Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:8162

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-09-2022
Datum publicatie
22-09-2022
Zaaknummer
200.308.327/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationaal auteursrechtgeschil. Toepasselijk recht op grond van artikel 8 lid 1 Verordening Rome II in verbinding met artikel 10:159 BW. Inhoud en toepassing van de reciprociteitstoets van artikel 2 lid 7 Berner Conventie op de vormgeving van een voertuig. Geen bescherming in het land van oorsprong, daarom ook niet in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.308.327

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 395663)

arrest in spoedappel van 6 september 2022

in de zaak van:

de vennootschap naar vreemd recht

Jaguar Land Rover Limited,

gevestigd te Whitley, Verenigd Koninkrijk,
appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: JLR,
advocaten: mrs. S.A. Klos en A. Ringnalda,

tegen:

de vennootschap naar vreemd recht
Ineos Automotive Ltd,
Gevestigd te Lyndhurst, Verenigd Koninkrijk,
geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: Ineos,
advocaten: mrs. K.Th.M. Stöpetie en H.W.J. Lambers.

1 De procedure bij de voorzieningenrechter

Voor de procedure bij de voorzieningenrechter verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 16 februari 20221 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem.

2 De procedure bij het hof

2.1

Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:

  • -

    de spoedappeldagvaarding van JLR van 16 maart 2022 met daarin opgenomen de grieven,

  • -

    de memorie van antwoord van Ineos met een incidentele grief,

  • -

    de memorie van antwoord van JLR in het incidenteel hoger beroep,

  • -

    een akte overlegging aanvullende producties (36 t/m 47) van JLR, door het hof ontvangen op 8 juni 2022,

  • -

    een akte inzake producties (16 t/m 20) van Ineos met toelichting, gedateerd 16 juni 2022, door het hof ontvangen op 18 juni 2022,

  • -

    een akte inzake producties (48 t/m 52) van JLR met toelichting, gedateerd 17 juni 2022, door het hof ontvangen op 20 juni 2002,

  • -

    een akte overlegging aanvullende producties (53 t/m 55) van JLR, door het hof ook ontvangen op 20 juni 2022.

2.2

Vervolgens heeft op 22 juni 2022 een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

Het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling, met daaraan gehecht de notities van de advocaten van partijen, bevindt zich bij de processtukken. Aan het einde van de mondelinge behandeling is een datum voor arrest vastgesteld.

2.3

JLR vordert, samengevat, dat i) het vonnis van de voorzieningenrechter van
16 februari 2022 wordt vernietigd, ii) haar vorderingen alsnog worden toegewezen en iii) Ineos op de voet van artikel 1019h Rv in de volledige kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter en het hof wordt veroordeeld.

2.4

Ineos vordert op haar beurt in het incidenteel hoger beroep dat JLR alsnog in de volledige proceskosten van eerste aanleg wordt veroordeeld en dat de kosten van het incidenteel hoger beroep op nihil worden gesteld.

3 Waar gaat deze zaak over?

3.1

Centraal in dit kort geding staat de vraag of de driedimensionale vormgeving van het exterieur van de Land Rover Defender (afbeelding 1) in Nederland auteursrechtelijke bescherming geniet. JLR stelt zich op het standpunt dat Ineos met de (voorgenomen) verhandeling van haar Grenadier (afbeelding 2) in Nederland inbreuk maakt op de auteursrechten van JLR op het uiterlijk van de Land Rover Defender.

afbeelding 1, Land Rover Defender afbeelding 2, Grenadier

3.2

Het hof zal de vraag net als de voorzieningenrechter maar op andere gronden ontkennend beantwoorden. Het hof legt hierna uit waarom.

4 De relevante feiten en de procedure bij de voorzieningenrechter

4.1

In hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten. Bij de vaststelling van de feiten heeft het hof rekening gehouden met de onder grieven 1 en 2 geformuleerde bezwaren van JLR tegen de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter. Het hof zal die grieven daarom niet verder inhoudelijk behandelen.

