Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:7292

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-08-2022
Datum publicatie
25-08-2022
Zaaknummer
200.291.339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Diefstal onderdelen auto. Verzekerd voorval? Verwijdering registraties uit Incidentenregister verzekeraar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.291.339

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 361943)

arrest van 23 augustus 2022

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. M. de Marco,

tegen:

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Achmea,

advocaat: mr. L. Boersma.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 15 februari 2022 hier over.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit het proces-verbaal van de op 16 mei 2022 gehouden mondelinge behandeling, met daaraan gehecht de spreekaantekeningen van de advocaten van beide partijen.

1.3.

Ten slotte heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.15. van het (bestreden) vonnis van 9 december 2020, met dien verstande dat in rechtsoverweging 2.1. voor “AB Automobielen, de eenmanszaak gedreven door [appellant]” moet worden gelezen “[appellant]”.

3 Achtergrond van de zaak, vorderingen en de beslissing van de rechtbank

3.1.

[appellant] heeft op 29 augustus 2018 bij zijn autoverzekeraar Achmea melding gemaakt van schade aan zijn WA volledig casco verzekerde Volkswagen Arteon (hierna: de auto). Die schade – volgens [appellant] een gevolg van een op 25/26 augustus 2018 gepleegde diefstal van diverse onderdelen1 van de auto (hierna kortweg: de diefstal) – is door een expert van Achmea vastgesteld op € 26.333,31. Op 14 februari 2019 heeft Achmea echter per e-mail aan de advocaat van [appellant] laten weten dat zij geen uitkering zal doen. Onder verwijzing naar de meegestuurde resultaten van een (naar aanleiding van een anonieme tip ingesteld) technisch en tactisch onderzoek heeft Achmea bij brief van 26 maart 2019 aan de advocaat van [appellant] (nader) toegelicht wat de redenen voor deze beslissing zijn. Om te beginnen kan volgens haar niet kan worden uitgesloten dat sprake is van opzettelijke misleiding. Ook schrijft zij dat de diefstal in haar ogen niet aannemelijk is en dat [appellant] in haar optiek wisselende/tegenstrijdige verklaringen heeft gegeven en onvoldoende medewerking heeft verleend aan het in haar opdracht verrichte onderzoek. Dit alles is voor Achmea ook reden geweest om de persoonsgegevens van [appellant] voor de duur van acht jaar op te nemen in haar Incidentenregister.

3.2.

[appellant] vordert in deze procedure (samengevat):

I. een verklaring voor recht dat Achmea tekort is geschoten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst;

II. veroordeling van Achmea tot betaling van primair € 37.629,65 en subsidiair € 30.962,96, vermeerderd met wettelijke rente;

III. veroordeling van Achmea om de (persoons)gegevens van [appellant] binnen veertien dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis/arrest te verwijderen en verwijderd te houden uit haar Incidentenregister, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag;

IV. veroordeling van Achmea in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente;

V. veroordeling van Achmea in de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.3.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Naar haar oordeel is namelijk niet komen vast te staan dat een verzekerd voorval heeft plaatsgevonden, zodat aan de zijde van Achmea geen sprake is van een (schadevergoedingsplicht vanwege een) tekortkoming in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst en mede in het licht hiervan ook onvoldoende grond bestaat voor ongedaanmaking door Achmea van de registratie van [appellant] in haar Incidentenregister.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

In het kader van de beoordeling van de ingestelde vorderingen is allereerst de vraag aan de orde of een verzekerd voorval heeft plaatsgevonden. Bij de beantwoording daarvan geldt dat [appellant] (als verzekerde) op basis van de hoofdregel van artikel 150 Rv moet stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting dient te bewijzen, dat de diefstal heeft plaatsgevonden. Aan het bewijs daarvan mogen echter geen al te zware eisen worden gesteld: indien dekking wordt geclaimd in verband met diefstal kan de verzekerde volstaan met het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de diefstal heeft plaatsgevonden. Daarbij kan, afhankelijk van hetgeen door de verzekerde over de toedracht van de diefstal is gesteld en van hetgeen de verzekeraar ter betwisting daarvan heeft aangevoerd, onder omstandigheden de enkele aangifte van diefstal als voldoende bewijs worden aanvaard.2 Dit geldt in beginsel ook voor diefstal van onderdelen vanaf en/of uit een auto, waaraan de verzekeraar nog onderzoek kan doen.

