Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:703

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-02-2022
Datum publicatie
11-02-2022
Zaaknummer
19/01734
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2019:4924, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OB. Levering perceel grond. Bouwterrein?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-2-2022
FutD 2022-0504
V-N Vandaag 2022/400
NLF 2022/0374
Belastingadvies 2022/10.4
V-N 2022/20.17.6
NTFR 2022/1994 met annotatie van H.J. de Boer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer 19/01734

uitspraakdatum: 1 februari 2022

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 november 2019, nummer LEE 17/3363, ECLI:NL:RBNNE:2019:4924 in het geding tussen de Inspecteur en

[belanghebbende] te [plaats] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 juli 2016 tot en met 30 september 2016 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 861.000

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank NoordNederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2021 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende gemachtigde mr. B.J. Mulder, [naam1] , [naam2] , [naam3] (digitaal aanwezig) en [naam4] (digitaal aanwezig), alsmede mr. [naam5] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [naam6] , [naam7] , [naam8] (digitaal aanwezig), [naam9] (digitaal aanwezig) en [naam10] (digitaal aanwezig). Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 28 juli 2016 een perceel grond aan de [adres1] te [plaats] voor € 4.100.000 verkocht aan [naam11] B.V. De onroerende zaak heeft een oppervlakte van circa 1 hectare, 8 are en 74 centiare (kadastraal bekend sectie [Y] nummer [nummer] ) (hierna: de onroerende zaak).

2.2.

In de koopovereenkomst is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“Artikel 3

(…)

3 Staat van het verkochte

Gemeente levert aan koper een perceel grond in de huidige staat, inclusief de huidige bebouwing bestaande uit onder andere de ondergrondse verharding van een kolengoot, fundatie van de kolengoot, asfaltweg, trottoirs, funderingspalen, betonnen bak, kademuur en deels nog verontreinigde grond e.e.a. zoals door Gemeente is aangegeven.

De Gemeente zal, overeenkomstig het bepaalde in dit artikel onder 6, voor eigen rekening en risico zorgdragen voor de sanering van de verontreinigde grond. De sloop van de nog aanwezige bebouwing zal door en voor rekening en risico van Koper plaatsvinden.

Het is koper bekend dat zich in het noordwestelijke punt van de onroerende zaak een waterleiding bevindt. De ligging is op de verkooptekening (…) met een blauwe lijn aangegeven. Koper heeft zijn bouwplannen hierop aangepast.

(…)

7 Belastingen

1. Koper en verkoper zijn van oordeel dat de levering vrijgesteld van BTW plaats dient te vinden omdat sprake is van de levering van een bebouwd terrein niet zijnde een bouwterrein in de zin van artikel 11 lid 4 Wet OB. Ter zake van deze levering wordt door de Gemeente dan ook geen BTW in rekening gebracht.

(…)”

2.3.

Belanghebbende heeft op 28 juli 2016 de onroerende zaak geleverd. In de leveringsakte is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

6.3

Voor zover nog nodig, vindt de aflevering (feitelijke levering) van het Verkochte heden plaats, in de staat waarin het zich bevond ten tijde van het sluiten van de Koopovereenkomst, inclusief de huidige bebouwing bestaande uit onder andere de ondergrondse verharding van een kolengoot, fundatie van de kolengoot, asfaltweg, trottoirs, funderingspalen, betonnen bak, kademuur en deels nog verontreinigde grond een en ander zoals door Verkoper is aangegeven. Verkoper zal, overeenkomstig het bepaalde in het citaat zoals in artikel 14 van deze Akte is opgenomen, voor eigen rekening en risico zorgdragen voor de sanering van de verontreinigde grond. De sloop van de nog aanwezige bebouwing zal door en voor rekening en risico van Koper plaatsvinden.

In de Koopovereenkomst is opgenomen dat het Koper bekend is dat zich in de noordwestelijke punt van het Verkochte een waterleiding bevindt. De ligging is op de aan de Koopovereenkomst gehechte verkooptekening weergegeven, waarop Koper zijn bouwplannen heeft aangepast.

(…)”

2.4.

In het verleden heeft op het perceel, kadastraal bekend sectie [Y] nummer [nummer] , een [fabriek] gestaan. Eind jaren negentig is deze [fabriek] tot het maaiveld gesloopt en uit veiligheidsoverwegingen afgedekt met een laag zand. De onroerende zaak betreft de grond, de onder het maaiveld gelegen en grotendeels met een laag zand bedekte (ondergrondse) bebouwing en een kademuur. De nog aanwezige bebouwing bestaat uit een kolenbak, kolengoten, de fundatie van de kolengoten, asfaltwegen en trottoirs. De kolengoten zijn zo groot dat er vrachtwagens (Amerikaanse puinruimers) in kunnen rijden. Verder is er een zeer grote betonnen bak aanwezig die deels boven de grond uitsteekt en niet met zand is bedekt. Ook de kademuur is (deels) zichtbaar. De kademuur is meters diep en beslaat de gehele lengte van het perceel langs het water (enkele honderden meters). De bebouwing, die na de sloop van de [fabriek] is achtergebleven, voorkomt in ieder geval erosie van het terrein en verkleint de druk op de kademuur. Een interne e-mail van belanghebbende van 22 juni 2016 vermeldt het volgende:

“De [fabriek] is in 1997 gesloopt tot op maaiveldniveau. Op diverse plekken in het [adres2] zijn 'restanten' achtergebleven (zoals ook elders in [plaats] , bijvoorbeeld het voormalige [adres3] ). De restanten in de te leveren kavel hebben wel degelijk een (kerende)functie (naast het kostenoogpunt).

De waterhuishouding en de grondsoort in de lager gelegen gebieden in de stad in combinatie met naast gelegen water (Winschoterdiep in dit geval) 'is niet van de sterkste soort'. De veenachtige grondsoort heeft neiging tot verschuiven indien alle restanten verwijderd waren (te grote druk op de kademuur, welke vervolgens kan doorbreken). Dat is een natuurlijk proces dat wordt tegengegaan door restanten in de grond te laten (dat is gedaan op [adres2] en is ook de reden dat alle fundering op het voormalige [adres3] nog in en 'op de grond' aanwezig is: schuift anders het Hoendiep in). Daardoor is en wordt tegengegaan dat gedeelten van de nu te leveren kavel uiteindelijk in het Winschoterdiep zouden belanden, met alle schade van dien. Dat is de functie van het ondergrondse bouwwerk, dat wordt vervangen door de nieuwe fundering van de [naam11] .”

2.5.

Voorafgaand aan de levering van de onroerende zaak is een omgevingsvergunning verstrekt met het oog op een door de koper op het terrein te realiseren woon- en zorgcomplex. Na verkoop is alle bebouwing behoudens de kademuur verwijderd. Bij de sloop van de bestaande bebouwing is 2.100 ton beton gesloopt, gebroken en afgevoerd, 15 m³ metselwerk gesloopt, 330 stuks houten heipalen verwijderd en 3.800 m² asfaltverharding (wegen) en hoogovenslakken verwijderd. De kademuur is blijven staan en heeft zijn functie behouden.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 juli 2016 tot en met 30 september 2016 is opgelegd. Het geschil ziet uitsluitend op de vraag of sprake is van de levering van een bouwterrein in de zin van artikel 11, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968, tekst geldend in 2016 (hierna: Wet OB), thans artikel 11, lid 6 van de Wet OB.

3.2.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag omzetbelasting terecht is opgelegd omdat sprake is van een bouwterrein, zodat ingevolge artikel 11, lid 1, onderdeel a, onder 1o, van de Wet OB, de levering van de vrijstelling is uitgezonderd.

3.3.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van bebouwde grond, zodat de levering op grond van de in artikel 11,lid 1, onderdeel a, van de Wet OB geformuleerde hoofdregel is vrijgesteld van de heffing van omzetbelasting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In artikel 11, lid 1, onderdeel a, onder 1o, van de Wet OB is het volgende bepaald.

“Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:

a. de levering van onroerende zaken en van rechten waaraan deze zijn onderworpen, met uitzondering van:

1. de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het erbij behorend terrein vóór, op of uiterlijk twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming, alsmede de levering van een bouwterrein;”.

4.2.

In artikel 11, leden 3 en 4, van de Wet OB - tekst 2016 - is het volgende bepaald:

“3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°:

a. wordt als gebouw beschouwd ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden;

b. wordt na de verbouwing van een gebouw de ingebruikneming als eerste ingebruikneming aangemerkt, indien door die verbouwing een vervaardigd goed is voortgebracht;

c. wordt als erbij behorend terrein beschouwd ieder terrein dat naar maatschappelijke opvattingen behoort bij dan wel dienstbaar is aan het gebouw.

4. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt als bouwterrein beschouwd onbebouwde grond:

a. waaraan bewerkingen plaatsvinden of hebben plaatsgevonden;

b. ten aanzien waarvan voorzieningen worden of zijn getroffen die uitsluitend dienstbaar zijn aan de grond;

c. in de omgeving waarvan voorzieningen worden of zijn getroffen; of

d. ter zake waarvan een omgevingsvergunning (…) is verleend;

met het oog op de bebouwing van de grond.”.

4.3.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, lid 3, van de Wet OB is de wetgever van mening dat het begrip ‘bouwwerk’ ruim dient te worden uitgelegd (Kamerstukken II, 1995/1996, 24 703, nr. 3):

“Zo is in het derde lid, onderdeel a, de definitie van «gebouw» uit de richtlijn overgenomen (artikel 4, lid 3, sub a, slotzin, van de richtlijn). Het daarin gehanteerde begrip bouwwerk heeft een ruimere betekenis dan hetgeen doorgaans onder gebouw wordt verstaan. De Engelse en Franse richtlijntekst – structure onderscheidenlijk construction – vormen daarvoor ook een indicatie. Naast «echte» gebouwen zoals huizen, kantoren, schuren en dergelijke, vallen daar bij voorbeeld onder bruggen, tunnels, viaducten, straten, wegen, pleinen en sluizen. Atletiekbanen, kunstgrasvelden en dergelijke zijn op één lijn te plaatsen met een bebouwing zoals dat bij voorbeeld bij pleinen het geval is. Ook het geheel van een sportveld omgeven door tribunes kan als een dergelijke bebouwing gelden. Anders is dit ingeval bij het aanleggen van een sportveld slechts sprake is van het egaliseren en inzaaien van de grond. Er zal dan geen sprake zijn van bebouwing met bouwwerken in de hiervoor bedoelde zin. Bij sportcomplexen die deels bestaan uit bebouwing en deels uit grond waarop geen bebouwing voorkomt, zal moeten worden bezien of beide delen in het maatschappelijk verkeer een zelfstandige betekenis hebben en in die zin afzonderlijk (kunnen) worden gebruikt – in welk geval een splitsing voor de hand ligt dan wel of de onbebouwde delen opgaan in de functie van het op de grond gebouwde.

(…)

Een punt dat in dit kader bijzondere aandacht verdient is de sloop van een gebouw. Onderscheid moet worden gemaakt tussen het geheel slopen van een gebouw of een gedeelte van een gebouw enerzijds en het gedeeltelijk slopen ervan anderzijds. In de laatste situatie resteert er na de sloopwerkzaamheden nog steeds een gebouw (of een gedeelte van een gebouw) – er blijft bebouwing over die nog de functie van gebouw kan vervullen – en dus resteert er bebouwde grond. Deze werkzaamheden zullen dan ook meestal plaatsvinden in het kader van de verbouwing van een gebouw. De vraag naar de belastbaarheid bij levering of oplevering moet dan dus worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in het derde lid, onderdeel b. Is daarentegen sprake van het geheel slopen van een gebouw (of een gedeelte van een gebouw) – er blijft geen bebouwing meer over die nog de functie van gebouw kan vervullen – dan ontstaat onbebouwde grond. Op dat moment vindt een overgang plaats van het regime voor bebouwde gronden naar dat voor onbebouwde gronden. Bij de levering of oplevering van die onbebouwde grond is belastingheffing ingevolge artikel 11 van de wet slechts aan de orde indien die grond een bouwterrein is, dat wil zeggen voldoet aan het bepaalde in het vierde lid van artikel 11. Is dergelijke grond echter geen bouwterrein in de zin van het vierde lid, dan is – zoals ik in paragraaf 1.2 van deze memorie reeds heb aangegeven – de oplevering ervan een belaste dienst.”

4.4.

Met betrekking tot het antwoord op de vraag of de levering van de onroerende zaak een (gedeelte van een) gebouw en het er bijbehorend terrein dan wel een bouwterrein betreft in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel a, onder 1o, van de Wet OB, heeft de Hoge Raad als volgt overwogen (HR 12 december 2014, nr. 13/01646, ECLI:NL:HR:2014:3566):

“Indien met betrekking tot een bepaald terrein werkzaamheden met het oog op het treffen van voorzieningen als zojuist bedoeld worden verricht naast het oprichten van bouwwerken op dat terrein, hangt het af van de omstandigheden van het geval of na voltooiing kan worden geconcludeerd dat een dergelijk terrein als geheel heeft te gelden als bebouwde grond, zoals bedoeld in artikel 11, lid 4, slotzin, van de Wet OB. Omstandigheden die daarvoor in het bijzonder van belang kunnen zijn, zijn de omvang van de op de percelen voorziene bouwwerken en de verhouding tussen het bebouwde en het onbebouwde gedeelte van het terrein. Ook de aard van een bouwwerk kan van belang zijn. Het oprichten van een bouwwerk dat dienstbaar is aan onbebouwde grond, bijvoorbeeld een drainagebuis in of een hekwerk rond een weiland, leidt niet ertoe dat het terrein heeft te gelden als bebouwde grond.

Tevens dient in aanmerking te worden genomen dat, ongeacht de omvang van het bouwwerk of de bouwwerken en ongeacht de verhouding tussen het bebouwde gedeelte en het onbebouwde gedeelte van het terrein, het onbebouwde gedeelte ‘erbij behorend terrein’ kan zijn in de zin van artikel 11, lid 3, letter c, van de Wet OB. In dat geval hebben beide gedeelten te gelden als bebouwde grond.”

4.5.

Het Hof is van oordeel de onroerende zaak kwalificeert als bebouwde grond. Naar het oordeel van het Hof kwalificeren de met de grond verbonden constructies (een kolenbak, kolengoten, fundatie kolengoten, een kademuur, asfaltwegen en trottoir) als bouwwerken. Het gedeeltelijk slopen van een bestaand gebouw leidt in beginsel niet tot het ontstaan van onbebouwde grond of een bouwterrein (zie onder 4.3.3 en HvJ 12 juli 2012, zaak C326/11, ECLI:EU:C:2012:461 (J.J. Komen en Zonen Beheer)). Voor de levering van een bouwterrein moet op het moment van levering sprake zijn van een perceel onbebouwde grond waaraan, met het oog op bebouwing, voor zover van belang bepaalde handelingen hebben plaatsgevonden. Grond waarop zich een gedeeltelijk gesloopt gebouw bevindt en waarop zoals in casu nog constructies aanwezig zijn (een kolenbak, kolengoten, fundatie kolengoten, een kademuur, asfaltwegen en trottoir) vormt voor de omzetbelasting nog steeds bebouwde grond.

4.6.

Het oordeel van de Hoge Raad dat het oprichten van een bouwwerk dat dienstbaar is aan onbebouwde grond, bijvoorbeeld een drainagebuis in of een hekwerk rond een weiland, er niet toe leidt dat het terrein heeft te gelden als bebouwde grond, (HR 12 december 2014, nr. 13/01646, ECLI:NL:HR:2014:3566) maakt het vorenstaande niet anders. Alhoewel vaststaat dat de bouwwerken een functie hadden om erosie van de grond te voorkomen, kan naar het oordeel van het Hof daaruit niet de conclusie worden getrokken dat de bouwwerken alleen ten dienste stonden aan de onbebouwde grond en derhalve sprake was van de levering van onbebouwde grond. Het voorkomen van erosie is immers een functie die ook dienst doet aan eenmaal bebouwde grond. De kademuur heeft deze functie vervuld voor de bebouwde grond waarop de [fabriek] stond, voor de grond waarbij de [fabriek] tot het maaiveld was gesloopt en vervult nu deze functie nog steeds voor de grond met daarop een woon- zorgcomplex. De kademuur is daarmee in essentie dienstbaar aan de bebouwde grond en de bebouwde grond kan niet bestaan zonder deze kademuur. Daar komt bij dat verschillende bouwwerken naast hun functie van het voorkomen van erosie van de grond ook op andere wijze van voorgezet nut hadden kunnen zijn voor de nieuwe bebouwing. Belanghebbende heeft in dat kader onweersproken gesteld dat de kolengoten op een nabijgelegen perceel, na verkoop en de bouw van huizen, zijn gebruikt ten behoeve van de warmte/koude installaties van die huizen. Het Hof is van oordeel dat gelet op de foto’s van de kolenbak (een grote betonnen bak) deze ook een functie had kunnen hebben anders dan het voorkomen van de erosie van de grond. Daaraan doet niet af dat de deksel van deze bak is beschadigd. Ook zonder deksel is sprake van een constructie die bijvoorbeeld dienst had kunnen doen als opslagruimte. Ook de aanwezige asfaltwegen en het trottoir hadden naar hun aard een functie voor de grond kunnen hebben. De bouwwerken zijn daarmee, anders dan de Inspecteur stelt, niet alleen dienstbaar aan de onbebouwde grond. Dat de verschillende bouwwerken ten tijde van de levering (grotendeels) waren afgedekt met een laag zand, doet daaraan niet af.

4.7.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de in de grond aanwezige restanten verwaarloosbaar zijn en verwijst daartoe naar een arrest van de Hoge Raad van 7 december 2018 (HR 7 december 2018, nr. 17/01767, ECLI:NL:HR:2018:2260) waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bebouwde grond van belang kan zijn de aard en de omvang van de bebouwing in verhouding tot de omvang van de onroerende zaak (zie ook: HR 12 december 2014, nr. 13/01646, ECLI:NL:HR:2014:3566). Deze grief slaagt niet. Het Hof is van oordeel dat met de aanwezigheid van de bouwwerken, waaronder een kademuur van honderden meters lang en verschillende meters diep, mede gelet op de omvang van deze bouwwerken zoals dat blijkt uit de in het dossier aanwezige foto’s, de omschrijving daarvan (2.4) en uit het tonnage aan puin dat de sloop van de bouwwerken (minus de kademuur) heeft opgeleverd (2.5), niet kan worden gezegd dat de bebouwde delen van ondergeschikte aard zijn. Hierbij weegt het Hof mee dat deze bouwwerken enorme constructies zijn die niet eenvoudig verplaatsbaar of verwijderbaar zijn en – gelet op de verwijderde tonnage – een aanzienlijk deel van het perceel hebben beslaan.

4.8.

Ten slotte merkt het Hof op dat het feit dat de koper ervoor heeft gekozen deze bouwwerken te verwijderen, niet tot gevolg heeft dat de levering alsnog moet worden gekwalificeerd als de levering van onbebouwde grond. Hierbij is van belang dat koper de kosten draagt van de sloop van de bebouwing (vgl. HvJ 19 november 2009, Don Bosco Onroerend Goed, C461/08, ECLI:EU:C:2009:722, HvJ 12 juli 2012, J.J. Komen en Zonen Beheer Heerhugowaard, C326/11, ECLI: EU:C:2012:461, HvJ, 17 januari 2013 en Woningstichting Maasdriel, C543/11, ECLI:EU:C:2012:20). Het door belanghebbende en de koper van de onroerende zaak nagestreefde economische doel bestond in de levering van een terrein dat nog niet gereed was voor bebouwing en waarvoor nog sloophandelingen moesten worden verricht door de koper. Dit was de intentie van partijen en volgt ook uit de overgelegde objectieve gegevens.

4.9.

Gelet op het vorenstaande was ten tijde van de levering sprake van bebouwde grond. De naheffingsaanslag kan daarom niet in stand blijven.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor zijn verweer in hoger beroep heeft moeten maken.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met het verweer in hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.518 (2 punten (verweerschrift in hoger beroep en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 759).

6 Beslissing

Het Hof

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 1.518, en

  • -

    bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 519.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. M. Harthoorn en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2022.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A.E. Keulemans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 februari 2022

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.