4.2

JLR is een van de grootste producenten van luxe personenauto’s ter wereld, waaronder vierwiel-aangedreven terreinwagens, zoals de Land Rover Defender.

4.3

Tussen 1983 en 2016 hebben JLR en haar rechtsvoorgangers een terreinwagen op de markt gebracht, eerst onder het merk Land Rover One-Ten (1983) (afbeelding 3) en later onder het merk Land Rover Defender (zie afbeelding 1).

afbeelding 3, Land Rover One-Ten

4.4

Kenmerkend voor de Land Rover One-Ten en de Land Rover Defender is de rechte horizontale ononderbroken lijn, de zogenaamde “schouderlijn”. De schouderlijn werd door JLR en haar rechtsvoorgangers voor het eerst toegepast in het in 1958 geïntroduceerde model Series II (afbeelding 4).

afbeelding 4, Series II

4.5

De Series II verving de voorlopers die JLR en haar rechtsvoorgangers tussen 1948 en 1958 op de markt hebben gebracht (de zogenaamde Series I, afbeelding 5 en 6).

afbeelding 5 en 6, Series I

4.6

JLR heeft in 2015 aangekondigd dat zij met ingang van 2016 de (massa)productie van de op dat moment in productie zijnde Land Rover Defender zou stoppen en met een nieuwe Land Rover Defender zou komen (afbeelding 7). Die Land Rover speelt in dit kort geding geen rol.

afbeelding 7

4.7

In de zomer van 2016 heeft [naam1] , [functie] van Ineos Group Ltd., in de media aangekondigd dat Ineos onder de naam Grenadier een vierwiel-aangedreven terreinwagen zal gaan ontwikkelen en op de markt zal gaan brengen. Het management van Ineos heeft het management van JLR benaderd om te onderzoeken of JLR bereid was mee te werken aan het plan van Ineos om de Land Rover Defender nieuw leven in te blazen. Daartoe leek JLR in eerste instantie bereid, maar tot een samenwerking is het niet gekomen.

4.8

Ineos heeft vervolgens in een zelf opgerichte fabriek in Engeland de Grenadier ontworpen. Vanaf eind september 2021 is het mogelijk om via de website Ineosgrenadier.com een Grenadier te reserveren, die naar verwachting medio 2022 in Nederland verkrijgbaar zal zijn.

4.9

JLR heeft op grond van haar gestelde auteursrechten op de uiterlijke vormgeving van de Land Rover Defender Ineos gesommeerd de (voorgenomen) verhandeling van de Grenadier in Nederland te staken en gestaakt te houden. Ineos heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

4.10

JLR heeft Ineos vervolgens in kort geding gedagvaard. In kort geding heeft JLR gevorderd dat Ineos op straffe van een dwangsom wordt bevolen de verhandeling van de Grenadier te staken en gestaakt te houden, met veroordeling van Ineos in de volledige proceskosten.

4.11

De voorzieningenrechter heeft in haar vonnis van 16 februari 2022 de vorderingen van JLR op materiële gronden afgewezen. Aan haar oordeel ligt ten grondslag dat de

Defender vormgeving, waarop JLR zich beroept, naar Nederlands recht onvoldoende oorspronkelijk is om als werk te worden aangemerkt alsook onvoldoende objectief en nauwkeurig kan worden geïdentificeerd. De voorzieningenrechter heeft JLR veroordeeld in de proceskosten van Ineos, door haar op grond van de Indicatietarieven in IE-zaken (versie april 2017) vastgesteld op € 15.676, -.

5 De beoordeling van de grieven

Omvang van het hoger beroep

5.1

JLR heeft naast de hiervoor genoemde twee grieven tegen de vaststelling van de feiten door de voorzieningenrechter, elf grieven gericht tegen de inhoudelijke beoordeling van haar vorderingen door de voorzieningenrechter en de afwijzing ervan. Doel van de grieven van JLR is dat het hof het auteursrechtelijk geschil tussen partijen in zijn geheel opnieuw beoordeelt.

5.2

Ineos heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding zoals vastgesteld door de voorzieningenrechter.

5.3

Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk behandelen aan hand van de volgende thema’s.