4.2.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat de diefstal heeft plaatsgevonden heeft [appellant] – samengevat – het volgende gesteld. Op zaterdag 25 augustus 2018 is [appellant] na een bezoek aan de plaatselijke Albert Heijn naar de Plevierstraat te Zaltbommel gereden. Daar heeft hij de auto rond 20:00 uur geparkeerd ter hoogte van het huis van zijn ouders (die op dat moment op vakantie waren). De volgende ochtend heeft hij rond de klok van (aanvankelijk) 07:00 uur, (later) 6:33 uur ontdekt dat diverse onderdelen van/uit de auto waren verwijderd en dat ook andere bezittingen (zoals zijn bankpas en rijbewijs) uit de auto waren ontvreemd. Na deze ontdekking heeft [appellant] zijn vriendin hierover via WhatsApp geïnformeerd, heeft hij telefonisch contact opgenomen met de politie, heeft hij ter plekke foto’s gemaakt van de auto en is hij uiteindelijk – zittend op een emmer in plaats van op de gestolen bestuurdersstoel – met de auto naar zijn vaste schadehersteller Top-Fix in Sint-Michielsgestel gereden. Op (zeer waarschijnlijk) die locatie heeft hij opnieuw foto’s van de auto gemaakt. Zijn vriendin is hem daar vervolgens komen ophalen. ’s Middags heeft [appellant] digitaal politieaangifte gedaan van de diefstal. Omdat Top-Fix kampte met ruimtegebrek heeft [appellant] (daarbij wederom zittend op een emmer) de auto op 4 september 2018 naar Autoservice Groenendaal in Berlicum gereden.

4.3.

Achmea stelt zich op het standpunt dat [appellant] niet heeft aangetoond dat de diefstal heeft plaatsgevonden. Zij wijst in dit verband (samengevat) op het volgende. Op 3 september 2018 ontving Achmea de anonieme tip die onder andere inhield dat ongeveer twee weken daarvóór tegenover Top-Fix aan de auto zou zijn gesleuteld en dat die auto daar vervolgens op 28 augustus 2018 ook ter schadetaxatie zou zijn aangeboden. Naar aanleiding van deze tip heeft zij Post-Crash Voertuig Diagnose ingeschakeld om technisch onderzoek te verrichten. Dit onderzoek heeft op 6 september 2018 plaatsgevonden bij Autoservice Groenendaal. Volgens de uitgelezen voertuigdata is de motor van de auto in de periode vóór de door [appellant] gestelde aankomsttijd in de Plevierstraat (20:00 uur) voor het laatst ingeschakeld om 17:21 uur, terwijl die locatie zich volgens [appellant] op nog geen vijf autominuten van de plaatselijke Albert Heijn bevindt. Uit de data volgt verder dat de motor van de auto in de gestelde diefstalperiode (tussen 20:00 uur ’s avonds en 6:30 uur de volgende ochtend) is gestart om 20:15 uur, 20:24 uur en 20:43 uur, dat het contactslot één keer werd uitgeschakeld (om 20:45 uur) en dat de hoofdunit van het infotainmentsysteem om 20:55 uur is onderbroken dan wel gedemonteerd. De gestelde diefstal zou dus ten minste 40 minuten in beslag hebben genomen. Omdat het op dat moment nog niet donker was (het schemerde hooguit) en de Plevierstraat een eenrichtingsweg is met aan beide zijden huizen, is het ondenkbaar dat niemand de diefstal heeft opgemerkt. Over het moment van ontdekking heeft [appellant] tegenstrijdig verklaard: tijdens het eerste interview met I-TEK (dat in opdracht van Achmea het tactische onderzoek heeft verricht) heeft hij aangegeven dat hij de diefstal rond 7:00 uur had ontdekt, terwijl hij op een later moment heeft verklaard dat hij de diefstal omstreeks 6:33 uur had ontdekt. [appellant] heeft daarnaast een onjuiste verklaring afgelegd over het moment waarop de door hem overgelegde foto’s van de auto zijn genomen: die zijn niet direct na ontdekking van de gestelde diefstal genomen in de Plevierstraat, maar bij Top-Fix. Ten slotte heeft [appellant] geen toegang tot zijn telefoon willen verlenen, zodat I-TEK de authenticiteit van het WhatsApp-bericht aan zijn vriendin niet heeft kunnen controleren en evenmin heeft kunnen verifiëren of [appellant] op 26 augustus 2018 inderdaad met de politie heeft gebeld.

