerde] onbetaald laat) afgewezen omdat Rashara deze ten onrechte gecumuleerd heeft berekend. Rashara bestrijdt dat de boete over iedere niet (tijdig of volledig) betaalde huurtermijn enkelvoudig moet worden berekend en verwijst daartoe onder meer naar de arresten van het hof Amsterdam1.

6.3

[geïntimeerde] heeft in de procedure bij de kantonrechter, anders dan Rashara meent, voldoende duidelijk verwezen naar het door haar boekhouder ingenomen standpunt dat Rashara de boetes verkeerd bereken. [geïntimeerde] boekhouder heeft zich in dit verband onder meer beroepen op rechtspraak van dit hof2 en van het hof Amsterdam3.

6.4

Er bestaat daarmee verschil over de uitleg die aan artikel 18.2 van de algemene bepalingen moet worden gegeven. Partijen hebben zich beide beroepen op rechtspraak. Rashara heeft daarnaast toegelicht dat voor de uitleg de zogeheten Haviltex-maatstaf4 moet worden toegepast. Volgens Rashara is aldus een redelijke uitleg dat voor elke maandelijkse huurtermijn die niet tijdig is betaald, iedere maand opnieuw een boete is verschuldigd van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, met een minimum van € 300,- per maand, ofwel dat sprake is van een cumulerende minimumboete per iedere huurtermijn per maand.

6.5

Het hof volgt Rashara niet in haar uitleg. Allereerst geldt dat de bewoordingen van artikel 18.2 en met name de woorden “van het verschuldigde” ruimte laten voor de ene dan wel de andere uitleg. Ook de woorden “Telkens indien” zijn niet zo eenduidig dat die alleen betekenis zouden hebben bij de door Rashara bepleite uitleg. Ook bij een enkelvoudige uitleg van de boetebepaling hebben die woorden zin omdat daarmee buiten twijfel wordt gesteld dat voor iedere nieuwe onbetaald gelaten huurtermijn een boete wordt verschuldigd, terwijl die woorden niet duidelijk maken dat daarmee ook de wijze van berekenen is gegeven.

6.6

Verder geldt dat een enkelvoudige boete van € 300,- (en zeker bij een geldende huur van € 1.151,53 per maand) als een voldoende prikkel tot tijdige nakoming heeft te gelden. Een gecumuleerde boete als door Rashara gevorderd, leidt al snel tot zodanig hoog boetebedrag dat daarmee de huurachterstand zelf verre wordt overstegen. Dat is ook in dit geval aan de orde. Rashara maakt immers over de huurachterstand van € 28.777,77 (berekend tot en met september 2020) aanspraak op een boete van € 128.070,64 (berekend tot en met september 2020). De gevorderde boete bedraagt daarmee al meer dan het viervoudige van de huurachterstand zelf. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat deze boete volgens Rashara iedere kalendermaand met € 8.400,- (28 huurtermijnen in de periode van mei 2018 tot en met september 2020 × € 300,- per huurtermijn) zou moeten worden verhoogd. Als dat wordt doorgetrokken naar nu, zou de uitleg van Rashara ertoe leiden dat de boete inmiddels zou zijn opgelopen van € 128.070,64 per oktober 2020 naar zo’n € 270.000,-, ofwel bijna het tienvoudige van de huurachterstand. Dat wijst er al op dat de door Rashara verdedigde ‘cumulatieve’ uitleg niet juist is.

6.7

Verder is van belang dat het Rashara als verhuurder is die de algemene voorwaarden op de verhouding van [geïntimeerde] van toepassing heeft willen verklaren en dat gesteld noch gebleken is dat partijen over de algemene bepalingen - met name over de daarin opgenomen boetebepalingen - hebben onderhandeld. Onweersproken is dat [geïntimeerde] in de vorm van een eenmanszaak in het gehuurde een eenmanszaak exploiteerde en daarmee als een kleine ondernemer heeft te gelden. Dit alles weegt mee om de voor [geïntimeerde] als huurster gunstige uitleg te laten prevaleren. Tot slot geldt dat deze laatste uitleg (enkelvoudige berekening van de boete) aansluit bij wat het hof eerder in een vergelijkbaar geval heeft beslist5 als ook het hof Amsterdam6, dat daarbij uitdrukkelijk afstand heeft genomen van zijn eerdere uitspraken als door Rashara genoemd, en het hof Den Bosch7.