Grondslag van de vorderingen

5.4

JLR heeft de grondslag van haar vorderingen in hoger beroep gepreciseerd.
Zij beroept zich primair op haar auteursrechten op de uiterlijke vormgeving van de Land Rover Defender, zoals concreet afgebeeld onder 12 van de inleidende dagvaarding en voor het eerst toegepast in de Defender One-Ten (hierna ook: de Defender Vormgeving). Subsidiair beroept JLR zich op een combinatie van haar auteursrechten op de Defender Vormgeving en de geschouderde basisvorm, zoals voor het eerst toegepast in de Series II (hierna ook: de Geschouderde Basisvorm). Meer subsidiair beroept JLR zich op haar auteursrechten op alleen de Geschouderde Basisvorm.

5.5

Het hof is van oordeel dat JLR met haar nadere toelichting de voorwerpen waarvoor zij auteursrechtelijke bescherming inroept voldoende objectief en nauwkeurig heeft geïdentificeerd2. In zoverre slagen de daarop betrekking hebbende grieven 3 en 5.

Spoedeisend belang

5.6

Het hof stelt ambtshalve vast dat de vorderingen van JLR, gelet op hun aard en inhoud, spoedeisend zijn.

Internationaal auteursrechtgeschil

5.7

Het auteursrechtelijke geschil tussen JLR en Ineos heeft een internationaal karakter. JLR en Ineos zijn in het Verenigd Koninkrijk gevestigd. De gestelde makers van de Defender Vormgeving en de Geschouderde Basisvorm woonden in het Verenigd Koninkrijk toen zij de werken creëerden en de Land Rover Defender werd tot de aangekondigde stop in 2016 hoofdzakelijk geproduceerd in de fabriek van JLR in Solihull in het Verenigd Koninkrijk. Het enige aanknopingspunt met Nederland is dat de Grenadier door Ineos in Nederland zal worden verhandeld. De vorderingen van JLR zijn erop gericht de aangekondigde verhandeling van de Grenadier in Nederland te verbieden.

Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter

5.8

Het hof stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv internationaal bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van JLR. Tussen partijen is niet in geschil dat het schadebrengende feit, de verkoop van de vermeend inbreukmakende Grenadier, in Nederland zal plaatsvinden, waaronder het arrondissement van de rechtbank Gelderland. Op die grond heeft de voorzieningenrechter zich terecht bevoegd verklaard. Het hof is als appelinstantie van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland daarom ook bevoegd.

Toepasselijk recht

5.9

De vragen of de Defender Vormgeving dan wel de Geschouderde Basisvorm in Nederland auteursrechtelijke bescherming genieten en of Ineos met de verhandeling van de Grenadier daarop inbreuk maakt, worden op grond van de algemene verwijzingsregel in artikel 8 lid 1 Verordening Rome II3 in verbinding met artikel 10:159 BW (de zogeheten lex loci protectionis) beheerst door Nederlands recht, waaronder de in Nederland direct werkende bepalingen van de Berner Conventie. De Berner Conventie gaat als verdrag boven de Nederlandse Auteurswet.

5.10

Nederland en het Verenigd Koninkrijk zijn aangesloten bij de laatste versie van de Berner Conventie4. De Berner Conventie is ook materieel van toepassing. Tussen partijen is niet in geschil dat de Land Rover Defender en de Series II voortbrengselen zijn die vallen onder de reikwijdte van artikel 2 lid 1 BC. Partijen twisten over wie de precieze makers zijn van de Land Rover Defender en de Series II, maar niet is in geschil dat de gestelde makers onderdanen van een bij de Berner Conventie aangesloten land. De Land Rover Defender en de Series II zijn niet voor het eerst of binnen dertig dagen na eerste uitgave in een ander land van de Unie, in Nederland uitgegeven, zodat geen sprake is van de situatie bedoeld in artikel 5 lid 3 BC. JLR heeft dit aanvankelijk wèl gesteld, maar zij is daarop in haar akte van 17 juni 2022 teruggekomen.