4.4.

Het hof oordeelt als volgt. Hoewel de door [appellant] geschetste gang van zaken vóór 20:00 uur (op 25 augustus 2018) inderdaad niet valt te rijmen met de uitgelezen voertuigdata over het inschakelen van de motor, heeft Achmea niet (voldoende) toegelicht of en, zo ja, welke discrepanties er bestaan tussen de technische bevindingen van Post-Crash Voertuig Diagnose en de door [appellant] beschreven gang van zaken nadat hij de auto in de Plevierstraat zou hebben geparkeerd (dus vanaf 20:00 uur op 25 augustus 2018 tot en met 4 september 2018). Wel wijst zij er onder verwijzing naar een aantal van de in de vorige overweging genoemde data op dat de gestelde diefstal moet hebben plaatsgevonden tussen (ongeveer) 20:15 uur en 21:00 uur, iets wat haar gelet op het tijdstip, de duur, de locatie en de omvang ervan onwaarschijnlijk voorkomt. [appellant] heeft over de precieze toedracht van de gestelde diefstal niets verklaard. In een geval als dit kan dat ook niet van hem worden gevergd: heimelijk door derden gepleegde feiten (diefstal van auto-onderdelen) zijn immers vrijwel steeds omgeven door onduidelijkheden rond de precieze toedracht. Bij een beoordeling aan de hand van de in rechtsoverweging 4.1. uiteengezette maatstaf komt daarom grote betekenis toe aan de (samenhang tussen en eenduidigheid van de) overige feiten die door [appellant] zijn gesteld om een bepaalde toedracht aannemelijk te maken.

4.5.

[appellant] heeft op 24 september 2018 tegenover I-TEK verklaard dat hij de inbraak in de auto “rond de klok van 07:00 uur” ontdekte. Op 10 januari 2019 heeft [appellant] opnieuw met I-TEK gesproken. Bij die gelegenheid heeft hij aangegeven dat hij de diefstal mogelijk al voor 7:00 uur heeft ontdekt. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de advocaat van [appellant] bij brief van 15 januari 2019 aanvullend aan I-TEK laten weten dat zijn cliënt er op 26 augustus 2018 omstreeks 6:33 uur achter kwam dat er onderdelen van/uit zijn auto waren gestolen. Op dat tijdstip heeft [appellant] namelijk zijn vriendin via WhatsApp ingelicht over de diefstal. Anders dan Achmea is het hof van oordeel dat deze verklaringen niet tegenstrijdig aan elkaar zijn, maar dat de latere verklaringen een precisering vormen van de eerste verklaring (waarin het woord “rond” er overigens al op wijst dat het tijdstip van ontdekking volgens [appellant] ook eerder/later dan 7:00 uur kon zijn gelegen).

4.6.

[appellant] zou volgens Achmea ook onjuist/tegenstrijdig hebben verklaard over het moment waarop de op 1 oktober 2018 aan I-TEK toegezonden foto’s van de gestripte auto zijn gemaakt. Volgens haar wilde hij doen geloven dat de foto’s direct na ontdekking van de diefstal waren gemaakt op de schadelocatie, maar uiteindelijk is gebleken dat die foto’s op een later moment en op een andere locatie zijn gemaakt. Deze zienswijze strookt echter niet met de inhoud van het e-mailbericht waarmee die foto’s aan I-TEK zijn verstuurd. [appellant] schrijft daarin namelijk expliciet dat hij de foto’s van het ontdekken niet meer op zijn usb-stick heeft kunnen vinden (hij is die dag van mobiele telefoon gewisseld) en dat de meegezonden foto’s (dus) op een later moment zijn genomen. Inmiddels staat tussen partijen niet meer ter discussie dat de betreffende foto’s van de gestripte auto op 26 augustus 2018 tussen 7:09 uur en 7:12 uur zijn gemaakt bij Top-Fix.

4.7.

