Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:7505

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2022
Datum publicatie
09-09-2022
Zaaknummer
20/00348
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Ontvankelijkheid bezwaar. Diverse formeelrechtelijke punten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2022/2187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 20/00348

uitspraakdatum: 30 augustus 2022

Uitspraak van de eenentwintigste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van [belanghebbende] h.o.d.n. [naam1], te [woonplaats1] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 januari 2020, nummer AWB 18/2587, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur)

alsmede de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Minister)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en

motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 256 en de Inspecteur gelast aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 338 te vergoeden.

1.4.

Namens belanghebbende heeft A.F.M.J. Verhoeven van Netcar Juridische Dienstverlening BV tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft verweer gevoerd.

1.5.

Bij tussenuitspraak van 4 juni 2020, heeft het Hof de gemachtigde van belanghebbende A.F.M.J. Verhoeven in deze procedure geweigerd op de voet van artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht.

1.6.

Bij bericht van 11 juni 2020 heeft L. Imants zich gesteld als nieuwe gemachtigde van belanghebbende. Per dezelfde datum is een machtiging, ondertekend door [belanghebbende] , aan het Hof gezonden.

1.7.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 24 augustus 2021. Daarbij zijn verschenen en gehoord als gemachtigde van belanghebbende J. Cardol (hierna: gemachtigde), alsmede namens de Inspecteur [naam2] , bijgestaan door [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.8.

Het onderzoek ter zitting op 24 augustus 2021 is geschorst om de belanghebbende de gelegenheid te bieden om een nieuwe machtiging te overleggen.

1.9.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 11 juni 2021. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde, alsmede namens de Inspecteur [naam4] , bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Met dagtekening 23 maart 2017 is door [naam5] B.V. te Utrecht aangifte gedaan voor de bpm voor een personenauto van het merk en type Nissan Micra.

2.2.

De op aangifte verschuldigde bpm is voldaan door belanghebbende.

2.3.

De machtiging in hoger beroep is gedagtekend op 11 april 2017 en is ondertekend door belanghebbende.

2.4.

Bij de machtiging is een uittreksel uit het handelsregister bij de Kamer van Koophandel gevoegd, gedateerd op 12 februari 2020 van een onderneming met de handelsnamen: [naam6] en [naam1] . De eigenaar sinds 1 maart 2017 – datum registratie 3 maart 2017 – is [naam7] .

2.5.

Na de tussenuitspraak van het Hof waarbij A.F.M.J. Verhoeven in deze procedure is geweigerd op de voet van artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht heeft L. Imants, werkzaam bij Hefna B.V. zich als nieuwe gemachtigde gesteld en daarbij een machtiging ingebracht. Deze machtiging draagt de dagtekening 11 juni 2020 en is ondertekend door belanghebbende.

2.6.

Bij brief van 31 augustus 2021 is een nieuwe machtiging ingebracht waaruit volgt dat [naam7] , gevolmachtigd bestuurder van [naam1] , L. Imants machtigt. De machtiging draagt de dagtekening 26 augustus 2021 en bij de handtekening staat de naam ‘ [naam7] ’ vermeld.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de Rechtbank het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.2.

Voor het geval het Hof van oordeel is dat de voorgaande vraag ontkennend moet worden beantwoord, zijn ter zitting de overige punten die partijen verdeeld houden, limitatief vastgesteld. In dat geval is in geschil of:

  • -

    de hoogte van het geheven griffierecht en de verschuldigdheid daarvan bij aanvang van de gerechtelijke procedure in strijd is met het Unierecht;

  • -

    belanghebbende aanspraak kan maken op een rentevergoeding over het betaalde griffierecht;

  • -

    belanghebbende recht heeft op (integrale) vergoeding van de kosten gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep;

  • -

    belanghebbende in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in beroep en hoger beroep; Volgens belanghebbende moet dit verzoek door het Hof in een andere samenstelling dan de huidige zetel worden beoordeeld;

  • -

    de Rechtbank en het Hof bevoegd zijn uitleg te geven aan de bepalingen van het Unierecht en gehouden zijn om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU).