Artikel 2 lid 7 Berner Conventie

5.11

Uitgangspunt van de Berner Conventie is dat onderdanen van een aangesloten land (het Verenigd Koninkrijk) in een ander aangesloten land (Nederland) voor hun werken dezelfde bescherming genieten als de onderdanen van dat andere land. Dit in artikel 5 lid 1 BC verankerde gelijkstellingsbeginsel geldt echter niet voor voorwerpen als werken van toegepaste kunst, zoals de Defender Vormgeving en de Geschouderde Basisvorm. Dergelijke werken van toegepaste kunst kunnen in Nederland alleen auteursrechtelijk worden beschermd als die voorwerpen in het land van oorsprong ook auteursrechtelijke bescherming genieten (de zogeheten reciprociteit). Dit volgt uit artikel 2 lid 7 BC en de uitleg die de Hoge Raad daaraan heeft gegeven5.

5.12

De stelling van JLR dat artikel 2 lid 7 BC niet van toepassing is, omdat dit neerkomt op verboden discriminatie op grond van nationaliteit als bedoeld in artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), kan haar niet baten. Met die stelling ziet JLR namelijk over het hoofd dat het Verenigd Koninkrijk sinds
31 januari 2020 de Europese Unie heeft verlaten en de overgangsperiode op 1 januari 2021 is geëindigd. Als gevolg daarvan is artikel 2 lid 7 BC weer onverminderd van toepassing op onderdanen uit het Verenigd Koninkrijk6.

5.13

Het beroep van JLR op de gelijkstellingsregel in het bilaterale verdrag Tractaat van Handel en Scheepvaart uit 1873 baat haar evenmin, omdat de jongere regeling in de Berner Conventie op grond van artikel 30 van het Weens verdragenverdrag7 voorgaat op de daarmee conflicterende regel in genoemd Tractaat, nog daargelaten of dit bilaterale verdrag materieel van toepassing is.

De inhoud van de reciprociteitstoets van artikel 2 lid 7 BC

5.14

Uit het hiervoor onder 5.11 genoemde arrest van de Hoge Raad blijkt dat de toets die het hof in het kader van artikel 2 lid 7 BC moet uitvoeren, een concrete toets is. Het hof dient de toets zodanig uit te voeren dat hij JLR en Ineos rechtsbescherming biedt die zo veel mogelijk gelijk is aan de rechtsbescherming die zou zijn geboden als de zaak zou zijn berecht door de rechter van het land van oorsprong. Bij het uitvoeren van die toets dient het hof te letten op alle factoren die in het land van oorsprong bepalend zijn voor de vraag of, en zo ja, in hoeverre de Defender Vormgeving en de Geschouderde Basisvorm in het land van oorsprong auteursrechtelijke bescherming genieten. Tot de genoemde factoren behoren niet alleen de in het land van oorsprong bestaande algemene of categoriale uitsluiting van of drempels voor auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst, zoals de Defender Vormgeving en de Geschouderde Basisvorm, maar ook de in het bijzonder met de concrete werken samenhangende factoren die in de weg (zouden) staan aan auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong. Eerst nadat het hof heeft vastgesteld dat de Defender Vormgeving of de Geschouderde Basisvorm in het land van oorsprong auteursrechtelijke bescherming genieten, komt het toe aan de vraag of die bescherming op grond van de (Nederlandse) Auteurswet ook in Nederland moet worden verleend.

5.15

Uit het arrest volgt verder dat JLR, als de partij die aanspraak maakt op auteursrechtelijke bescherming in Nederland, op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de feiten zal hebben te stellen, en in het kader van dit kort geding, aannemelijk zal hebben te maken, dat de Defender Vormgeving of de Geschouderde Basisvorm in het land van oorsprong ook auteursrechtelijk worden beschermd. In het licht van deze bewijsregel ligt het ook op de weg van JLR om te stellen en te onderbouwen welk land of landen als land van oorsprong moeten worden aangemerkt.

