Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:7198

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-08-2022
Datum publicatie
17-08-2022
Zaaknummer
21-001082-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid accijnsgoederen (waterpijp-/rooktabak) waarover geen accijns is geheven, het vervaardigen van een grote hoeveelheid accijnsgoederen (6.196 kg waterpijp-/rooktabak) en merkvervalsing. Gevangenisstraf 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001082-21

Uitspraak d.d.: 17 augustus 2022

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 25 februari 2021 met parketnummer 08-996106-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 augustus 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. L.M.E. Kleczewski, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij bovenvermeld vonnis is verdachte - kort gezegd - voor de volgende feiten veroordeeld tot straf:

1. Het opzettelijk voorhanden hebben van een grote hoeveelheid accijnsgoederen (waterpijp-/rooktabak) waarover geen accijns is geheven;

2. Het opzettelijk vervaardigen van een grote hoeveelheid accijnsgoederen (6.196 kg waterpijp-/rooktabak) buiten een accijnsgoederenplaats;

3. Merkvervalsing.

Aan verdachte is opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast zijn de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 23 oktober 2019 te Klazienaveen in de gemeente Emmen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (een) grote hoeveelheid accijnsgoed(eren), in elk geval 2.651 kilogram (waterpijp/rook)tabak en/of 2.374,7 kilogram (waterpijp/rook)tabak voorhanden heeft gehad, terwijl die tabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken;

2.
hij in of omstreeks de periode van 11 oktober 2017 tot en met 23 oktober 2019 te Klazienaveen in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met één of meer anderen althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) accijnsgoederen, te weten 6.196 kilogram (waterpijp/rook)tabak en/of 5.026 kilogram (waterpijp/rook) heeft vervaardigd buiten een accijnsgoederenplaats, die voor dat soort accijnsgoed(eren) als zodanig is aangewezen;

3.
hij op of omstreeks 23 oktober 2019 te Klazienaveen in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met één of meer anderen althans alleen, opzettelijk

a. a) valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken, en/of

b) waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft, en/of

c) waren, die ter aanduiding van herkomst, valselijk van de naam van een bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichte handelsnaam, zijn voorzien, en/of

d) waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst en/of e) waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of model waarop een ander recht heeft, dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen, te weten:

- ( ongeveer) 29.242 verpakkingen van 200 gram met daarop de (merk)naam [naam] , en/of

- ( ongeveer) 19.484 verpakkingen van 1000 gram met daarop de (merk)naam [naam] , heeft ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verkocht en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of uitgedeeld en/of in voorraad heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dit misdrijf zijn/hun beroep heeft/hebben gemaakt en/of het plegen van dit misdrijf als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde gelijk aan de bewezenverklaring in het vonnis van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof geen verweer gevoerd ter zake de in het vonnis van de rechtbank onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde feiten.

Oordeel van het hof

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op of omstreeks 23 oktober 2019 te Klazienaveen in de gemeente Emmen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (een) grote hoeveelheid accijnsgoed(eren), in elk geval 2.651 kilogram (waterpijp/rook)tabak en/of 2.374,7 kilogram (waterpijp/rook)tabak voorhanden heeft gehad, terwijl die tabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken;

2.
hij in of omstreeks de periode van 10 juli 2018 tot en met 23 oktober 2019 te Klazienaveen in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met één of meer anderen althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) accijnsgoederen, te weten 6.196 kilogram (waterpijp/rook)tabak en/of 5.026 kilogram (waterpijp/rook) heeft vervaardigd buiten een accijnsgoederenplaats, die voor dat soort accijnsgoed(eren) als zodanig is aangewezen;

3.
hij op of omstreeks 23 oktober 2019 te Klazienaveen in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met één of meer anderen althans alleen, opzettelijk

a. a) valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken, en/of

b) waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft, en/of

c) waren, die ter aanduiding van herkomst, valselijk van de naam van een bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichte handelsnaam, zijn voorzien, en/of

d) waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst en/of e) waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of model waarop een ander recht heeft, dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen, te weten:

- (ongeveer) 29.242 verpakkingen van 200 gram met daarop de (merk)naam [naam] , en/of

- (ongeveer) 19.484 verpakkingen van 1000 gram met daarop de (merk)naam [naam] , heeft ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verkocht en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of uitgedeeld en/of in voorraad heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dit misdrijf zijn/hun beroep heeft/hebben gemaakt en/of het plegen van dit misdrijf als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk overtreden van een in artikel 5, lid 1, sub b, van de Wet op de accijns opgenomen verbod;

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk overtreden van een in artikel 5, lid 1, sub a, van de Wet op de accijns opgenomen verbod;

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk in voorraad hebben van

a. wederrechtelijk vervaardigde merken, en

b. waren, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de

handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, en

d. waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of

een merk waarop een ander recht had, zij het dan ook met een geringe afwijking,

was nagebootst.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als in het vonnis van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof primair verzocht aan verdachte de maximale taakstraf op te leggen in combinatie met de maximale voorwaardelijke gevangenisstraf. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om een groter deel van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof overweegt hierbij in het bijzonder als volgt en neemt daarbij de volgende, gecursiveerd weergegeven, overwegingen van de rechtbank over. Waar in de cursief weergegeven tekst ‘de rechtbank’ staat vermeld moet ‘het hof’ worden gelezen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen in strijd met een tweetal in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verboden, te weten het produceren van een grote hoeveelheid waterpijptabak buiten de daarvoor in de vergunning aangewezen accijnsgoederenplaats en het voorhanden hebben van een partij accijnsgoederen terwijl die buiten het systeem van de heffing van accijns werden gehouden.

Het illegaal vervaardigen en voorhanden hebben van accijnsgoederen verstoort de reguliere markt voor tabakswaren en werkt ontwrichtend op het systeem van de economische ordening van het land en, voor zover sprake is van internationale handel, ten aanzien van de ordening van de Europese economische markt. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan ontduiking van de verplichting tot opgave van accijns voor grote bedragen en daarmee aan oneerlijke concurrentie ten opzichte van die handelaren/bedrijven, die wel aan hun verplichtingen in het kader van de Wet op de accijns voldoen.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het in voorraad hebben van een grote hoeveelheid merkvervalste goederen. Immers heeft verdachte de door hem vervaardigde waterpijptabak (ten behoeve van de verkoop) verpakt in niet originele verpakkingen met daarop de merknaam ‘ [naam] ’. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op het merkenrecht van [naam] . Bovendien doet de slechtere kwaliteit van de waterpijptabak die door verdachte werd vervaardigd afbreuk aan het imago van het originele merk. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij slechts zijn eigen geldelijk gewin voor ogen heeft gehad en niet heeft stilgestaan bij de economische schade die zijn handelen heeft meegebracht.

De rechtbank acht het handelen van verdachte brutaal en ondermijnend. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking de langdurige periode waarbinnen de strafbare gedragingen zich hebben voorgedaan en het feit dat het grote hoeveelheden goederen betreffen.

Het hof heeft ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte onder andere rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 28 juni 2022;

  • -

    medische stukken over verdachte over de periode 1998-2000;

  • -

    een advies van de reclassering d.d. 29 maart 2022.

Uit de justitiële documentatie van verdachte volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit. Na het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak is verdachte voor het plegen van diverse andere strafbare feiten in twee zaken veroordeeld tot betaling van geldboetes. Het hof dient bij de strafoplegging daarom rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Vanwege de aard van de in deze twee zaken opgelegde straffen, zal het hof hiermee noch in strafverzwarende, noch in strafverminderende zin rekening houden.

Voorafgaand aan de terechtzitting van het hof heeft de raadsvrouw medische stukken over verdachte overgelegd van de psychiater, huisarts en maatschappelijk werker over de periode 1998 tot en met 2000. Kort gezegd volgt daaruit onder meer dat verdachte destijds te maken had met gedragsproblemen en dat hij zelfdestructief gedrag vertoonde tegen een achtergrond van een posttraumatische stressstoornis. Verdachte vertelde dat hij vier maanden gevangen heeft gezeten in Irak en dat hij daar is gemarteld. Verdachte had veel last van herbelevingen van situaties (beelden en geluiden) die hij in Irak heeft meegemaakt. Verdachte maakte een erg depressieve en neerslachtige indruk.