6.8

Uit een en ander volgt dat de kantonrechter de door Rashara bepleite ‘cumulatieve’ berekening terecht heeft verworpen. Van een strijd met fundamentele rechtsbeginselen van rechtszekerheid en contractsvrijheid en/of het stelsel van de wet (wil- en vertrouwensleer), zoals Rashara aanvoert, is daarmee geen sprake. Grief 1 faalt daarom.

Matiging van de boete

6.9

Rashara heeft verder aangevoerd dat de kantonrechter niet tot matiging van de andere gevorderde boete had kunnen beslissen. In dat verband heeft Rashara - samengevat - aangevoerd dat [geïntimeerde] niet om matiging van de boetes had verzocht, dan wel dat niet deugdelijk heeft onderbouwd. Volgens Rashara is daarmee sprake van een ongeoorloofde ambtshalve matiging door de kantonrechter. Als dat anders is, zo vervolgt Rashara, bestaat er geen (voldoende) aanleiding voor een vergaande verlaging van de contractueel verschuldigde bedragen omdat [geïntimeerde] daarvoor onvoldoende heeft gesteld, laat staan gemotiveerd en onderbouwd met bewijs. De daarmee voor matiging geldende hoge drempel is daarmee (bij lange na) niet gehaald, aldus Rashara met haar grief 2.

6.10

[geïntimeerde] heeft haar verweer bij de kantonrechter mede gebaseerd op de daarbij door haar overgelegde stukken en daar kortheidshalve naar verwezen. Dat verweer, vervat in bedoelde stukken en in samenhang gelezen, laat zich samenvatten als volgt. [geïntimeerde] heeft een tijd geen huur betaald, maar lang geen betalingsherinneringen gehad totdat in mei 2020 ineens aanspraak werd gemaakt op hoge boetes. Voor het niet betalen van huur en haar niet-goedlopende zaak heeft zij in februari 2020 een oplossing gevraagd. Op dat moment en ook later in mei 2020 is de vraag gesteld naar de mogelijkheden van een betalingsregeling en een eerder verbreken van het huurcontract. Te kennen is gegeven dat de omzet onvoldoende was om de kosten van de zaak te betalen en er sprake was van een schulden- en faillissements-
situatie, waarbij er vanwege huwelijkse voorwaarden bij haar geen bezittingen zijn. De boekhouder van [geïntimeerde] heeft, zo blijkt uit de overgelegde brief van 7 juli 2020, aan het door Rashara ingeschakelde incassobureau om matiging van de gevorderde boete gevraagd.

6.11

Anders dan Rashara meent, heeft [geïntimeerde] met de expliciete verwijzing in haar verweer bij de kantonrechter naar de brief van haar boekhouder in voldoende duidelijke bewoordingen een beroep gedaan op matiging van de gevorderde boetes. Deze verwijzing volgt immers op een korte uiteenzetting dat het [geïntimeerde] financieel niet goed gaat, dat het in mei 2020 gevorderde boetebedrag haar rauw op het dak viel, zeker in de Covid-19-situatie waarin zij zakelijk verkeerde en dat zij samen met haar boekhouder een brief heeft gestuurd waarin iets staat over de boeteclausule. Aan haar verweer heeft zij vervolgens een overzicht van omzet en kosten gevoegd, wat van betekenis is bij een vraag of matiging van een contractuele boete is aangewezen. De stelling van Rashara dat [geïntimeerde] in de procedure bij de kantonrechter geen beroep op matiging heeft gedaan en de kantonrechter daartoe ambtshalve is overgegaan, wordt daarmee verworpen.

6.12

Wat betreft de matiging zelf geldt het volgende. De rechter mag een contractuele boete matigen als de toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt8. Daarbij zijn de omstandigheden van het geval uiteindelijk beslissend, en mag de rechter gewicht toe te kennen aan de hoedanigheid van partijen9.

6.13

Het hof neemt, gelet op wat is aangevoerd, het volgende in aanmerking:

- Beide partijen hebben in het kader van de uitoefening van hun beroep of bedrijf de overeenkomst gesloten. [geïntimeerde] is echter een kleine ondernemer die in het gehuurde een kledingzaak exploiteert. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] zich bij het sluiten van de overeenkomst heeft laten bijstaan door een derde.

- De huurovereenkomst is, gezien de eerste pagina daarvan, door Rashara opgesteld. In die huurovereenkomst wordt verwezen naar algemene bepalingen waarin de boetebedingen zijn opgenomen. Die algemene bepalingen zijn opgesteld door een derde (en niet door partijen) en zijn bedoeld om gebruikt te worden bij tal van huurovereenkomsten, met variërende huurprijzen. Gesteld noch gebleken dat over de boetebedingen is onderhandeld.

