Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:7341

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-08-2022
Datum publicatie
25-08-2022
Zaaknummer
200.307.359/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art 332 Rv ontvankelijkheid beroep

Art 130 en 353 Rv Vermeerdering van eis in verstekzaak niet betekend en daarom niet toegestaan.

Beroep verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.307.359/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen 9171672)

arrest van 23 augustus 2022

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellant,

bij de kantonrechter: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. S.A.G. de Vries, die kantoor houdt te Heerenveen,

tegen

[geïntimeerde] , h.o.d.n. [naam1],

wonende te [woonplaats2] ,

geïntimeerde,

bij de kantonrechter: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

niet verschenen.

1 De procedure bij de kantonrechter

Voor het verloop van de procedure bij de kantonrechter verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 16 november 2021 dat de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 februari 2022;

- de verstekverlening tegen [geïntimeerde] d.d. 5 april 2022;

- de akte uitlating ontvankelijkheid van [appellant] d.d. 19 april 2022;

- de memorie van grieven, tevens wijziging van eis (met producties) d.d. 31 mei 2022.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1

Nadat [appellant] de zaak op de rol had aangebracht, heeft het hof hem opdracht gegeven zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep in het licht van artikel 332 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

3.2

[appellant] heeft zich daarover bij akte van 19 april 2022 uitgelaten.
Tijdens de procedure bij de kantonrechter is een bedrag van € 1.637,29 in hoofdsom gevorderd. De factuur waarop de hoofdsom is gebaseerd dateert van 13 november 2018 en de wettelijke handelsrente, berekend vanaf de factuurdatum tot aan de dag der dagvaarding in eerste aanleg, bedraagt € 336,90. De vordering bedraagt zodoende in totaal € 1.974,19 en ligt daarmee boven de appelgrens, aldus [appellant] .

3.3

[appellant] miskent met deze redenering dat hij zijn vordering bij de kantonrechter op het punt van de hoofdsom en rente in de dagvaarding van 15 april 2021 als volgt had geformuleerd:

“Gedaagde te veroordelen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, om aan eiser(es) tegen behoorlijke kwijting te betalen;

a .een bedrag ad € 1.637,29 in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23-12-2020 tot de dag der algehele voldoening. Althans de wettelijke (handels-)rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; (…)”

3.4

[appellant] heeft in eerste aanleg dus geen wettelijke handelsrente gevorderd vanaf de factuurdatum, maar pas vanaf de datum van dagvaarding. Ook de gewone wettelijke rente is door hem niet vanaf de factuurdatum gevorderd, maar pas vanaf 23 december 2020. Deze rente bedroeg 2% per jaar, zodat de gevorderde hoofdsom met rente tot aan de datum van dagvaarding niet boven de appelgrens uitkwam.

3.5

[appellant] heeft in eerste aanleg naast de hoofdsom en rente echter ook (onder b) betaling gevorderd van een bedrag van € 297,16 aan buitengerechtelijke incassokosten. Aldus lag er een totale vordering ter beoordeling aan de kantonrechter voor die de appelgrens van
€ 1.750,- te boven ging. Om die reden is [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

4. Waar gaat deze zaak over, wat was het oordeel van de kantonrechter en wat vindt het hof?

4.1

[geïntimeerde] exploiteert een garagebedrijf dat zich onder meer bezighoudt met het repareren van auto’s. [geïntimeerde] heeft in november 2018 in opdracht van [appellant] , een consument, de versnellingsbak van diens auto vervangen. [appellant] heeft het daarvoor in rekening gebrachte bedrag van € 1.637,29 aan [geïntimeerde] voldaan.

4.2

Op 28 december 2018 heeft [appellant] zich bij [geïntimeerde] gemeld met de klacht dat de versnellingsbak olie lekte. Er bleek een scheur in de versnellingsbak te zitten.

4.3

[appellant] verwijt [geïntimeerde] dat hij een ondeugdelijke versnellingsbak in zijn auto heeft geplaatst en heeft [geïntimeerde] bij brief van 6 december 2020 gevraagd het bedrag van € 1.637,29 aan hem terug te betalen. Deze brief heeft [geïntimeerde] op 11 december 2020 per aangetekende post bereikt.

