Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:7128

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-08-2022
Datum publicatie
19-08-2022
Zaaknummer
19/01004 t/m 19/01009 en 19/01022
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek om geheimhouding. Schonen van stukken gerechtvaardigd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-8-2022
FutD 2022-2303
V-N Vandaag 2022/2007
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

nummers 19/01004, 19/01005, 19/01006, 19/01007, 19/01008, 19/01009 en 19/01022

uitspraakdatum: 9 augustus 2022

Beslissing van de tweede meervoudige belastingkamer

op het verzoek op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

in het geding tussen de Inspecteur en

[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 14 juni 2019, zaaknummers AWB 18/1261, AWB 18/1263, AWB 18/1264, AWB 18/3266, AWB 18/3267 en AWB 18/3268.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 36.321. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 1.591.

1.2

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag in de Vpb opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 54.238. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 2.565.

1.3

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de Vpb opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 26.976. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 1.139.

1.4

Op de – tegen de hiervoor onder 1.1 tot en met 1.3 bedoelde navorderingsaanslagen Vpb gerichte – bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen Vpb en de beschikkingen heffingsrente voor de jaren 2009 en 2011 gehandhaafd en de navorderingsaanslag Vpb 2010 verminderd tot een belastbaar bedrag van € 38.794 en de beschikking heffingsrente 2010 dienovereenkomstig verminderd.

1.5

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 14 juni 2019 de beroepen ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.6

Aan belanghebbende is voor het tijdvak l januari 2008 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: OB) opgelegd naar een bedrag van € 22.106. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 3.100.

1.7

Aan belanghebbende is voor het tijdvak l januari 2009 tot en met 31 december 2009 een naheffingsaanslag OB opgelegd naar een bedrag van € 56.352. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 7.915.

1.8

Aan belanghebbende is voor het tijdvak l januari 2010 tot en met 31 december 2010 een naheffingsaanslag OB opgelegd naar een bedrag van € 22.099. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 3.511.

1.9

Belanghebbende heeft bij de Rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

1.10

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen OB en de beschikkingen heffingsrente over de jaren 2008 en 2009 gehandhaafd en de naheffingsaanslag OB over 2010 verminderd tot € 21.657 en de beschikking heffingsrente 2010 dienovereenkomstig verminderd.

1.11

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 14 juni 2019 het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard, de beroepen inzake de naheffingsaanslagen OB over de tijdvakken 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 en 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 ongegrond verklaard, het beroep inzake de naheffingsaanslag OB over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 gegrond verklaard, de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 vernietigd, de beschikking heffingsrente over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 vernietigd, de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.12

Belanghebbende heeft tegen de hiervoor – onder 1.5 en 1.11 – bedoelde uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.13

De Inspecteur heeft tegen de hiervoor – onder 1.11 – bedoelde uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft daarop gereageerd.

1.14

Bij brief van 8 december 2021 heeft de griffier van het Hof de Inspecteur gewezen op zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de Inspecteur verzocht alle ongeschoonde verslagen van het tripartiete overleg (hierna: TPO) en het selectie-overleg in te brengen.

1.15

Bij brief van 14 december 2021 heeft de Inspecteur afschriften van een ongeschoonde versie van de hiervoor – onder 1.14 – bedoelde verslagen naar het Hof gestuurd bestemd voor de geheimhoudingskamer. De Inspecteur heeft daarbij een verzoek gedaan tot geheimhouding van delen van deze stukken als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.

1.16

Het verzoek van de Inspecteur is ter zitting van de geheimhoudingskamer behandeld te Arnhem op 22 februari 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur, alsmede – via een videoverbinding - mr. M. Muller, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam3] .

1.17

Van het verhandelde zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze beslissing is gehecht.

2 Overwegingen

2.1

De aanleiding voor de onderhavige geheimhoudingsprocedure is de hiervoor – onder 1.14 – bedoelde brief van de griffier van het Hof van 8 december 2021, waarin het Hof de Inspecteur verzoekt alle (acht) verslagen van het TPO en het selectie-overleg, en dus niet alleen die verslagen waarin belanghebbende zelf is besproken, in te brengen in de procedure.