- Uit het feit dat Rashara naast de contractuele boete ook aanspraak maakt op wettelijke (handels)rente, maakt het hof op dat Rashara de boete alleen ziet als een aansporing tot nakoming, en dat deze niet ook strekt tot vergoeding van schade die wordt veroorzaakt door de vertraging in de betaling van een geldsom (waarvoor immers die rente dient).

- De boetebedingen houden in dat de huurder een boete van € 250,- per dag verschuldigd is zo lang de huurder de betreffende verplichting niet (volledig) nakomt, wat leidt tot het zeer hoge bedrag van (circa) € 7.500,- per kalendermaand voor iedere gestelde overtreding.

- Vanwege het niet opnieuw stellen van een borgsom vordert Rashara € 16.500,- (berekend tot 10 september 2020) vermeerderd met € 250,- per dag vanaf 10 september 2020. Ten tijde van het vonnis van 1 juni 2021 zou dit bedrag dan zijn opgelopen tot circa € 81.500,-.

- Vanwege het niet meer hebben van een energiecontract ten behoeve van het gehuurde vordert Rashara € 20.250,- (berekend tot 1 april 2021). Ten tijde van het bestreden vonnis zou dit zijn opgelopen tot circa € 35.000,-.

- Of Rashara schade heeft geleden doordat [geïntimeerde] niet opnieuw een borgsom heeft gesteld of niet opnieuw een energiecontract voor het gehuurde heeft afgesloten, is niet gesteld, laat staan uitgewerkt.

- Rashara heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de exploitatie van het gehuurde voor [geïntimeerde] verlieslatend is geweest en dat haar situatie als financieel precair moet worden aangemerkt. De brief van de boekhouder van 7 juli 2020, het door [geïntimeerde] overgelegde overzicht van omzet en kosten, het feit dat [geïntimeerde] al lange tijd de huur niet (volledig) heeft betaald en zij de exploitatie van het gehuurde inmiddels voortijdig per december 2020 heeft beëindigd, geven daaraan ondersteuning.

- [geïntimeerde] heeft al eerder aandacht gevraagd voor haar (financiële) situatie en gevraagd naar oplossingen. Gesteld noch gebleken is dat daarop door of namens Rashara inhoudelijk is gereageerd.

6.14

Al met al is sprake van een forse boete die oploopt tot extreem hoge bedragen, terwijl het bestaan van schade (anders dan die waarop de wettelijke (handels)rente ziet) op de hier aan de orde zijnde aspecten niet aannemelijk is. Gelet daarop en gezien de overige omstandigheden van dit geval, was dat naar het oordeel van het hof voor de kantonrechter voldoende om te komen tot de conclusie dat sprake is van een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. Dit betekent dat de kantonrechter de boete terecht heeft gematigd. De grief faalt.

Vergoeding van buitengerechtelijke kosten

6.15

Wat betreft de door Rashara gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten geldt dat zij daarvoor in haar dagvaarding bij de kantonrechter om de toewijzing van € 2.516,08 heeft gevraagd. Dit bedrag is door de kantonrechter ook toegewezen als inhoudelijk niet betwist. In hoger beroep heeft Rashara haar vordering niet vermeerderd, ook niet op dit onderdeel. Dat de kantonrechter die vergoeding op een te laag bedrag heeft berekend en daardoor een te laag bedrag heeft toegewezen, zoals Rashara in de toelichting op grief 3 schrijft, is daarmee niet te volgen. De grief faalt.

7 De slotsom

7.1

De slotsom is dat de grieven falen en het vonnis van de kantonrechter, voor zover aan hoger beroep onderworpen, moet worden bekrachtigd.

7.2

Rashara wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] , die gelet op het verstek nihil zijn.

8 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Assen van 1 juni 2021, voor zover aan hoger beroep onderworpen;

veroordeelt Rashara in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] gesteld op nihil;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, J.H. Kuiper en W.P.M. ter Berg, en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 februari 2022.

1 arresten van 8 september 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:3716) en 7 juni 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:216)

2 arrest van 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:714

3 arrest van 17 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4499

4 HR 13 maart 1981, NJ 1981/635

5 zie noot 2

6 zie noot 3

7 arrest van 16 maart 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:892

8 zie artikel 6:94 BW en HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638

9 zie o.m. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4986