Het land of de landen van oorsprong

5.16

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis op grond van de door JLR gestelde feiten en het door Ineos gevoerde verweer, aangenomen dat partijen het erover eens zijn dat de Land Rover Defender en de Series II voor het eerst in het Verenigd Koninkrijk zijn gepubliceerd (in de zin van artikel 3 lid 3 BC). JLR meent dat de voorzieningenrechter met dit oordeel ten onrechte is voorbijgegaan aan de stelling van JLR dat de Land Rover Defender en de Series II op grond van het door haar gehanteerde verkoopbeleid gelijktijdig in verscheidende landen zijn gepubliceerd, waaronder ook Nederland (grief 4). Volgens JLR is er daarom niet één land van oorsprong aan te wijzen. Er zijn meerdere landen van oorsprong, waaronder naast het Verenigd Koninkrijk ook Nederland.

5.17

In haar akte van 17 juni 2022 wijzigt JLR haar stellingen. Zij verlaat haar standpunt dat Nederland, naast het Verenigd Koninkrijk, als land van oorsprong kan worden aangemerkt. Zij stelt dat uit nader onderzoek is gebleken dat de Series II alleen in het Verenigd Koninkrijk en de Land Rover Defender alleen gelijktijdig in het Verenigd Koningrijk en Zwitserland zijn gepubliceerd. Ineos maakt op grond van de goede procesorde bezwaar tegen deze positiewijziging en de daartoe in het geding gebrachte producties.

5.18

Het bezwaar van Ineos is gegrond voor zover het de nieuwe stellingname van JLR met betrekking tot Zwitserland betreft. Die nieuwe stellingname is op grond van de tweeconclusieregel in deze fase van de procedure niet toelaatbaar. De stelling dat naast het Verenigd Koninkrijk alleen Zwitserland als land van oorsprong kan beschouwd, kan naar het oordeel van het hof niet worden beschouwd als een toelaatbare uitwerking of verdere specificering van haar standpunt in de memorie van grieven dat de Land Rover Defender en de Series II gelijktijdig in verscheidende landen zijn gepubliceerd. Tijdens de mondelinge behandeling blijkt namelijk dat JLR met haar nieuwe feitelijke stellingname een geheel nieuw element aan de rechtsstrijd wenst toe te voegen, namelijk dat het in het kader van de reciprociteitstoets van artikel 2 lid 7 BC volstaat dat de Defender Vormgeving of de Geschouderde Basisvorm in Zwitserland auteursrechtelijk beschermd zijn. JLR heeft in haar akte van 8 juni 2022 weliswaar een opinie overgelegd over de auteursrechtelijke beschermbaarheid naar Zwitsers recht, maar zonder nadere verwijzing in de memorie van grieven naar de betekenis van die opinie, was het voor Ineos alsook het hof niet kenbaar wat JLR met deze productie beoogde. Het hof gaat ook daarom aan deze nieuwe stelling voorbij en laat de daarop betrekking hebbende producties 45, 48, 49 en 50 van JLR buiten beschouwing.

5.19

Het bezwaar van Ineos tegen de gewijzigde stellingname van JLR met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk als land van oorsprong, acht het hof niet gegrond. Die stelling ligt namelijk besloten in de eerdere stellingen van JLR in de memorie van grieven. Bovendien heeft de gewijzigde stellingname geen gevolgen voor het door Ineos in eerste aanleg en in hoger beroep gevoerde reciprociteitsverweer dat is gebaseerd op de veronderstelling dat het Verenigd Koninkrijk als land van oorsprong moet worden beschouwd.

5.20

Of hetgeen verder door JLR in haar akte van 17 juni 2022 en de producties naar voren is gebracht in strijd zou zijn met de goede procesorde laat het hof in het midden, omdat het hof dat niet in zijn beoordeling betrekt respectievelijk daaraan niet toekomt, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.