4 Beoordeling van het geschil

Weigering gemachtigde

4.1.

In de tussenuitspraak van 4 juni 2020 inzake de weigering van de voormalige gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven heeft het Hof als volgt geoordeeld:

“(…)

2.1.

Voorop staat dat partijen in een gerechtelijke procedure zich kunnen laten bijstaan of vertegenwoordigen door iemand van hun keuze. Waar het gaat om zaken die het Unierecht betreffen, is dat neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Dat recht is (voor strafrechtelijke vervolging en het fiscale boeterecht) neergelegd in artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Voor een bestuursrechtelijke procedure als de onderhavige is dat vastgelegd in artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.2.

Een partij, haar bijstandsverlener(s) en haar gemachtigde(n) mogen het standpunt van die partij verwoorden op een wijze die hun goeddunkt, ook als dat standpunt verwijten behelst aan de wederpartij of anderen. Maar daarbij geldt dat zij zich niet onnodig grievend dienen uit te laten, dat zij hun verwijten en beschuldigingen feitelijk dienen te onderbouwen en dat zij duidelijk moeten maken wat de relevantie daarvan is voor het desbetreffende geschil.

2.3.

Het Hof is van oordeel dat het taalgebruik en/of de bejegening van Verhoeven structureel in strijd komt met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke omgangsvormen. Hij uit verwijten en beschuldigingen aan burgerlijke en rechterlijke ambtenaren, aan rechterlijke colleges en aan de rechtsstaat en Nederland in het algemeen. Daarbij gaat het er niet om dat Verhoeven kenbaar maakt het oneens te zijn met bepaalde rechterlijke oordelen. Laatstbedoelde uitingen passen bij rechterlijke procedures. Waar het wel om gaat is dat Verhoeven onnodig beledigende opmerkingen maakt. Voorts verzuimt hij te motiveren wat de relevantie is van zijn verwijten en beschuldigingen voor de aanhangige procedure. Zonder nadere motivering is niet duidelijk waarom deze verwijten en beschuldigingen een ondersteuning zijn voor zijn standpunt over de in geding zijnde belastingaanslagen en/of beschikkingen. Ook na daarvoor te zijn gewaarschuwd, heeft Verhoeven daarin volhard.

2.4.

Sommige door Verhoeven ingediende stukken bevatten zoveel beledigende opmerkingen dat het voor het Hof en de wederpartij schier onmogelijk is kennis te nemen van de in deze stukken opgenomen voor de beslechting van het geschil relevante stellingen en standpunten. Verhoeven is daarop gewezen. Dat brengt mee dat de wederpartij feitelijk de mogelijkheid is ontnomen te reageren op deze stellingen en standpunten en voorts dat deze het Hof niet bereiken. Deze benadeling van de door Verhoeven vertegenwoordigde procespartijen, is een rechtstreeks gevolg van het ongepaste taalgebruik van Verhoeven.

2.5.

In de algemene waarschuwing die het Hof op 17 maart 2020 aangetekend naar Verhoeven heeft verzonden, is aangegeven dat wanneer in nieuw in te dienen stukken onbetamelijk taalgebruik wordt gebezigd, het Hof voornemens is Verhoeven en de door hem vertegenwoordigde rechtspersoon zonder nadere waarschuwing of herstelmogelijkheid in de desbetreffende zaak te weigeren als bijstandsverlener of gemachtigde. Nadien heeft Verhoeven het faxbericht van 6 april 2020 gestuurd. Ook daarin zijn wederom beledigende opmerkingen opgenomen. Daarmee volhardt Verhoeven in het gebruik van ongepaste taal.

2.6.

Het Hof is op grond daarvan van oordeel dat tegen Verhoeven ernstige bezwaren bestaan als bedoeld in artikel 8:25, eerste lid, van de Awb. Deze bezwaren gelden evenzeer voor Netcar, nu Netcar de gemachtigde van belanghebbende is, Verhoeven middellijk bestuurder van Netcar is en Verhoeven in rechterlijke procedures zowel schriftelijk als mondeling pleegt op te treden namens Netcar. De stukken met de beledigende woorden zijn ook zonder uitzondering ondertekend door Verhoeven.