2.2

In antwoord op die brief van het Hof, antwoordt de Inspecteur bij brief van 14 december 2021. Hij schrijft daarin onder meer:

Voor zover het oordeel zou luiden dat de stukken allemaal als op de zaak betrekking hebbend als bedoeld in artikel 8:42 Awb zijn aan te merken heb ik inderdaad geschreven een beroep te willen te doen geheimhouding van delen dan wel beperkte kennisneming van die stukken. Thans vraagt u mij alle (acht) verslagen van het TPO en het selectie-overleg in te brengen. Aan uw verzoek voldoe ik bij dezen, vanwege het beroep op (gedeeltelijke) geheimhouding, door de stukken aan te bieden in een gesloten enveloppe met de daarop de aanduiding "GEHEIM, t.a.v. geheimhoudingskamer". Overigens gaat het m.i. om meer dan acht verslagen.

Op dezelfde wijze bied ik het (gehele) verslag van het gesprek met mevrouw [naam4] aan de geheimhoudingskamer van uw Hof aan, inclusief de begeleidende brief.

Verslagen TPO

Voordat ik specifiek in ga op de onderbouwing met gewichtige redenen van mijn beroep op geheimhouding wil ik de geheimhoudingskamer kennis laten nemen van mijn standpunt dat verslagen van het TPO in zijn algemeenheid niet behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Een korte toelichting.

De contactambtenaar neemt namens het Bestuur van 's Rijks belastingen deel aan het TPO (thans het overleg weegploeg). Naast de contactambtenaar nemen de FIOD en het Openbaar Ministerie aan dit overleg deel. In het overleg vertegenwoordigt de contactambtenaar niet de inspecteur maar het Bestuur van 's Rijks belastingen. Ingevolge artikel 84 AWR, jo art. 9 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 is de contactambtenaar namelijk aangewezen om namens het Bestuur van 's Rijks belastingen de contacten m.b.t. de vervolging en berechting van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten te onderhouden. Formeel is dit geregeld met een Mandateringsbesluit om namens de directeur de bevoegdheden van contactambtenaar uit te oefenen. Verslagen van het TPO staan uitsluitend ter beschikking van de deelnemers aan dat overleg en niet van de inspecteur (de ambtenaren die via mandatering bevoegd zijn om namens de inspecteur op te treden). De inspecteur had derhalve niet de beschikking over de TPO-verslagen, het zijn stukken die zich bevinden onder derden (i.c. het TPO) en hebben de inspecteur ook niet ter beschikking gestaan. Bovendien kan verdedigd worden dat dergelijke opsporingsinformatie valt onder de Wet Justitiële en Strafvorderlijke gegevens waarvoor afzonderlijke geheimhoudersbepalingen gelden.

In zijn algemeenheid is het de vraag of de inhoud van verslagen van het TPO van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in de zaak. Ik kan mij niet goed voorstellen wat de uiteindelijke relevantie voor het belastinggeschil is van allerlei procedurele of soms strategische overwegingen die tijdens besprekingen aan de orde komen en die summier in verslagen zijn vastgelegd. Ik begrijp dat de toetsing hiervan normaliter niet goed kan geschieden zonder kennisneming van de inhoud van de verslagen. Maar de Hoge Raad heeft hierin wel ruimte gegeven door te bepalen dat de rechter onder omstandigheden ook zonder kennisneming van het desbetreffende stuk kan beslissen dat dit stuk niet van enig belang voor de besluitvorming kan zijn (geweest) (HR 15 november 2013, nr. 12/00606, ECLI:NL:HR:2013:1129, BNB 2014/28). Ter beoordeling of er sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken zou de geheimhoudingskamer daar een oordeel over kunnen geven.”.

2.3

De geheimhoudingskamer heeft van de Inspecteur aan ongeschoonde en geschoonde stukken het volgende ontvangen:

1. Uitsluitend ter kennisneming van de geheimhoudingskamer

Ongeschoonde verslagen selectie-overleg Randmeren van

- 13 maart 2014 en

- 8 april 2014.

2. Geschoonde verslagen selectie-overleg Randmeren van

- 13 maart 2014 en

- 8 april 2014.

3. Uitsluitend ter kennisneming van de geheimhoudingskamer

Ongeschoonde verslagen Tripartiete Overleg (TPO en later weegploeg) van

- 26 maart 2014;

- 23 april 2014;

- 21 mei 2014;

- 25 juni 2014;

- 20 augustus 2014;

- 29 oktober 2014;

- 26 november 2014;

- 17 december 2014;

- 28 januari 2015;

- 24 juni 2015;

- 6 april 2016 en

- 18 mei 2016.