Auteursrechtelijke bescherming van de Defender Vormgeving en de Geschouderde Basisvorm in het Verenigd Koninkrijk

5.21

Partijen hebben ter beantwoording van de vraag of de Defender Vormgeving dan wel de Geschouderde Basisvorm in het Verenigd Koninkrijk als werken van toegepaste kunst voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen, ieder drie opinies in het geding gebracht. JLR beroept zich op de opinies van i) [naam2] en [naam3] (productie 35), ii) [naam3] (productie 42) en iii) [naam4] (productie 43). [naam2] , [naam3] en [naam4] reageren op de door Ineos in eerste aanleg overgelegde opinies van [naam5] van 14 januari 2022 en 19 januari 2022 (producties 11 en 15). [naam5] reageert in zijn opinie van 15 juni 2022 (productie 16) nog op de in hoger beroep overgelegde opinies van [naam3] en [naam4] .

5.22

De opinies zijn voor een groot deel gewijd aan de meer algemene vraag of in het Verenigd Koninkrijk driedimensionale vormgeving van voertuigen auteursrechtelijke bescherming geniet. Als auteursrechtelijke bescherming voor dergelijke vormgeving categoraal is uitgesloten, geldt dat logischerwijze ook voor de specifiek door JLR ingeroepen voorwerpen. Op dit punt worden door de geraadpleegde deskundigen in de opinies over en weer verschillende standpunten ingenomen, met uitvoerige verwijzing naar wetshistorie en Engelse en Europese rechtspraak. [naam5] betoogt dat de relevante wetsbepaling (artikel 4 (1) van de Copyrights Designs and Patents act) een gesloten lijst bevat van ‘artistic works’ waarop auteursrecht kan rusten, de vormgeving van een voertuig niet valt onder één van de werken genoemd in de lijst, en de lijst niet kan worden opengebroken of extensief uitgelegd zodat dergelijke vormgeving alsnog onder de bescherming valt, ook niet met inachtneming van na de Brexit nog geldende ‘retained EU case law’. [naam2] , [naam3] en [naam4] betogen daarentegen (onder meer) dat, als een dergelijke vraag zich voordoet, de Engelse rechter de genoemde gesloten lijst zal aanvullen dan wel de daarin genoemde werken - met name ‘works of sculpture’ en ‘works of artistic craftmanship’ - extensief zal interpreteren om het Engelse recht te laten overeenstemmen met Europees recht, in het bijzonder met de arresten van het Europese Hof van Justitie in de zaken Cofemel8 en Brompton Bicycle9. Niet in geschil is dat de Engelse rechter zich nog niet over deze vraag heeft uitgelaten, zodat de vraag of de vormgeving van een voertuig in het Verenigd Koninkrijk als werk van toegepaste kunst auteursrechtelijk wordt beschermd, niet met (enige mate van) zekerheid kan worden beantwoord.

5.23

Indien al moet worden aangenomen dat naar Engels recht de vormgeving van een voertuig als werk van toegepaste kunst auteursrechtelijk is te beschermen, dan is de vervolgvraag of de Geschouderde Basisvorm en de Defender Vormgeving naar Engels recht in concreto die bescherming zullen genieten. [naam5] noemt in dit verband diverse omstandigheden die naar zijn mening aan auteursrechtelijke bescherming in de weg staan, zoals de omstandigheid dat deze ontwerpen (slechts) een variatie vormen op de eerdere Series I en de ‘Royal Station Wagon’ van 1956, waarop volgens [naam5] geen auteursrecht rust en waarvan het auteursrecht in elk geval niet door JLR is ingeroepen. [naam5] wijst er verder op dat de daarna aangebrachte wijzigingen, die door JLR als vrije vormgevingskeuzes worden aangemerkt, geheel of deels zouden volgen uit technische en functionele vereisten en ook om die reden niet auteursrechtelijk beschermd kunnen worden. De opinies van [naam2] , [naam3] en [naam4] gaan naar het oordeel van het hof daarop onvoldoende in. Zo lichten [naam2] , [naam3] en [naam4] onvoldoende toe waarom JLR rechten zou kunnen ontlenen aan oudere ontwerpen waarvan zij geen bescherming inroept, en gaan zij onvoldoende concreet in op de mogelijke technische en functionele bepaaldheid van de door [naam5] genoemde vormgevingselementen.