2.7.

Artikel 47 van het Handvest luidt:

“Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht. Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.”

2.8.

Naar het oordeel van het Hof komt de onderhavige weigering niet in strijd met artikel 47 van het Handvest. Aan de belanghebbende wordt immers niet het recht op toegang tot de rechter ontzegd of de mogelijkheid ontnomen zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Haar wordt slechts het recht ontzegd om door Verhoeven te worden bijgestaan en/of vertegenwoordigd. De onderhavige weigering komt evenmin in strijd met artikel 11 van het Handvest, dat de vrijheid van meningsuiting en van informatie beschermt. Aan de gemachtigde wordt immers niet het recht ontzegd zijn mening te uiten. Hem wordt slechts verweten in de onderhavige procedure zijn opvattingen, die soms al niet relevant zijn in het kader van deze procedure, te uiten op onbetamelijke wijze. Met de weigering wordt een legitiem doel nagestreefd, te weten het waken voor onnodige en ernstige verstoring van de gang van zaken bij rechterlijke procedures, zoals in dit geval bij dit Hof. Een normale gang van zaken wordt hersteld door degene die deze gang van zaken verstoort te weigeren als bijstandverlener en/of gemachtigde. Door deze weigering te beperken tot zaken waarin Verhoeven na te zijn gewaarschuwd, volhardt in zijn onwelvoeglijke taalgebruik, bestaat naar het oordeel van het Hof een redelijke verhouding tussen die beperking en het doel van de schorsing, de verzekering van een normale gang van zaken bij de onderhavige procedure.

2.9.

Op grond van het vorenstaande zal het Hof Verhoeven en Netcar weigeren in de onderhavige procedure bijstand te verlenen of belanghebbende te vertegenwoordigen. Belanghebbende zal van deze beslissing in kennis worden gesteld en hem zal de gelegenheid worden geboden desgewenst een andere gemachtigde aan te wijzen.

3 Beslissing

Het Hof:

- weigert A.F.M.J. Verhoeven en Netcar Juridische Dienstverlening BV om bijstand te

verlenen aan belanghebbende dan wel hem te vertegenwoordigen in de onderhavige procedure;

- stelt belanghebbende in de gelegenheid om, indien hij dat wenst, binnen vier weken een

andere gemachtigde aan te wijzen voor de verdere procedure

Deze beslissing is genomen door mr. J. van de Merwe, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

(…)”

4.2.

Het Hof persisteert in zijn hiervoor – onder 1.5 - weergegeven tussenbeslissing van 4 juni 2020 uitsluitend voor zover deze ziet op de weigering van heer A.F.M.J. Verhoeven. Uit het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 20211 volgt immers dat Netcar als rechtspersoon niet kan worden geweigerd als gemachtigde of bijstandverlener van belanghebbende. Het Hof ziet geen grond om hiervan terug te komen. Zowel Verhoeven als belanghebbende is onverwijld in kennis gesteld van de beslissing tot weigering en van de reden daarvoor. Belanghebbende heeft hierop gereageerd door een nieuwe gemachtigde aan te wijzen. Tegen deze tussenuitspraak kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de onderhavige einduitspraak2.

Ontvankelijkheid bezwaar

4.3.

Ingevolge artikel 26a van de AWR kan, in afwijking van artikel 8:1 van de Awb, slechts beroep worden ingesteld door de belanghebbende aan wie de aanslag is opgelegd, de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden of degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt.

4.4.

Ter zitting is vastgesteld dat de betaling van de op aangifte verschuldigde belasting door belanghebbende is voldaan. Het Hof is daarom van oordeel dat belanghebbende behoort tot de in artikel 26a van de AWR genoemde belanghebbenden en dus bevoegd is om in het onderhavige geval bezwaar te maken. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond en de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd.

4.5.

Het voorgaande houdt in dat het Hof ook over de overige punten van geschil zal oordelen.