Dan het verwijt van Achmea dat [appellant] geen inzage heeft willen geven in zijn app- en telefoonverkeer waardoor het voor I-TEK niet mogelijk was om de authenticiteit van het WhatsApp-gesprek tussen [appellant] en zijn vriendin te controleren en evenmin kon worden nagegaan of [appellant] vlak na ontdekking van de diefstal inderdaad de politie heeft gebeld. [appellant] heeft ter zitting verduidelijkt dat hij zich gedurende het onderzoek van I-TEK in een bepaalde hoek gedrukt voelde worden (vanwege zijn achternaam en ongegronde twijfels of de auto wel van hem was en wel vóór de diefstal was hersteld). Dat heeft hem op een bepaald moment doen besluiten om zijn medewerking (die tot dat moment wel degelijk was verleend in de vorm van het afleggen van verklaringen en het overleggen van allerlei gevraagde documenten) aan het onderzoek te staken en geen inzage te verlenen in zijn telefoon. Indien [appellant] de handelswijze van I-TEK op een dergelijke wijze heeft ervaren, valt zijn beslissing om I-TEK geen toegang tot zijn telefoon te verlenen te begrijpen (zeker als er door Achmea niet op is gewezen dat deze weigering nadelig voor hem zou kunnen uitpakken). Geheel los daarvan geldt dat Achmea onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom het voor haar in de gegeven omstandigheden zo belangrijk was om de authenticiteit van de betreffende appjes te checken en om te controleren of [appellant] op 26 augustus 2018 inderdaad telefonisch contact heeft gehad met de politie. Van de relevante passages uit het WhatsApp-gesprek tussen [appellant] en zijn vriendin zijn immers screenshots aan Achmea verstrekt en tussen partijen staat niet ter discussie dat [appellant] op 26 augustus 2018 in ieder geval digitaal aangifte heeft gedaan van de diefstal.

4.8.

Achmea vindt het verder opmerkelijk dat [appellant] na ontdekking van de diefstal, zittend op een emmer achter het stuur van zijn gestripte auto, een rit van ruim 20 kilometer naar Top-Fix in Sint-Michielsgestel zou hebben gemaakt: waarom heeft hij de auto niet gewoon weg laten slepen? [appellant] heeft hierover verklaard dat hij handelde in paniek en de auto meteen weg wilde hebben van de diefstallocatie om te voorkomen dat dezelfde dieven nogmaals zouden toeslaan. Bij Top-Fix – een schadeherstelbedrijf waarmee hij vaak werkte – stond de auto veilig, ook al was daar op dat moment niemand aanwezig. Op die locatie heeft hij ruim een half uur na ontdekking van de diefstal ook de foto’s gemaakt die aan I-TEK zijn verstrekt (zie rechtsoverweging 4.6.). In de door [appellant] overgelegde screenshots van het WhatsApp-gesprek dat hij die ochtend met zijn vriendin had valt ook te lezen dat hij haar vraagt hem op te halen op de door hem aangegeven locatie. In aanvulling daarop heeft zijn vriendin schriftelijk verklaard dat zij [appellant] die ochtend vanuit haar werk (na haar nachtdienst) heeft opgehaald in Sint-Michielsgestel, terwijl de eigenaar van Top-Fix in een schriftelijke verklaring bevestigt dat hij de gestripte auto op zijn terrein heeft aangetroffen. Op 4 september 2018 – ruim een week na de diefstal, zodat volgens Achmea geen sprake kan zijn van een paniekreactie – heeft [appellant] de auto van Top-Fix naar Autoservice Groenendaal in Berlicum gereden, daarbij wederom zittend op een emmer. Volgens [appellant] moest de auto weg bij Top-Fix en ging het slechts om een rit van een paar kilometer via de polder. Op foto’s van de auto die Post-Crash Voertuig Diagnose vervolgens bij Autoservice Groenendaal heeft gemaakt is te zien dat op de plek van de bestuurdersstoel een (verf)emmer staat.

4.9.

Al het voorgaande overziend is het hof van oordeel dat uit de door [appellant] gestelde feiten, ook in het licht van de betwistingen van Achmea, voldoende bewijs kan worden geput dat de diefstal heeft plaatsgevonden en dat zich dus een verzekerd voorval heeft voorgedaan. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of Achmea in dit geval ook daadwerkelijk dekking moet verlenen.

4.10.

Onder verwijzing naar artikel 4 uit haar toepasselijke algemene voorwaarden wijst Achmea er in de eerste plaats op dat [appellant] geen aanspraak kan maken op uitkering van de geclaimde schade omdat hij (kort gezegd) onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek dat Achmea heeft laten uitvoeren en aldus Achmea in haar redelijke belangen heeft geschaad. Uit hetgeen hiervóór (in met name de rechtsoverwegingen 4.5. tot en met 4.7.) is overwogen volgt reeds dat het hof van oordeel is dat van onjuiste/tegenstrijdige verklaringen van [appellant] geen sprake is, terwijl Achmea onvoldoende heeft verduidelijkt waarom het voor haar in de gegeven omstandigheden zo belangrijk was om de authenticiteit van de door [appellant] overgelegde app-berichten te controleren en om na te gaan of [appellant] in de ochtend van 26 augustus 2018 inderdaad met de politie heeft gebeld. Voor zover het verwijt van Achmea ook inhoudt dat [appellant] zijn auto inmiddels heeft verkocht (zodat er dus geen technisch onderzoek meer kan worden verricht) wijst het hof erop dat [appellant] de auto pas in april 2019 heeft verkocht. Het technische onderzoek door Post-Crash Voertuig Diagnose (waarvoor de auto acht maanden beschikbaar is geweest) was toen al geruime tijd afgerond en mede op basis daarvan had Achmea op dat moment al laten weten dat zij niet zou gaan uitkeren. Tegen die achtergrond bezien kan [appellant] niet worden aangerekend dat hij de auto uiteindelijk heeft verkocht. Van een schending van de artikel 4 van de algemene voorwaarden neergelegde verplichtingen is derhalve ook in dit opzicht geen sprake.

4.11.

Achmea wijst er daarnaast op dat [appellant] de verplichtingen uit een op de autoverzekering toepasselijke clausule (Clausule 432 Diefstalbeveiliging 3) niet heeft nageleefd. Op grond van die clausule moet de auto zijn uitgerust met een werkzaam alarmsysteem, bij gebreke waarvan in geval van diefstal (van onderdelen) niet zal worden uitgekeerd. Achmea leidt uit het rapport van Post-Crash Voertuig Diagnose af dat het alarm ten tijde van de diefstal niet werkzaam of ingeschakeld was. In het rapport staat namelijk dat het alarm tijdens het onderzoek niet kon worden “getriggerd” en dat het alarm volgens het geheugen voor het laatst op 22 augustus 2018 was “geactiveerd”. [appellant] heeft daartegen onweersproken aangevoerd dat “activeren” niet duidt op het aanzetten maar op het afgaan of triggeren van het alarm; dit blijkt ook uit pagina 10 van het Post-Crash Voertuig Diagnose rapport en is door de advocaat van Achmea op de mondelinge behandeling bevestigd. Verder heeft [appellant] over het alarmsysteem (en de door Achmea ingeroepen motorstarten en demontage van het infotainmentsysteem) aangevoerd dat de auto een zogeheten keyless entry/go-functie heeft en dat het heel goed mogelijk is dat bij de diefstal, zoals toen veelvuldig voorkwam, gebruik is gemaakt van een apparaat waarmee het signaal van één van de twee autosleutels (die allebei in zijn bezit waren) is versterkt zodat de auto door de dief/dieven geopend en gestart kon worden zonder een alarm te laten afgaan. Post-Crash Voertuig Diagnose heeft deze mogelijkheid in haar rapport wel genoemd (maar niet technisch onderzocht) en Achmea heeft tijdens de zitting ook expliciet aangegeven dat niet kan worden uitgesloten dat het signaal van een sleutel is verlengd en dat de auto in zo’n geval kan worden geopend zonder een ingeschakeld/werkzaam alarm te triggeren. Omdat die mogelijkheid niet kan worden uitgesloten, kan naar het oordeel van het hof ook in het midden blijven of het alarm (dat via deze methode kan worden omzeild) daadwerkelijk ingeschakeld en werkzaam was. Aan bewijslevering op dit punt wordt dan ook niet toegekomen.

4.12.

Het bovenstaande brengt in de eerste plaats met zich dat Achmea gehouden was/is om de door [appellant] geclaimde schade aan hem te vergoeden. Door de expert van Achmea is het schadebedrag vastgesteld op € 26.333,31. Volgens Achmea moet dan eerst nog artikel 9 “Regeling van de schade” uit haar bijzondere voorwaarden worden gevolgd, maar partijen blijken het met de schade-expert eens en daarmee is de Regeling van de schade afgerond. Dit bedrag zal Achmea dus alsnog aan [appellant] moeten uitkeren. Op grond van artikel 4 lid 3 van de bijzondere voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst dient Achmea ook een bedrag van € 450 aan [appellant] te betalen vanwege het feit dat hij gedurende lange tijd niet over zijn auto heeft kunnen beschikken (€ 15 per dag met een maximum van 30 dagen). Achmea is aan [appellant] ook een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. Overeenkomstig de staffel buitengerechtelijke incassokosten stelt het hof dit bedrag zoals gevorderd vast op € 1.038,33 (€ 875 + 1% van (€ 26.333,31 - € 10.000)). De schade die [appellant] ten gevolge van de te late betaling door Achmea heeft geleden (doorbetaalde premies en belastingen, verkoop van de auto met gesteld verlies) dient te worden gefixeerd op de wettelijke rente die Achmea verschuldigd is vanaf 14 februari 2019, zijnde de datum waarop Achmea, onweersproken, op grond van artikel 6:83 aanhef en onder c BW zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. Met betrekking tot de doorbetaalde premies en belastingen heeft [appellant] bovendien onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat zij hun doel hebben gemist.

4.13.

Hetgeen hiervóór is overwogen brengt ten slotte ook met zich dat Achmea de (persoons)gegevens van [appellant] binnen veertien dagen na de datum van dit arrest zal moeten verwijderen en verwijderd zal moeten houden uit haar Incidentenregister. Achmea heeft wel aangevoerd dat voor zo’n opname al voldoende is dat zij onderzoek doet of heeft gedaan naar een (mogelijk) incident in de zin van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI), zoals hier (mogelijk) oneigenlijk gebruik van een verzekering. Maar dit vormt op zichzelf nog geen grond voor opname. Volgens artikel 4.1.1 van het PIFI is het Incidentenregister namelijk bedoeld voor het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:

• op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche etc.;

• op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche etc.

Daarvan is hier allemaal niet gebleken, zodat dit verweer niet opgaat. De toezegging van Achmea tot nakoming van een rechterlijk verwijderingsbevel staat niet in de weg aan de toewijsbaarheid van een dwangsom. Het hof zal deze beperken en maximeren zoals hieronder vermeld.

4.14

Achmea heeft getuigenbewijs aangeboden door het horen van medewerkers van Post -Crash Voertuig Diagnose, I-TEK en haar eigen Afdeling Speciale Zaken. Zij heeft echter geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Daarom passeert het hof het bewijsaanbod.

5 De slotsom

5.1

Het hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Het gevorderde zal worden toegewezen zoals hieronder vermeld.

5.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof Achmea in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 104,54 voor explootkosten, € 914 voor griffierecht en € 1.390 voor salaris advocaat (2 punten x tarief III). De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 103,83 voor explootkosten, € 772 voor griffierecht en € 2.884 voor salaris advocaat (2 punten x appeltarief III). Een en ander zal worden vermeerderd met de onweersproken wettelijke rente.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 9 december 2020 en doet opnieuw recht:

verklaart voor recht dat Achmea tekort is geschoten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst;

veroordeelt Achmea tot betaling van € 27.821,64, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 februari 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Achmea om de (persoons)gegevens van [appellant] binnen veertien dagen na betekening van dit arrest te verwijderen en verwijderd te houden uit het Incidentenregister van de Achmea Groep, zulks door overlegging van behoorlijke documentatie waaruit de verwijdering blijkt, zulks op straffe van een dwangsom van € 100 per dag of dagdeel dat Achmea niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000;

veroordeelt Achmea in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 1.018,54 voor verschotten en € 1.390 voor salaris advocaat, en in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 875,83 voor verschotten en € 2.884 voor salaris advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Achmea in de nakosten, begroot op € 163, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85 in geval Achmea niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.W.E. van Leuken, G.D. Hoekstra en A.W. Steeg en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2022.

1 De voorbumpercover, de koplampunits, de stuurwielairbag, het bedieningspaneel/display en de hoofdunit van het infotainmentsysteem, de voorstoelen, de zitting van de achterbank en een derde deel van de rugleuning van de achterbank.

2 HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7070.