5.24

Bij deze stand van zaken, kan het hof niet zonder nader onderzoek, waarvoor het kort geding zich niet leent, met een redelijke mate van zekerheid vaststellen dat de werken bestaande uit de Defender Vormgeving en de Geschouderde Basisvorm in het Verenigd Koninkrijk auteursrechtelijk zijn beschermd. Het gevolg daarvan is dat JLR op de voet van artikel 2 lid 7 BC ook in Nederland geen aanspraak kan maken op auteursrechtelijke bescherming. Het hof zal de vorderingen van JLR daarom net als voorzieningenrechter, maar op een andere grond, afwijzen.

5.25

Gelet op deze uitkomst zal het hof de grieven 6 tot en met 12 van JLR en

de overige verweren van Ineos, waaronder haar beroep op artikel 7 lid 8 BC, niet verder behandelen. Partijen hebben daarbij geen belang.

Proceskostenveroordelingen

5.26

Uit het voorgaande volgt verder dat de voorzieningenrechter JLR als de verliezende partij terecht in de proceskosten van Ineos heeft veroordeeld. De daarop betrekking hebbende grief 13 van JLR faalt. Ineos heeft met een incidentele grief bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de door de voorzieningenrechter op de voet van 1019h Rv vastgestelde proceskostenveroordeling. Ineos meent allereerst dat de voorzieningenrechter in deze zaak ten onrechte de Indicatietarieven heeft toegepast. Ook heeft de voorzieningenrechter dit kort geding in de zin van die Indicatietarieven volgens haar ten onrechte als “normaal” gekwalificeerd. Het is mede vanwege de internationale juridische complicaties een complex kort geding, waarvoor Ineos bovendien advies heeft moeten inwinnen van een Engelse deskundige. Die kosten zijn redelijk en evenredig gemaakt en moeten op de voet van 1019h Rv volledig worden vergoed, aldus nog steeds Ineos.

5.27

Het hof merkt op dat bij toepassing van artikel 1019h Rv als uitgangspunt geldt dat de werkelijk gemaakte proceskosten worden vergoed. De Indicatietarieven10 geven een indicatie van het maximale bedrag aan proceskosten dat in de regel nog als redelijk en evenredig kan worden aangemerkt. De tarieven staan er echter niet aan in de weg dat het hof een hoger of lager bedrag vaststelt. Van belang is verder dat de indicatietarieven uitsluitend de werkzaamheden van de advocaat omvatten met inbegrip van de buitengerechtelijke advocaatkosten, maar niet de kosten van door partijen ingeschakelde deskundigen, verschotten en griffierechten.

5.28

Het hof ziet in hetgeen Ineos onder 138 van haar memorie van antwoord aanvoert, geen aanleiding om van de Indicatietarieven af te wijken. Het belang van deze zaak is niet alleen voor Ineos maar ook voor JLR groot. Dat Ineos als verwerende partij nader onderzoek heeft moeten doen naar onder andere het ontstaan en de geschiedenis van de Land Rover Defender is gebruikelijk in een auteursrechtelijk geschil als deze en vormt naar het oordeel van het hof op zich geen reden om van de Indicatietarieven af te wijken. Dit geldt ook voor de door Ineos gestelde vaagheid van JLR ten aanzien van de feitelijke grondslag en de reikwijdte van haar vorderingen. Dat de positie van JLR pas in de loop van de kortgedingprocedure uitkristalliseert, is inherent aan het karakter van die procedure waarvoor de gewone bewijsregels niet gelden en de feitelijke gang van zaken pas vaak in de loop van de procedure duidelijk wordt. Het hof neemt niet aan, zoals Ineos suggereert, dat JLR met opzet haar stellingen vaag heeft gehouden.

5.29

De door Ineos genoemde omstandigheden, zoals de omvang van het (redelijkerwijs noodzakelijke) feitenonderzoek, de complexiteit van de materie, de omvang van het verweer en de deskundigenberichten die zij daarbij heeft moeten inwinnen, maken naar het oordeel van het hof dat de zaak wel als complex moet worden aangemerkt. Het daarvoor geldende maximale indicatietarief voor advocaatkosten in eerste aanleg en in hoger beroep bedraagt
€ 25.000, -. Het hof zal dat bedrag voor beide instanties toewijzen. De incidentele grief van Ineos slaagt op dit onderwerp dan ook deels.

