Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:7027

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-08-2022
Datum publicatie
10-08-2022
Zaaknummer
21-001807-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Feit 1:

art. 3.26, tweede lid, onder c, Wet natuurbescherming jo. art. 3.13, lid 4, Besluit Natuurbescherming

Vrijspraak. Niet bewezen dat verdachte zelf dan wel als medepleger het jachtgeweer, voorzien van een kunstmatige lichtbron, in de zin van art. 3.26, lid 1, Wet natuurbescherming heeft “gebruikt”. “Ten gebruike meevoeren” van een dergelijk jachtgeweer valt niet onder voormelde term “gebruiken”.

Feit 2:

art. 22, lid 1, Wet wapens en munitie

Nadere overwegingen m.b.t. het bewijs en de strafbaarheid:

Het kogelgeweer en de twee hagelgeweren zijn niet rechtstreeks door verdachte vervoerd vanuit het jachtveld (de locatie waar het gebruik was toegestaan) naar diens woning (de bewaarplaats), maar via de buiten het jachtveld gelegen woning van een medejager, om daar na de jacht wat te eten en te drinken. Dit bezoek staat niet in zodanige relatie tot de jacht dat zou kunnen worden gezegd dat het vervoer van het wapen via deze woning redelijkerwijs geboden was. Daarom geldt voor dit vervoer niet de vrijstelling van het verbod van artikel

22, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.

Veroordeling:

Het hof legt op een geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 dag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2022/119 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001807-20

Uitspraak d.d.: 9 augustus 2022

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer

van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 25 mei 2020 met parketnummer 84-238462-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis onbeperkt hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 juli 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling ter zake van het onder 1 tenlastegelegde tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar, en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde tot een geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. P.C.H. van Schooten, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het namens verdachte ingestelde hoger beroep

Nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, kan verdachte voor zover het hoger beroep is gericht tegen deze vrijspraak daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 20 oktober 2018 te Marum, althans (elders) in Nederland, al dan niet

opzettelijk, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, in strijd met

het bepaalde in artikel 3.26 lid 1 en/of artikel 3.26 lid 2 onder c van de

Wet natuurbescherming, een geweer, te weten een (kogel)geweer (Weihrauch .222 Rem, nummer 43533), heeft gebruikt, dit terwijl voornoemd geweer voorzien was van een kunstmatige lichtbron en/of een voorziening om de prooi te verlichten en/of een vizier met beeldomzetter en/of een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten, immers werd bij verdachte en/of zijn mededader(s) een (kogel)geweer aangetroffen, welk (kogel)geweer voorzien was van een instrument (een lichtbron en/of richtmiddel, merk en type Genetics, Subzero ND.3.) om in de nacht te kunnen schieten;

2.
hij op of omstreeks 20 oktober 2018 te Marum, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, een wapen of munitie van de categorieën II en/of III heeft vervoerd, te weten een (kogel)geweer en/of twee, althans één hagelgewe(e)r(en), zonder vergunning tot vervoer, als bedoeld in artikel 9, vierde lid van de Wet wapens en munitie, dan wel verlof tot vervoer als bedoeld in artikel 24 van voornoemde wet, immers had(den) verdachte en/of diens mededader(s) na de jacht het/de wapen(s) (eerst) vervoerd naar een adres ( [adres] ) welk zich niet in het jachtveld (alwaar verdachte [verdachte] woont,) bevond, dit terwijl het vervoer vanuit het jachtveld rechtstreeks naar de woning (van verdachte [verdachte] voornoemd) diende te gaan.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen dat verdachte zelf dan wel als medepleger het in het onder 1 tenlastegelegde nader omschreven geweer heeft gebruikt, zodat verdachte van dit feit behoort te worden vrijgesproken.

Slechts kan worden bewezen dat de verdachte het onder 1 nader omschreven geweer in een foedraal op zijn rug heeft gedragen. Anders dan de advocaat-generaal heeft gesteld is het hof van oordeel dat dit ten gebruike meevoeren van het geweer niet valt onder de term gebruiken in de zin van artikel 3.26, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Voor de opvatting van de advocaat-generaal, dat aan die term een ruimere betekenis moet worden toegekend, is geen steun te vinden in (de geschiedenis van de totstandkoming van) de

Wet natuurbescherming.

Nadere overwegingen met betrekking tot het bewijs en de strafbaarheid van het onder 2 tenlastegelegde

Onder feit 2 is tenlastegelegd het (mede-)plegen van handelen in strijd met het in artikel 22, eerste lid, van de Wet wapens en munitie neergelegde verbod om een wapen of munitie van de categorieën II en III te vervoeren zonder vergunning tot vervoer, als bedoeld in artikel 9, vierde lid, dan wel verlof tot vervoer, als bedoeld in artikel 24.

Het tweede lid van artikel 22 van de Wet wapens en munitie bepaalt dat de

Minister van Justitie en Veiligheid bij regeling vrijstelling van het verbod van het eerste lid kan verlenen met betrekking tot sportschutters en jagers, die gerechtigd zijn tot het voorhanden hebben van wapens of munitie, alsmede personen die in de uitoefening van een beroep of bedrijf of als werknemer van de houder van een erkenning als bedoeld in artikel 9, derde lid, wapens of munitie vervoeren.

Deze vrijstelling is nader geregeld in artikel 39 van de Regeling wapens en munitie en luidt:

1.

Van het verbod van artikel 14, eerste lid en 22, eerste lid van de wet, wordt vrijstelling verleend aan de houder van een geldige jachtakte, voor zover het betreft het ter beoefening door hem van de jacht tijdelijk doen uitgaan of binnenkomen, alsmede vervoeren, van de in die jachtakte omschreven jachtgeweren, die zodanig zijn verpakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik kunnen worden aangewend, alsmede voor ten hoogste 1000 patronen voor die geweren tezamen.

2.

De vrijstelling ingevolge het eerste lid geldt voor de houder van een jachtakte als bedoeld in artikel 16a van de Jachtwet vanaf de zevende dag vóór tot en met de zevende dag ná het tijdvak waarvoor die jachtakte geldig is.

3.

Voor ingezetenen van één van de bij de Europese Unie aangesloten lidstaten geldt de vrijstelling slechts indien zij beschikken over een door de autoriteiten in die lidstaat afgegeven Europese vuurwapenpas waarop de wapens zijn vermeld.

Het hof leidt uit het tweede lid van artikel 22 van de Wet wapens en munitie, in verbinding met de vrijstellingsregeling van artikel 39 van de Regeling wapens en munitie, af, dat voor zover hier van belang de vrijstelling in relatie dient te staan tot de jacht en voor de jacht noodzakelijk dient te zijn. In de jachtakte van verdachte is in dit verband specifiek opgenomen: "De voorschriften en beperkingen in de Circulaire wapens en munitie zijn van toepassing op dit verlof". Als één van de beperkingen is vervolgens op de jachtakte vermeld: " Het vervoer van wapens, toestellen of munitie is beperkt tussen de bewaarplaats en de locatie waar het gebruik ingevolgde de bestemming is toegestaan (….), langs de weg en binnen het tijdsbestek welke daar redelijkerwijze voor zijn geboden".

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting stelt het hof vast dat verdachte na de jacht het kogelgeweer en de twee hagelgeweren niet rechtstreeks heeft vervoerd vanuit het jachtveld (de locatie waar het gebruik was toegestaan) naar diens woning (de bewaarplaats), maar via de buiten het jachtveld gelegen woning van medejager [persoon] , om daar na de jacht wat te eten en te drinken.

Het hof acht dit bezoek aan de woning van medejager [persoon] niet in zodanige relatie tot de jacht staan dat zou kunnen worden gezegd dat het vervoer van het wapen via deze woning redelijkerwijs geboden was.

Dit betekent dat voor dit vervoer niet de vrijstelling van het verbod van artikel 22, eerste lid, van de Wet natuurbescherming gold.

Het hof acht - evenals de advocaat-generaal en anders dan de verdediging - bewezen dat verdachte het verbod als bedoeld in het eerste lid van artikel 22 van de

Wet wapens en munitie heeft overtreden, een en onder zoals hieronder aangegeven.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 oktober 2018 in Nederland wapens van categorie III heeft vervoerd, te weten een kogelgeweer en twee hagelgeweren, zonder vergunning tot vervoer, als bedoeld in

artikel 9, vierde lid van de Wet wapens en munitie, dan wel verlof tot vervoer als bedoeld in artikel 24 van voornoemde wet, immers had verdachte na de jacht de wapens eerst vervoerd naar een adres [adres] welk zich niet in het jachtveld bevond, dit terwijl het vervoer vanuit het jachtveld rechtstreeks naar de woning van verdachte

[verdachte] voornoemd diende te gaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 22, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 20 oktober 2018 na de jacht een kogelgeweer en twee hagelgeweren niet rechtstreeks vervoerd vanuit het jachtveld naar diens woning, maar eerst naar een adres van een medejager, dat zich niet in het jachtveld bevond, om daar wat te eten en te drinken.

Handelingen waarop de Wet wapens en munitie van toepassing is, zijn, gelet op het gevaarzettend karakter daarvan, met de nodige waarborgen omkleed. Verdachte heeft zich er onvoldoende rekenschap van gegeven of hij wel overeenkomstig de wettelijke bepalingen handelde. Op het handelen van verdachte dient dan ook met enige straf, in welke vorm dan ook, gereageerd te worden.

Op grond van het vorenstaande acht het hof de oplegging van een geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen hechtenis, in beginsel passend en geboden.

Het hof heeft ter zitting de indruk gekregen dat verdachte de jacht en de daaraan verbonden wet- en regelgeving zeer serieus neemt en geen loopje wenst te nemen met de wet- en regelgeving, maar ter zake van het bewezenverklaarde wat nonchalant is geweest.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 juni 2022 blijkt dat verdachte zowel vóór als na het bewezenverklaarde feit niet ter zake van enig strafbaar feit met justitie in aanraking is gekomen.

Het hof leidt uit het hiervoor vermelde af dat het bewezenverklaarde feit is te beschouwen als een incident.

Alles afwegende acht het hof termen aanwezig om de op te leggen geldboete niet onvoorwaardelijk, maar voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke geldboete was ook door de economische politierechter opgelegd en is ook door de advocaat-generaal gevorderd. Anders dan de economische politierechter en de advocaat-generaal, zal het hof aan deze voorwaardelijke straf een kortere proeftijd verbinden, te weten van 1 dag, nu gebleken is dat verdachte ook ná het bewezenverklaarde feit niet heeft gerecidiveerd en sinds het incident inmiddels bijna vier jaren zijn verstreken.

Het hof heeft bij de vaststelling van de geldboete rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, zoals deze ter zitting van het hof is gebleken.

Teruggave

Het hof zal de teruggave aan verdachte gelasten van de onder hem in beslag genomen nog niet terug gegeven lichtbron, zoals nader in het dictum aangeduid, aangezien er geen gronden zijn voor een andere beslissing daaromtrent.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 22 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) dag aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een lichtbron van het merk en type Genetics, Subzero ND.3.

Aldus gewezen door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,

en op 9 augustus 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.