Hoogte griffierecht en verschuldigdheid bij aanvang rechtsgang

4.6.

Belanghebbende heeft onder verwijzing naar onder meer het arrest Kantarev3 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU), gesteld dat zowel de Rechtbank als het Hof te vroeg – zij moet het griffierecht voor het (hoger) beroep eerst volledig, en zonder reële mogelijkheid van vrijstelling, betalen om het onderhavige belastinggeschil door de Rechtbank respectievelijk het Hof te laten beoordelen – en te veel griffierecht heeft geheven door geen rekening te houden met de omvang van het financiële belang dat belanghebbende heeft bij het onderhavige geschil. Volgens belanghebbende kan de toegang tot de nationale rechter alleen worden gewaarborgd indien niet meer griffierecht wordt geheven dan 4% van de vordering die voorwerp is van geschil. Het Nederlandse systeem van griffierecht is volgens belanghebbende daarom in strijd met het Unierecht. Dit betoog slaagt niet op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 20194. Voorts acht het Hof de van belanghebbende geheven bedragen – door de Rechtbank een griffierecht van € 338 en door het Hof een griffierecht van € 519 – in het onderhavige geval geen onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, gegeven haar financiële situatie, in aanmerking komt voor vrijstelling van het verschuldigde griffierecht.

Rentevergoeding over het griffierecht

4.7.

Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van rente over het door hem betaalde griffierecht over de periode, beginnend op de dag waarop zij het griffierecht heeft voldaan.

Voor een dergelijke rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente5. De Hoge Raad heeft verder beslist dat voor de wettelijke rente over een door de rechter uitgesproken veroordeling tot vergoeding van griffierecht als uitgangspunt geldt dat de uiterste datum waarop aan deze veroordeling moet zijn voldaan, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, is gedaan6. Het voorgaande leidt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van de wettelijke rente vanaf vier weken na de datum waarop respectievelijk de Rechtbank en het Hof uitspraak hebben gedaan.

Proceskostenvergoeding

4.8.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke kosten die hij ter zake het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Daartoe heeft hij gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), aangezien bij de onderhavige heffing van bpm sprake is geweest van een ernstige miskenning door de Inspecteur van het recht van de Unie en dat een dergelijke schending noopt tot toekenning van vergoeding van de werkelijke kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep zijn gemaakt. Het Hof oordeelt als volgt. Het feit dat in geschil is of een standpunt van het betrokken bestuursorgaan in strijd is met bepalingen van recht van de Unie, brengt op zichzelf niet met zich dat sprake is van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin of dat aan het recht van de Unie aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend. Bijkomende omstandigheden kunnen in samenhang met deze omstandigheden grond zijn voor een andere conclusie, maar zulke omstandigheden zijn in dit geval niet gebleken. Derhalve is er geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen dan de vergoeding van de forfaitaire proceskosten als bedoeld in het Besluit7.

Redelijke termijn/vergoeding immateriële schade

4.9.

Aangezien belanghebbende het verzoek om een vergoeding van immateriële schade voor het eerst voor in hoger beroep heeft gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het Hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in een zodanig geval dan ook ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd8.

4.10.

De in dit verband in aanmerking te nemen termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur op 21 april 2017. De behandeling van de zaak eindigt in hoger beroep met de onderhavige uitspraak van het Hof van heden. De redelijke behandelingsduur van die gezamenlijke fases van de procedure bedraagt als hoofdregel vier jaren en zou derhalve zijn geëindigd op 20 april 2021. Naar het oordeel van het Hof, bieden de stukken van het geding geen aanwijzing voor gronden om te kunnen aannemen dat enige bijzondere omstandigheid in de zin van het hiervoor aangehaalde overzichtsarrest9 zich in deze zaak voordoet. Het voorgaande brengt met zich dat de redelijke termijn is overschreden met afgerond anderhalf jaar. Belanghebbende heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 16 maart 2018. Dit betekent dat de bezwaarfase per saldo afgerond één jaar heeft geduurd, terwijl in belastingzaken als regel geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt. Het voorgaande betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn afgerond voor een half jaar is toe te rekenen aan de Inspecteur en voor een jaar aan de Rechtbank en Hof. Het Hof zal daarom bepalen dat de Inspecteur een bedrag van € 500 en de Minister een bedrag van € 1.000 dient te vergoeden.