5.30

De kosten van de deskundige [naam5] komen naar het oordeel van het hof ook voor vergoeding in aanmerking, voor zover redelijk en evenredig. Ineos vordert € 42.560,52 voor de opinies die zij in eerste aanleg heeft overgelegd en € 9.295,72 voor de aanvullende opinie in hoger beroep. JLR bestrijdt dat het gevorderde bedrag van € 42.560,52 voor een opinie van 18 pagina’s die deels bestaat uit een samenvatting van enkele hoofdlijnen van het Engelse auteursrecht redelijk en evenredig is. Het hof volgt haar daarin deels en zal het te vergoeden bedrag vaststellen op de helft ervan, te weten € 21.280, 26. Op de tweede factuur van [naam5] heeft JLR niet gereageerd. Het hof acht dit bedrag, gelet op het belang van die opinie en de omvang ervan, redelijk en evenredig en wijst het daarom toe.

Slotsom

5.31

De grieven van JLR falen grotendeels en kunnen niet tot toewijzing van haar vorderingen leiden. Het vonnis waarvan beroep zal op dat punt onder aanvulling van gronden worden bekrachtigd.

5.32

De incidentele grief van Ineos slaagt deels. Het vonnis waarvan beroep zal wat betreft de daarin opgenomen proceskostenveroordeling worden vernietigd. Het hof wijst de kosten toe zoals hierna is weergegeven.

5.33

JLR zal als de verliezende partij in de kosten van dit hoger beroep worden veroordeeld.

6 Beslissing

Het hof in spoedappel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover de proceskosten aan de zijde van Ineos daarbij zijn begroot op € 15.676, -.

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt JLR in de kosten van Ineos in eerste aanleg en stelt deze vast op een bedrag van € 46.956,26 (€ 25.000,- salaris advocaat, € 676,- griffiegeld en € 21.280, 26 deskundigenbericht);

veroordeelt JLR in de kosten van Ineos in principaal en het incidenteel hoger beroep en stelt deze vast op een totaalbedrag van € 35.078,72 (€ 25.000,- salaris advocaat, € 783,- griffiegeld en € 9.295,72 deskundigenbericht);

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.E. Weening, D.M.I. De Waele en M. Schut en is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2022 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.

1 ECLI:NL:RBGEL:2022:864

2 en daarmee voldoet aan de voorwaarden die het HvJ EU heeft gesteld in het arrest van 13 november 2018, ECLI:EU:C:2018:899

3 Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen

4 Dit is de Parijse versie van 1971

5 Zie HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3059, alsook de PG Drijber in zijn advies van 15 oktober 2021, ECLI:NL:PHR:2021:983

6 Dit staat met zoveel woorden in artikel IP.6 op blz. 151 van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese gemeenschap voor atoomenergie, enerzijds, en het verenigd koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Eerland, anderzijds, Pb L 444/14.

7 Zie artikel 30 van Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht tussen staten en internationale organisaties of tussen internationale organisaties van 21 maart 1986

8 Zaak C-683/17, ECLI:EU:C:2019:363 (https://www.navigator.nl/document/id62aab3b6ab32420a8e486e7f81102aab?h1=((Hof%20van%20Justitie%20van%20de%20Europese%20Unie%202020-06-11%20ECLI%3AEU%3AC%3A2020%3A461%20Hof))%2C((Justitie%20van%20de%20Europese%20Unie%20Uitspraak%202020-06-11%20ECLI%3AEU%3AC%3A2020%3A79%20Hof))%2C((HvJ%20EU))%2C((Hof%20van%20Justitie))%2C(Cofemel)&anchor=id-a3553b6f-dcb3-445b-a2f7-a2df6943c907)

9 Zaak C-833/18, ECLI:EU:C:2020:461

10 Indicatietarieven in IE-zaken, versie 1 april 2017