4. Geschoonde verslagen TPO (en later weegploeg) van

- 26 maart 2014;

- 23 april 2014;

- 21 mei 2014;

- 25 juni 2014;

- 20 augustus 2014;

- 29 oktober 2014;

- 26 november 2014;

- 17 december 2014;

- 28 januari 2015;

- 24 juni 2015;

- 6 april 2016 en

- 18 mei 2016.

5. Uitsluitend ter kennisneming van de geheimhoudingskamer

Ongeschoond verslag van een gesprek d.d. 28 maart 2014 met Mevrouw [naam4] , met bijbehorende brief.

6. Geschoond verslag van een gesprek d.d. 28 maart 2014 met Mevrouw [naam4] , met bijbehorende brief.

2.4

De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de hoofdkamer – indien nodig – zal beslissen over de vraag of de te beoordelen stukken op de zaken betrekking hebbende stukken zijn zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De geheimhoudingskamer beperkt zich tot de beslissing of geheimhouding dan wel beperking van de kennisneming van (delen van) deze stukken gerechtvaardigd is.

2.5

Op de voet van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kan de inspecteur, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren stukken, of gedeelten daarvan, over te leggen dan wel deze alleen aan de rechter ter kennis brengen. De geheimhoudingskamer stelt voorop dat bij de toepassing van dit artikellid de grootst mogelijke terughoudendheid dient te worden betracht. Slechts indien de door de Inspecteur voor beperkte kennisneming aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die beperkte kennisneming rechtvaardigen.

2.6

De Inspecteur heeft in zijn brief van 14 december 2021 omtrent de gewichtige redenen voor het schonen van passages in de stukken het volgende aangevoerd:

De gewichtige redenen voor het beroep op geheimhouding artikel 8:29 Awb voor de verslagen van het TPO en het selectie-overleg heb ik eerder aangestipt in mijn brief van 2 december 2021. Feitelijk gelden voor alle thans overgelegde verslagen dezelfde gewichtige redenen.

Tijdens TPO en het selectie-overleg worden allerlei zaken besproken, zowel organisatorisch als inhoudelijk. De bespreking en weging van nieuwe zaken is slechts een onderdeel van het overleg. In die vergadering en in de verslagen daarvan passeert uiteraard veel informatie van derden die niets van doen hebben met de onderhavige zaak. Het belang bij bescherming van de gegevens van die derden (het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer), weegt naar mijn overtuiging aanzienlijk zwaarder dan het belang dat belanghebbende in deze situatie heeft bij het kennis kunnen nemen van de ongeschoonde stukken. Die ongeschoonde stukken, met vooral veel gegevens van derden en andere privacygevoelige gegevens zoals persoonlijke gegevens van betrokken collega's, zijn wat mij betreft niet, althans niet in volle omvang, van belang voor de beslissing in het eigenlijke geschil.

Daarnaast speelt een rol het uitgangspunt dat de inspecteur bij de voorbereiding en aanpak van een zaak de vrijheid moet hebben om zijn gedachten vrij te bepalen. Nu de verslagen ook informatie (kunnen) geven in het inzicht in de gedachtenvorming van de inspecteur en de afwegingen die hij maakt, zou het verstrekken van de verslagen een belemmering kunnen vormen voor de vrije gedachtevorming van de inspecteur. Op grond van deze gewichtige redenen acht ik het belang van zowel de inspecteur als derden bij bescherming van de persoonsgegevens aanzienlijk zwaarwegender dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die (niet ter zake doende) gegevens.

Verslag van het gesprek met mevrouw [naam4]

Op 28 maart 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [naam5] (controlemedewerker) en mevrouw [naam4] . Van dat gesprek is een verslag gemaakt dat ook aan mevrouw [naam4] is toegestuurd. Het gesprek met mevrouw [naam4] ging niet alleen over [belanghebbende] BV, feitelijk was dat slechts een klein onderdeel van het gesprek. In het dossier van [belanghebbende] BV is dan ook niet het gehele verslag opgenomen maar slechts het gedeelte dat betrekking heeft op het pand waar [belanghebbende] B.V. in heeft geïnvesteerd. Dit verslag zat destijds in het dossier dat ter inzage is verstrekt. Belanghebbende verzoekt om toezending van het gehele verslag. Ook voor de (niet eerder verstrekte) delen van dit verslag doe ik een beroep op geheimhouding artikel 8:29 Awb. In de eerste plaats zijn grote delen van het verslag geschoond omdat deze tekst geen enkele relatie heeft met de zaak van [belanghebbende] BV. Bovendien gaat het uitsluitend om informatie van derden en privacygevoelige informatie betreffende een derden waar een geheimhoudingsverplichting voor geldt. Ook voor deze stukken geldt dat het belang van zowel de inspecteur als de betrokken derden bij bescherming van de persoonsgegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die (niet ter zake doende) gegevens.”.