4.4

[geïntimeerde] heeft niets terugbetaald en heeft in de procedure bij de kantonrechter gemotiveerd verweer gevoerd door zich op het standpunt te stellen dat de versnellingsbak bij aflevering naar behoren functioneerde en dat de scheur waarschijnlijk door [appellant] zelf is veroorzaakt door over een obstakel te rijden. [geïntimeerde] heeft daarnaast een beroep op verjaring gedaan.

4.5

De kantonrechter heeft het beroep van [geïntimeerde] op verjaring verworpen omdat [appellant] de verjaring met zijn brief van 6 december 2020 heeft gestuit.
De kantonrechter heeft geen oordeel gegeven over de vraag of [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de gemengde overeenkomst (consumentenkoop en overeenkomst van opdracht tot vervanging van de versnellingsbak). Hij heeft overwogen dat [appellant] (hoe dan ook) geen aanspraak kan maken op terugbetaling van de koopprijs, omdat hij de overeenkomst niet buitengerechtelijk heeft ontbonden en ook geen vordering tot ontbinding van de overeenkomst heeft ingesteld, zodat er geen verplichting voor partijen is ontstaan om de gevolgen van de overeenkomst ongedaan te maken.

4.6

Ook het hof is van oordeel dat de vordering van [appellant] niet kan worden toegewezen. Dat wordt hierna uitgelegd.

5 De beoordeling van de vordering en de grieven

5.1

[appellant] heeft [geïntimeerde] bij deurwaardersexploot van 11 februari 2022 aangezegd dat hij in hoger beroep komt tegen het vonnis van de kantonrechter. Daarbij heeft hij [geïntimeerde] gedagvaard tegen de zitting van 5 april 2022 om:
“alsdan op nader aan te voeren gronden te horen eis doen en concluderen, dat het aan het

gerechtshof behage te vernietigen het vonnis door de Rechtbank Noord Nederland, Afdeling

Privaatrecht, locatie Groningen, op 16 november 2021 gewezen onder zaak-/ rolnummer 9171672 CV EXPL 21-2368 gewezen tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde, en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de vorderingen van appellant alsnog toe te kennen;

2. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.”

5.2

[geïntimeerde] is in dit hoger beroep niet verschenen.

5.3

[appellant] heeft vervolgens, bij memorie van grieven, zijn eis gewijzigd. Hij vordert nu, onder aanvoering van een drietal bezwaren (grieven) tegen het vonnis, samengevat: primair dat het hof oordeelt dat de overeenkomst van opdracht en de koopovereenkomst zijn ontbonden en [geïntimeerde] veroordeelt tot vergoeding van de kosten van de reparatie van
€ 1.637,29 en tot betaling van een vervangende schadevergoeding van € 1.977,85, een en ander vermeerderd met wettelijke handelsrente. Subsidiair vordert [appellant] dat het hof oordeelt dat de overeenkomsten zijn vernietigd en [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van € 1.637,29.

5.4

Artikel 130 Rv (in verbinding met artikel 353 lid 1 Rv) regelt de mogelijkheid een eis te veranderen of te vermeerderen. Lid 3 van dat artikel luidt:

“Indien een partij niet in het geding is verschenen, is een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. (…)”

5.5

Niet gesteld of gebleken is dat [appellant] de wijziging van eis per exploot aan [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt. Het hof zal de wijziging van eis daarom buiten beschouwing laten en recht zal doen op de oorspronkelijke eis.

5.6

Zoals [appellant] in de inleiding van zijn memorie van grieven onder 3 zelf bevestigt, heeft hij tijdens de procedure in eerste aanleg geen correcte rechtsgronden voor zijn vordering aangevoerd. Met zijn grieven in hoger beroep beoogt [appellant] daar verandering in aan te brengen, maar nu die grieven volledig zijn gebaseerd op de ontoelaatbare wijziging van eis, kunnen zij niet tot vernietiging van het vonnis leiden.

6 De slotsom

De grieven falen. Het beroep zal worden verworpen.

7 De beslissing

Het hof:

verwerpt het beroep en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland, locatie Groningen, van 16 november 2021;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, M.E.L. Fikkers en O.E. Mulder en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op
23 augustus 2022.