Uit het reclasseringsadvies van 29 maart 2022 komt naar voren dat verdachte tijdens het gesprek weinig heeft verteld over het tenlastegelegde. Verdachte liet weten psychische problemen te ondervinden. Het verkrijgen van informatie werd belemmerd, omdat verdachte op veel vragen geen antwoord kon geven. Twintig jaar geleden is verdachte vanuit Irak naar uiteindelijk Nederland gereisd. Hij heeft op basis van medische gronden verblijf toegekend gekregen en is inmiddels genaturaliseerd. Voor wat betreft psychosociaal functioneren en financiën lijken er problemen te bestaan. Het gezinssysteem en huisvestiging zijn beschermende factoren. Vanwege de beperkte informatie en verdachtes houding kan geen gedegen inschatting worden gemaakt van de kans op recidive. Ook kan daarom geen advies worden gegeven of interventies en/of toezicht nodig zijn.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij van de fiscus een dwangbevel uitgereikt heeft gekregen voor betaling van niet afgedragen accijns van ruim € 700.000,-. Daarover lopen geen procedures meer. Daarnaast is er een vordering van de gemeente tot terugbetaling van de uitkering die de partner van verdachte tijdens de bewezenverklaarde periode heeft ontvangen. Vanwege deze schulden vindt er een maandelijkse inhouding plaats op de uitkering van verdachte en zijn partner, tot aan de beslagvrije voet. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij niet terug kan in detentie. Verdachte ervaarde herbelevingen van zijn detentieperiode in Irak tijdens de inverzekeringstelling van drie dagen in de onderhavige zaak. Volgens verdachte heeft hij daarna zes maanden lang niet kunnen slapen, omdat hij elke dag het gevoel had dat hij opnieuw gevangen zat, met alle angsten van dien.

Het hof overweegt dat het op grond van de door de raadsvrouw overgelegde medische stukken over verdachte, hoewel van langer geleden, en naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting wil aannemen dat bij verdachte sprake is van een posttraumatische stressstoornis als gevolg van zijn detentie in Irak en de martelingen die hij daar heeft ondergaan. Hoewel het hof de eis van de advocaat-generaal als uitgangspunt passend acht, ziet het hof in de hiervoor weergegeven bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte aanknopingspunten om daar in het voordeel van verdachte van af te wijken. Het hof is van oordeel dat detentie voor deze verdachte onevenredig veel zwaarder zal zijn dan voor een willekeurig ander persoon.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, en een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

Inbeslaggenomen voorwerpen

De advocaat-generaal heeft gevorderd de inbeslaggenomen goederen te onttrekken aan het verkeer gelijk aan de beslissing in het vonnis van de rechtbank.

De raadsvrouw heeft ter zitting van het hof verklaard dat de verdediging geen opmerkingen heeft over de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat alle op de beslaglijst van 6 augustus 2020 vermelde goederen (waarvan een kopie aan dit arrest is gehecht) vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. De inbeslaggenomen goederen betreffen onder meer dozen met tabak, verpakkingsmaterialen, jerrycans, smaakstoffen en andere aanverwante voorwerpen, die aan verdachte toebehoren en die zijn aangetroffen tijdens de doorzoekingen in de woning, de garageboxen en de loods. Nu deze goederen zijn gebruikt en opnieuw kunnen worden gebruikt voor de productie van tabak, zal het hof gelasten om die goederen aan het verkeer te onttrekken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 57, 63 en 337 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

alle op de aan dit arrest gehechte beslaglijst van 6 augustus 2020 genoemde voorwerpen.

Aldus gewezen door

mr. W.M. Weerkamp, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. R.G.J. Welbergen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.A. Hoekstra, griffier,

en op 17 augustus 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 17 augustus 2022.

Tegenwoordig:

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mr. J.A.M.M. Francissen, advocaat-generaal,

mr. N.E. Versloot, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.