4.11.

Belanghebbende stelt met een beroep op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat andere rechters dan degene die de hoofdzaak behandelt, moeten oordelen over het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit betoog slaagt niet op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 april 201910. Het arrest Groupe Gascogne SA11, waar belanghebbende zich op beroept, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu dit arrest een handeling van een instelling van de Unie betreft.

Uitleg Unierecht/Stellen van prejudiciële vragen

4.12.

Belanghebbende stelt -zakelijk weergegeven- dat de Rechtbank en het Hof onbevoegd zijn om het Unierecht uit te leggen, omdat uitsluitend het HvJ EU daartoe bevoegd is. Dit betoog faalt. Op grond van vaste jurisprudentie is het de taak van de nationale rechter de volledige werking van het Unierecht te verzekeren12, terwijl de rechter in belastingzaken op grond van artikel 8:69, tweede lid Awb ambtshalve de rechtsgronden aanvult. Daar waar aan de orde is de nationale rechter dus niet alleen bevoegd, maar ook gehouden het Unierecht te interpreteren en toe te passen. Rechtbank en Hof zijn, als niet in hoogste instantie oordelende rechterlijke instanties, op grond van artikel 267 VWEU in voorkomend geval niet gehouden een Unierechtelijk geschilpunt voor te leggen aan het HvJ EU, ook niet als het rechtsvorming zou betreffen waarover het HvJ EU (nog) niet heeft geoordeeld. De andersluidende conclusie die belanghebbende trekt uit het arrest Hans Åkerberg Fransson13 berust op een onjuiste lezing van dat arrest. Het arrest IATA14, waar belanghebbende zich eveneens op beroept en dat betrekking heeft op de bevoegdheid te oordelen over de (on)geldigheid van handelingen van gemeenschapsinstellingen, is niet van toepassing op het onderhavige geschil, nu een handeling van een zodanige instelling niet ter beoordeling voorligt. Het Hof ziet dan ook voor geen van de geschilpunten aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.

Slotsom
Op grond van hetgeen het Hof bij 4.4. heeft geoordeeld is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

De Rechtbank heeft de kosten voor de behandeling van het bezwaar en het beroep vastgesteld op € 256. Daartegen zijn in hoger beroep – behoudens zoals het Hof onder 4.4. heeft verwoord - geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan zal uitgaan.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 759 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting, schriftelijke inlichtingen en bijwonen nadere zitting)  wegingsfactor 0,5  € 759), ofwel in totaal op € 759.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover het betreft de oordelen met betrekking tot de proceskostenvergoeding en de vergoeding van het griffierecht,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond,

– bevestigt de uitspraak op bezwaar,

– veroordeelt de Inspecteur in vergoeding van de immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep tot een bedrag van € 500, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan,

– veroordeelt de Minister in vergoeding van de immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep tot een bedrag van € 1.000, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 759, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 265 in verband met het hoger beroep bij het Hof, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, lid van de eenentwintigste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2022

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen, De voorzitter,

(T. Tanghe)

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 31 augustus 2022

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Vgl. HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:141

2 vgl. HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3489

3 HvJ 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:807.

4 HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579.

5 Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623.

6 HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.

7 Vgl. HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833.

8 HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3562 en HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (https://www.navigator.nl/document/id2cbf13cff3124fd79c095c2b8f404e63?anchor=id-f66ea9d5-6d90-44ae-a09b-99bccff88f85), r.o. 3.13.3.

9 Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

10 HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623

11 HvJ EU 26 november 2013, ECLI:EU:C:2013:770

12 Vgl. HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687.

13 HvJ EU 26 februari 2013, ECLI:EU:C:2013:105.

14 HvJ EU 10 januari 2006, ECLI:EU:C:2006:10.