2.7

De geheimhoudingskamer heeft van de inhoud van de door de Inspecteur overgelegde geschoonde en ongeschoonde verslagen kennisgenomen.

2.8

De geheimhoudingskamer constateert ten aanzien van de hiervoor – onder 2.3 – genoemde verslagen van het selectie-overleg Randmeren en verslagen van het TPO dat de Inspecteur in de door hem overgelegde geschoonde stukken passages heeft weggelakt, waarbij de Inspecteur als gewichtige redenen onder meer privacy van de betrokken derden en ambtenaren heeft aangevoerd. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer, bevatten de weggelakte passages in de geschoonde stukken, behoudens de namen van de betrokken ambtenaren, uitsluitend informatie met betrekking tot derden, die geen nader licht op de zaken van belanghebbende kunnen werpen. Voor die situatie is, naar de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard, niet in geschil dat de verzochte geheimhouding gerechtvaardigd is.

2.9

Voor wat betreft de namen (en andere persoonsgegevens) van de betrokken ambtenaren, overweegt de geheimhoudingskamer dat deze informatie in de door de Inspecteur onleesbaar gemaakte tekstgedeelten voor de beslissing van de hoofdzaak niet direct van belang zijn. Gelet op het ontbreken van een direct belang van deze door de Inspecteur onleesbaar gemaakte namen voor de beslissing van de hoofdzaak, alsmede op de uit de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Rand van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), PB L 119/1,4 mei 2016, voortvloeiende verregaande bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de bescherming van de persoonsgegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft bij onbeperkte kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm.

2.10

Ten aanzien van het hiervoor – onder 2.3 – bedoelde verslag van een gesprek d.d.28 maart 2014 met Mevrouw [naam4] , met bijbehorende brief, stelt de geheimhoudingskamer vast dat de weggelakte passages in dat geschoonde verslag niet uitsluitend informatie bevatten met betrekking tot derden. De Inspecteur heeft voor het weglakken van passages in dat verslag aangevoerd dat de privacy van mevrouw [naam4] aanzienlijk zwaarder moet wegen dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die passages. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer, heeft de Inspecteur niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt dat er gewichtige redenen zijn die nopen tot geheimhouding van de gereleveerde passages. De privacy van mevrouw [naam4] , wier naam reeds bekend is, wordt niet geschonden door onbeperkte kennisneming van hetgeen zij heeft verklaard.

2.11

Gelet op het voorgaande heeft de Inspecteur, naar het oordeel van de geheimhoudingskamer, met hetgeen hij heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van de overgelegde verslagen van het selectie-overleg Randmeren en het TPO redenen voor geheimhouding zijn die aanzienlijk zwaarder wegen dan het door belanghebbende concreet omschreven belang bij onbeperkte kennisneming daarvan. Het Hof volgt de Inspecteur derhalve in zijn stelling dat belanghebbende geen belang heeft bij integrale overlegging van die stukken. Ten aanzien van het verslag van het hiervoor bedoelde gesprek met mevrouw [naam4] , geldt dat, naar het oordeel van de geheimhoudingskamer, niet.

Slotsom

2.12

De geheimhoudingskamer komt tot de slotsom dat het schonen van de overgelegde stukken waaromtrent een verzoek is gedaan tot geheimhouding gerechtvaardigd is voor zover het ziet op de hiervoor – onder 2.3 – genoemde verslagen van het selectie-overleg Randmeren en verslagen van het TPO en voor het overige niet.

6 Beslissing

De geheimhoudingskamer:

– bepaalt dat het schonen van de stukken gerechtvaardigd is voor zover het ziet op de verslagen

van het selectie-overleg Randmeren en de verslagen van het TPO,

– wijst het verzoek om geheimhouding voor het overige af,

– stelt de Inspecteur in de gelegenheid om de geheimhoudingskamer binnen twee weken na

dagtekening van deze beslissing te berichten welke gevolgen hij aan deze beslissing verbindt,

en

– houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beslissing is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. M. Harthoorn en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2022

De griffier, De voorzitter,

(J.W.J. de Kort)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 augustus 2022

Tegen tussenbeslissingen, zoals die bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb, stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie open. Tegen dergelijke beslissingen kan ingevolge artikel 28, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak.