Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:7197

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-08-2022
Datum publicatie
26-08-2022
Zaaknummer
21/01702
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invordering. Kennisgeving vervallen uitstel van betaling. Bevoegdheid bestuursrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-8-2022
FutD 2022-2361
V-N Vandaag 2022/2049
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 21/01702

uitspraakdatum: 16 augustus 2022

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 november 2021, nummer AWB 21/902, in het geding tussen belanghebbende en

de ontvanger van de Belastingdienst/Landelijk Incasso Centrum, kantoor Heerlen (hierna: de Ontvanger)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Ontvanger heeft op 18 juni 2020 een kennisgeving aan belanghebbende gestuurd, waarin hij heeft bekend gemaakt dat het uitstel van betaling is vervallen van de voor het jaar 2014 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 6 januari 2021 heeft de Ontvanger het bezwaar van belanghebbende tegen de kennisgeving niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Belastingdienst, bijgestaan door [naam2] .

2 Vaststaande feiten

De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard, omdat het onderhavige beroep inhoudelijk gericht is tegen de onder 1.1. genoemde kennisgeving van het vervallen van uitstel van betaling.

3 Geschil

In geschil is of de Rechtbank zich als bestuursrechter in belastingzaken terecht onbevoegd heeft verklaard.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. In de artikelen 8:2 tot en met 8:6 van de Awb zijn hierover nadere bepalingen opgenomen. In artikel 8:5, eerste lid van de Awb is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 bij de Awb). In die bepaling wordt onder meer de Invorderingswet 1990 genoemd, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a van die wet.

4.2.

Het vorenstaande betekent dat ingevolge de Awb alleen tegen besluiten van de ontvanger op grond van de artikelen 30, 49 en 62a van de Invorderingswet 1990 beroep bij de bestuursrechter in belastingzaken kan worden ingesteld. De kennisgeving van 18 juni 2021 waartegen belanghebbende zich keert, betreft geen besluit als bedoeld in voornoemde artikelen. Die kennisgeving betreft ook geen besluit waartegen ingevolge enige andere wettelijke bepaling beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. De kennisgeving is gebaseerd op artikel 25.1.4, letter c van de Leidraad Invordering 2008, de aanleiding tot het verlenen van uitstel van betaling is weggevallen. Ter zake van een zodanige kennisgeving is geen beroep opengesteld en is de bestuursrechter dus niet bevoegd. Met betrekking tot die intrekking van een uitstel kan slechts een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld (zie artikel 8:71 van de Awb). De Rechtbank heeft zich als bestuursrechter in belastingzaken daarom ter zake van de kennisgeving terecht onbevoegd verklaard.

4.3.

De andere door belanghebbende aangedragen grieven leiden niet tot een ander oordeel.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2022.

De griffier is verhinderd de uitspraak Vanwege verhindering van de voorzitter

te ondertekenen. heeft de oudste raadsheer deze uitspraak

ondertekend.

(A.J.H. van Suilen)

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 17 augustus 2022

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariƫle akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.